Feminisering in de zorgsector: ‘Plots zagen wij hier nauwelijks nog mannen’

© iStock
Jeroen de Preter
Jeroen de Preter Redacteur Knack

Terwijl de genderrollen in onze samenleving langzaam maar zeker beginnen te vervagen, zijn de zorg en het onderwijs meer dan ooit vrouwenbastions. Hoe komt dat? En is het wel gezond?

Wie een kind heeft met leer- of gedragsproblemen, heeft het misschien al opgemerkt: de hulpverlening is vooral een vrouwenzaak. Neem, om één frappant bijvoorbeeld te noemen, het Centrum voor Ontwikkelingsstoornissen (COS) in Leuven. Het COS-team bestaat vandaag uit 23 kinderartsen, orthopedagogen, psychologen, logopedisten en kinesisten. Alle 23 zijn ze vrouw. Het is, met andere woorden, een all female panel.

Het COS-team is zeker geen uitzondering. Ook bij organisaties als Kind en Gezin of Pleegzorg Vlaanderen vormen de mannelijke personeelsleden hoogstens een kleine minderheid. Net als het onderwijs wordt de zorg geconfronteerd met een verregaande feminisering. Die evolutie kun je paradoxaal noemen. Terwijl mannen binnen het gezin steeds meer tijd maken voor de kinderen, is buiten het gezin precies het tegenovergestelde het geval. Ongetwijfeld groeien er vandaag kinderen op in een haast volstrekt manloze wereld.

'Uit onderzoek weten we dat interesse van jongens vaker gericht is op objecten, die van meisjes meer op intermenselijke relaties.'
‘Uit onderzoek weten we dat interesse van jongens vaker gericht is op objecten, die van meisjes meer op intermenselijke relaties.’© MONTAGE: KNACK

Is die feminisering problematisch? Die vraag volgt later in dit stuk. Eerst iets over de oorzaken. Die zijn, toch minstens op het eerste gezicht, te vinden op de plekken waar ons onderwijzende en zorgende personeel wordt opgeleid: onze hogescholen en universiteiten.

Vicieuze cirkel

‘Toen ik in de jaren zeventig studeerde, waren de mannen in studierichtingen als pedagogiek, psychologie en geneeskunde nog ruim in de meerderheid’, vertelt Danny Wildemeersch, emeritus hoogleraar pedagogische wetenschappen (KU Leuven). ‘Hoogstens een derde was vrouw.’

De kentering kwam er samen met de vervrouwelijking van onze universiteiten in de jaren tachtig en negentig. Terwijl het aantal mannelijke studenten min of meer stabiel bleef, verdubbelde tot verdrievoudigde het aantal studentes. ‘In die periode zag je een spectaculaire feminisering van de richtingen pedagogiek en psychologie’, zegt Wildemeersch. ‘Plots zagen we hier nauwelijks nog mannen.’

Wildemeersch overdrijft niet, zo blijkt uit de cijfers. Aan de KU Leuven volgen dit academiejaar 14 mannen de bachelor pedagogische wetenschappen; ze delen de aula’s met 262 vrouwen. Aan dezelfde universiteit schreven 6 heren zich in voor een bachelor logopedische en audiologische wetenschappen; zij zien zich omringd door 189 vrouwen. Minder spectaculair, en toch ook tekenend, is het overwicht in de richting psychologie: 246 mannen vormen er een kleine minderheid tegenover de 1061 studentes.

Grote onevenwichten dus, maar hebben die ook ten gronde iets te maken met de vervrouwelijking van de universiteiten? Wellicht niet. Al in het secundair onderwijs lijken meisjes (of zijn het vooral hun ouders?) meer aangetrokken tot richtingen die te maken hebben met onderwijs, zorg en (mentale) gezondheid. Denk aan humane wetenschappen, een richting die volgens de laatste gegevens voor ongeveer 75 procent bevolkt wordt door meisjes.

