Voor veel mensen is de BMI niet meer dan een abstract cijfer dat aangeeft of hun gewicht wel snor zit (zie tabel). In een beeld kun je de BMI omschrijven als de hoogte van de vloeibare massa van een mens uitgegoten in een container met een grondvlak van 1 meter op 1 meter. Hoe groter de lichaamsmassa, hoe hoger het peil komt. De BMI is in die zin een eenvoudige manier om na te gaan of iemand dik is voor zijn of haar lichaamslengte.
...

Voor veel mensen is de BMI niet meer dan een abstract cijfer dat aangeeft of hun gewicht wel snor zit (zie tabel). In een beeld kun je de BMI omschrijven als de hoogte van de vloeibare massa van een mens uitgegoten in een container met een grondvlak van 1 meter op 1 meter. Hoe groter de lichaamsmassa, hoe hoger het peil komt. De BMI is in die zin een eenvoudige manier om na te gaan of iemand dik is voor zijn of haar lichaamslengte. Aan die voorstelling zitten echter nadelen vast. Zo maakt de BMI geen onderscheid tussen mensen met veel of weinig spieren, waardoor gespierde mensen vaak een hoge BMI hebben. In theorie verkeren ze daardoor in de gevarenzone voor overgewicht en de daaraan verbonden gezondheidsrisico's, terwijl er nauwelijks vet aan hun lichaam hangt. Gelukkig valt die groep doorgaans vlot van de rest te onderscheiden en wordt snel duidelijk dat er geen sprake is van overgewicht. Maar het kan wel tot onzekerheid leiden. De BMI zegt niets over hoe het lichaamsvet over het lichaam verspreid zit. De grootste bedreiging voor de gezondheid komt van het vet in de buikholte - visceraal vet, in medische bewoordingen (viscera is Latijn voor darmen of ingewanden). Dat buikvet stapelt zich op in diverse organen, zoals het hart, de lever, de alvleesklier, de spieren, enzovoort, waardoor die minder goed gaan werken. De spieren bijvoorbeeld gaan suiker minder goed uit het bloed opnemen. Het effect van insuline op de suikeropname neemt ook af. In het hart gaan cellen sneller afsterven, en diverse weefsels gaan meer stoffen afscheiden die ontstekingen stimuleren. Als gevolg van dat alles neemt het risico op vroegtijdig overlijden aanzienlijk toe. De BMI van magere mensen met een dikke buik is vaak laag, waardoor ze denken dat hun gewicht oké is. Hun buikomtrek wijst echter op veel buikvet, en dat is riskant. Voor eenzelfde BMI houdt een grote buikomtrek gemiddeld een groter risico op vroegtijdig overlijden in dan een kleine. En dat voor alle doodsoorzaken. De laatste jaren zien we wereldwijd een toename van de lendenomtrek bij een gelijke BMI. De buiken worden dus dikker, terwijl het overgewicht in verhouding niet toeneemt. Door alleen naar de BMI te kijken, lijkt de toestand stabiel, terwijl dat niet zo is. Internationale specialisten dringen er daarom op aan naast de BMI ook de lendenomtrek systematisch te meten. Een lintmeter correct rond je lenden leggen volstaat om te weten of de hoeveelheid vet in je buik gevaarlijke proporties aanneemt. Voor vrouwen begint de gevarenzone vanaf 90 centimeter; voor mannen vanaf 100. Hoe verder over die grens, hoe groter het risico. Als je je lendenomtrek eenmaal kent, kun je de evolutie ervan gemakkelijk volgen aan de hand van je rok- of broekmaat. Gaan die losser zitten, dan weet je dat je gewicht, en dus ook buikvet, verloren hebt. Een goede zaak, want een afname van de lendenomtrek leidt globaal tot een verbetering van de overlevingskansen. De buik-, middel- en lendenomtrek wordt niet overal op dezelfde wijze gemeten. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) raadt aan tussen de onderste ribben en de bovenste bekkenrand. De Amerikaanse National Institutes of Health wijzen de bovenste bekkenrand als ideale hoogte aan. Dat resulteert in een klein verschil, maar heeft uiteindelijk weinig belang voor de beoordeling van het risico.