Weer een noodkreet. Het is een normale werkdag en ik krijg van een vriend de zoveelste schreeuw om hulp doorgestuurd. Dit keer in de vorm van een artikel in Knack waar experten en zorgverleners nog maar eens aan de alarmbel trekken.

Iedereen weet dat de wachtrijen voor psychische hulp schandalig lang zijn, dat er eigenlijk te weinig geïnvesteerd wordt in preventie en dat jongeren niet op de volwassenenafdeling van de psychiatrie thuishoren. De schreeuw wordt wel gehoord, door maar liefst acht verschillende bevoegde ministers, maar onvoldoende beantwoord omdat niemand de eindverantwoordelijkheid kan of wil nemen in ons land.

Steek het op het feit dat ik uit Geel, de Barmhartige Stede, kom of op mijn persoonlijke ervaring met depressie, maar ik vind ieders psychisch welzijn enorm belangrijk. Wanneer mensen vragen om hulp, moeten ze zo snel mogelijk de best mogelijke hulp krijgen. Wat we nu in België zien gebeuren is ons land onwaardig.

Om maar enkele cijfers mee te geven: één op vier Vlamingen krijgt ooit te maken met ernstige psychische problemen. Meer dan 700.000 Belgen kampen op dit moment met psychische klachten. En onze zelfmoordcijfers liggen bij de hoogste van Europa. Elke dag proberen er 28 Belgen, voornamelijk jongeren, uit het leven te stappen en bij drie ervan is de poging helaas succesvol.

Met andere woorden, iedereen krijgt in zijn of haar leven wel te maken met het belang van kwalitatieve geestelijke gezondheidszorg. Je maakt het zelf mee of iemand in je familie of vriendenkring probeert zich ergens door te worstelen. Psychische aandoeningen kijken niet naar socio-economische status, gender, leeftijd of etnisch-culturele achtergrond. Het kan iedereen overkomen.

Acht ministers

En toch heerst er een onbegrijpelijk taboe rond ons geestelijk welzijn. 'De geestelijke gezondheidszorg worstelt nog altijd met het stigma dat mensen er niet publiekelijk over willen praten. Politici niet, maar veel patiënten ook niet.' zegt Frieda Matthys, diensthoofd psychiatrie UZ Brussel, in het artikel. Wel, ik wil wél praten.

Gezondheidszorg is de draak van de zesde staatshervorming, zéker op het vlak van geestelijke gezondheidszorg. Maar liefst acht verschillende ministers (voor de volledigheid: Maggie De Block, federaal minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid; Jo Vandeurzen Vlaams minister van Welzijn en Volksgezondheid; Rudy Demotte, Minister-President van de Franse Gemeenschap, Alda Greoli, minister van Cultuur en Kind in de Franse Gemeenschapsregering; Cécile Jodogne, collegelid van de Franse Gemeenschapscommissie (FGC), bevoegd voor het Gezondheidsbeleid; Guy Vanhengel, minister, lid van het Verenigd College van de GGC, belast met Gezondheidsbeleid; Rudi Vervoort, minister-president van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering; Antonios Antoniadis, minister van Gezin, Gezondheid en Sociale Aangelegenheden van de Duitstalige Gemeenschap.) mogen in ons land hun zegje doen over een bepaald aspect van ons geestelijke gezondheidsbeleid.

De verschillende overheden dragen een verpletterende verantwoordelijkheid voor de onderfinanciering in de geestelijke gezondheidszorg, voor het taboe dat er hangt rond psychisch welzijn en voor de schandalig lange wachtrijen.

Maar niemand draagt echt de eindverantwoordelijkheid, en daar ligt de kern van het probleem. We lachen vaak met de complexiteit van ons Belgenlandje, maar dit is alles behalve om te lachen. Er moet een duidelijke hiërarchie zijn waarbij de federale minister van Volksgezondheid kan zeggen: 'Dit is de richting die we in ons land uit moeten. We zetten extra mensen en middelen in voor preventie, we breiden de terugbetaling van psychologen uit naar kinderen, jongeren en ouderen en we zorgen voor voldoende opvang voor acute, levensbedreigende situaties.'

Wanneer ik dus zeg dat we geestelijke gezondheidszorg moeten herfederaliseren ben ik niet bezig over efficiëntie-oefeningen of besparingen of communautaire stemmingmakerij. Maar dan heb ik het over mensenlevens.