Hoe dat komt? ‘Ik denk dat die keuzes vooral te maken hebben met oude, moeilijk uitroeibare genderstereotypen’, zegt Ann Buysse, hoogleraar psychologie aan de Universiteit Gent. ‘Onbewust zien we de exacte wetenschap nog altijd als een mannelijk domein, terwijl we de wetenschappen die met zorg en opvoeding te maken hebben met vrouwen associëren. Zelfs binnen de verschillende takken van de psychologie zie je die stereotypen weerspiegeld. De minderheid van mannelijke studenten psychologie kiest overwegend voor specialisaties als bedrijfspsychologie en theoretische psychologie; de studentes kiezen vaker voor klinische psychologie – de meest zorgende specialisatie. Aan de universiteit creëren we zo vrouwelijke en mannelijke rolmodellen die de stereotypen telkens weer reproduceren. Het is een vicieuze cirkel.’

Aan de universiteit creëren we vrouwelijke en mannelijke rolmodellen die de stereotypen telkens weer reproduceren.

Ann Buysse, hoogleraar psychologie, UGent

Danny Wildemeersch draagt nog een aantal verklaringen aan, die mogelijk minder met stereotypen te maken hebben. ‘Ik vermoed dat meisjes en vrouwen zich veiliger voelen bij keuzes die een meer zorgende rol op de achtergrond impliceren. Dat genderverschil heb ik als docent duidelijk waargenomen: studentes functioneerden anders in een aula. Ondanks hun numerieke minderheid traden de mannen in debatten of discussies veel gemakkelijker naar voren. Sterker nog, vaak moedigden studentes hun mannelijke collega’s aan om het voortouw te nemen, zelfs wanneer ik wist dat zijzelf inhoudelijk sterker waren. Bovendien weten we uit onderzoek dat interesse van jongens vaker gericht is op objecten, die van meisjes meer op intermenselijke relaties. Dat speelt allicht mee in de studie- en beroepskeuze.’

Die vaststelling brengt ons almaar dichter bij een heikele maar in deze context onvermijdelijke kwestie. Is de studie- en beroepskeuze een gevolg van een aangeboren seksetypische voorkeur (‘ nature‘) of word je door genderstereotypen in een richting geduwd (‘ nurture‘)? Het is een oeroude discussie, waarin traditioneel twee kampen elkaar bevechten. Het eerste kamp zou je het kamp-Simone de Beauvoir kunnen noemen, naar de Franse feministe. Daarin wordt aangenomen dat genderverschillen vooral opgedrongen worden. Om het met De Beauvoirs eigen gevleugelde woorden te zeggen: ‘Je wordt niet als vrouw geboren, maar tot vrouw gemaakt.’

Het tweede kamp, zeg maar het kamp-Charles Darwin, naar de bedenker van de evolutietheorie, zegt dat sekseverschillen al van bij de geboorte een belangrijke rol spelen in wie we willen en zullen worden. In dat kamp vind je de befaamde Nederlandse neurobioloog Dick Swaab. In zijn bestseller Wij zijn ons brein verzet hij zich tegen de stelling dat stereotiepe gedragsverschillen tussen jongens en meisjes ons vooral opgedrongen worden. Swaab verwijst onder meer naar een experiment met groene meerkataapjes, die poppen, ballen en autootjes toegeworpen kregen. ‘De vrouwtjesapen kozen bij voorkeur de poppen en begonnen de pop anogenitaal te besnuffelen. Ze gingen dus typisch moederlijk gedrag vertonen, terwijl de mannetjesapen meer interesse hadden voor het spelen met de autootjes en een bal.’

Als man of vrouw zijn we tot op zekere hoogte voorgeprogrammeerd, maar we hebben de vrijheid om andere rolpatronen aan te moedigen.

Danny Wildemeersch, emeritus hoogleraar pedagogische wetenschappen, KU Leuven

Biologisch, cultureel, politiek

Darwinisten zien seksueel verschil als een moeilijk, zo niet onuitwisbaar gevolg van miljoenen jaren evolutie door natuurlijke en seksuele selectie. In haar boek Darwin voor dames, waarvan binnenkort een geactualiseerde versie verschijnt, vraagt filosofe Griet Vandermassen (UGent) zich af waarom een huwelijk tussen biologie en feminisme zo moeilijk is. De feminisering van onderwijs en zorg is volgens haar een logisch gevolg van een inherent sekseverschil. Om dat punt te maken, verwijst ze net als Danny Wildemeersch naar het onderzoek waaruit blijkt dat de meeste jongens graag met objecten omgaan en de meeste meisjes omgang met mensen verkiezen. ‘Dat onderzoek is onder meer gevoerd in tientallen verschillende culturen. Telkens weer bleek de kloof tussen jongens en meisjes fenomenaal groot. En nog interessanter: die kloof is in alle culturen even groot, hoe traditioneel of gendergelijk ze ook zijn. Dat suggereert dat interesses los staan van rolpatronen.’

Het idee dat vrouwen door onze samenleving in een zorgende rol worden gedwongen, wijst Vandermassen af. De feminisering wijst volgens haar net op een vrije, welvarende maatschappij. ‘In arme landen richten vrouwen zich veel vaker op wetenschap en technologie. Je hoort weleens beweren dat die landen op het vlak van genderevenwicht verder staan dan wij, maar het tegendeel is waar: vrouwen maken die keuze om tenminste een kans te hebben op een job. In welvarende landen hoeven ze niet te kiezen uit lijfsbehoud en kunnen ze hun eigen voorkeuren volgen.’

Danny Wildemeersch ontkent niet dat biologische verschillen een rol spelen, en net als Griet Vandermassen benadrukt hij het belang van de persoonlijke vrijheid. Toch is hun analyse heel anders. ‘Ik betwist niet dat wij als man of vrouw tot op zekere hoogte voorgeprogrammeerd zijn’, zegt Wildemeersch. ‘Maar ik heb moeite met de tendens, in sommige wetenschapsopvattingen, om dat “gedetermineerd zijn” te benadrukken. Niet in de laatste plaats omdat iets essentieels als de vrijheid om andere keuzes te maken weggeredeneerd wordt. Wij zijn, behalve biologische wezens, ook culturele en politieke wezens. We hebben de vrijheid om andere rolpatronen te ontwikkelen en zelfs aan te moedigen.’

Feminisering in de zorgsector: 'Plots zagen wij hier nauwelijks nog mannen'

‘In het verleden hebben we in onze samenleving al geregeld zulke keuzes gemaakt. Wij hebben in onze wet geschreven dat alle mensen gelijk zijn, in het volste besef dat er grote verschillen zijn, zowel biologisch, economisch als sociaal. Hetzelfde geldt voor genderrollen. Uit onze evolutie en onze voorgeschiedenis is een klassiek rollenpatroon gegroeid dat ongetwijfeld ooit zijn nut heeft gehad. Maar vandaag leven we in een heel andere context, en kunnen we ervoor kiezen om ingeslepen rollen te herdefiniëren.’

Dominante waarden

Eén vraag, misschien wel de belangrijkste, is hier voorlopig buiten beschouwing gebleven. Is de verregaande feminisering van de zorg en het onderwijs een probleem? Kan het, concreter, schadelijk zijn voor de ontwikkeling van kinderen als ze opgroeien in een overwegend vrouwelijke omgeving?

Griet Vandermassen, en met haar nogal wat denkers over onderwijs, zijn daarvan overtuigd. Ze betogen dat het huidige, gefeminiseerde systeem te weinig oog heeft voor de eigenheid van jongens en zelfs de neiging heeft om die eigenheid te problematiseren, bijvoorbeeld door druk gedrag te diagnosticeren als ADHD. ‘Het probleem is niet zozeer de oververtegenwoordiging van vrouwen, maar de dominantie van de vrouwelijke waarden’, stelt Vandermassen. ‘Vooral jongens zouden gebaat zijn bij een voorzichtige terugkeer naar de meer klassieke visie op onderwijs. De nadruk in het onderwijs ligt vandaag sterk op samenwerking en sociale vaardigheden, terwijl zij meer geprikkeld worden door actie en competitie. Een soortgelijk probleem zie je in de psychologische hulpverlening, waar alles draait om praten over emoties.’

Het probleem is niet zozeer de oververtegenwoordiging van vrouwen, maar de dominantie van de vrouwelijke waarden.

Griet Vandermassen, filosofe, UGent

De moeilijkheid is dat de wetenschap stellige uitspraken in de weg staat. Voor dit artikel heeft Danny Wildemeersch een aantal studies gelezen waarin effecten van feminisering in de klas werden onderzocht. Zijn conclusie: ‘De wetenschap geeft geen eenduidig antwoord op uw vragen. Dat verbaasde me, en tegelijk bevestigde het een mij niet onbekend gegeven. Opvoeding, vorming en onderwijs gaan altijd gepaard met onzekerheid: vanwege de complexiteit ervan zijn de uitkomsten moeilijk te voorspellen. Vaak moeten we de antwoorden zoeken in het maatschappelijke en politieke debat. Dan rijzen vragen als: wat vinden we van opvoedings- en vormingssituaties die exclusief door mannen of vrouwen worden begeleid en vrijwel exclusief op een mannelijk of vrouwelijk publiek zijn gericht?’

Die laatste vraag wordt min of meer gesteld in een al wat oudere nota van de Dienst Diversiteitbeleid van de KU Leuven. Daarin wordt aangestipt dat de genderonevenwichten aan die universiteit de laatste twintig jaar nog zijn verscherpt. Vandaag zijn er in Leuven meer opleidingen met een zware ondervertegenwoordiging van mannen, zo blijkt. Die vaststelling is opmerkelijk omdat in de ‘diversiteitskwestie’ de nadruk altijd op het omgekeerde wordt gelegd: in de praktijk wordt vooral de ondervertegenwoordiging van vrouwen in ‘mannenrichtingen’ als een nijpend probleem gezien. Om daaraan te verhelpen, investeerde de Vlaamse overheid de afgelopen jaren miljoenen in een STEM-actieplan. Dat is er in belangrijke mate op gericht meisjes en vrouwen warm te maken voor richtingen die te maken hebben met Science, Technology, Engineering en Mathematics. Wellicht mede daardoor is het aantal vrouwen in academische STEM-bachelors gestegen van 31,6 procent in 2010 tot 34,4 procent in 2017.

De vraag ligt voor de hand, maar wordt zelden gesteld: waarom bestaan er vandaag geen actieplannen om jongens en jonge mannen warm te maken voor een carrière in het onderwijs of de zorg?

Waste of talent

‘Ik vermoed dat het STEM-actieplan er gekomen is vanuit een economische logica’, zegt Ann Buysse. ‘Het bedrijfsleven kampt met een groot tekort aan ICT’ers en ingenieurs. Acties gericht op vrouwen waren allicht vooral bedoeld om dat tekort weg te werken – en niet in de eerste plaats om het genderonevenwicht te corrigeren. In de zogenoemde zachtere sectoren is die economische noodzaak er veel minder. Toch vind ik acties om meer mannen in de zorg en het onderwijs te krijgen een goed idee. De feminisering houdt jongens of mannen met potentieel in de zorg of het onderwijs tegen om de stap te zetten. Het is een waste of talent.’

De feminisering houdt jongens of mannen met potentieel in de zorg of het onderwijs tegen om de stap te zetten.

Ann Buysse, hoogleraar psychologie, UGent

Om soortgelijke redenen is ook Danny Wildemeersch een voorstander. ‘Zoals veel meisjes en jonge vrouwen vroeger vanwege de klassieke patronen niet beseften dat ze bijvoorbeeld een groot talent hadden als programmeur, zijn er vandaag ongetwijfeld veel jongens en jonge mannen die onvoldoende beseffen welke talenten ze onbenut laten in de zorg of het onderwijs. Mag ik er overigens op wijzen dat er al wél zulke actieplannen zijn geweest voor de verpleegkunde? Door het tekort aan verpleegkundigen zijn ze in die sector actief op zoek gegaan naar mannen. Die campagnes waren relatief succesvol, al wijst mijn vrouw er wel altijd op dat die vermannelijking binnen de verpleegkunde ook een schaduwzijde heeft: bijna automatisch zag je dat die mannen in de leidinggevende rollen terechtkwamen. De vrouwen bleven, misschien wel vanwege die voorkeur voor het relationele, gewoon met patiënten werken.’

Dat ook filosofe Griet Vandermassen corrigerende acties bepleit, lijkt op het eerste gezicht contradictorisch. Waarom iets willen veranderen aan patronen die volgens de wetenschap perfect natuurlijk zijn, en waarbij zowel vrouwen als mannen zich bijgevolg comfortabel voelen? ‘Hoewel de oververtegenwoordiging van vrouwen in zorg en onderwijs perfect logisch is, heeft ze duidelijke nadelen’, zegt ze. ‘Jongens hebben behoefte aan mannelijke rolmodellen, die hun leren hoe ze een mature mannelijkheid kunnen ontwikkelen. Een campagne om iets aan de gebrekkige instroom van mannen te veranderen, kan zeker effect hebben als die zou inzetten op iets wat mannen meestal veel belangrijker vinden dan vrouwen: de status en het aanzien van een job. Dat brengt ons bij wellicht de allerbeste maatregel om iets aan het onevenwicht te doen: zorgen voor een beter loon.’ (lacht)

‘DIVERSE TEAMS NEMEN BETERE BESLISSINGEN’


Bieke Purnelle is directeur van RoSa, het kenniscentrum voor gender, feminisme en gelijke kansen. Een actieplan om meer mannen in zorg en onderwijs te krijgen is volgens haar een prima idee.


Is de feminisering van zorg en onderwijs een probleem?

Biek Purnelle: Als het over de kwaliteit van het onderwijs of de zorg gaat, zijn er geen negatieve effecten vast te stellen: daarover zijn de meeste auteurs van wetenschappelijke onderzoeken het eens. Ook op het vlak van het sociaal-emotionele toont geen enkel onderzoek nadelige effecten aan. Dat betekent natuurlijk niet dat er geen effect is. Heel wat leerlingen krijgen in hun hele schoolcarrière nooit les van een man. Jongens krijgen dus ook minder kans om zich te identificeren met een mannelijke lesgever. Het ontbreekt leerlingen aan diverse rolmodellen. Onbedoeld krijgen ze de boodschap: lesgeven is iets voor vrouwen. Als we vinden dat iedereen alle kansen moet krijgen en vrij en onbevooroordeeld moet kunnen kiezen voor een studie en beroep, kunnen eenzijdige rolmodellen wel een probleem zijn.


Een ander nadelig effect is dat van de niet-diverse teams: onderzoek wijst uit dat diverse teams betere beslissingen nemen, omdat meer perspectieven bijdragen tot de besluitvorming. Dat geldt in bedrijven, maar evenzeer in andere omgevingen waar mensen samen werken en beslissen. Een klassenraad of een medische overlegraad die divers is samengesteld, ook als het over de sociaal-economische of etnische achtergrond van de leden gaat, kijkt met een ruimer perspectief, met een opener visie naar de leerlingen of patiënten.


De Vlaamse overheid heeft een STEM-actieplan, onder meer om vrouwen te enthousiasmeren voor wetenschap. Waarom bestaat er geen plan om jongens te enthousiasmeren voor zorg- en onderwijsgerichte opleidingen en beroepen? En zou dat wenselijk zijn?

Purnelle: Een aantal vrouwen- en genderorganisaties vragen al lang om zo’n plan. Het is prima om meisjes te stimuleren om voor technische en wetenschappelijke richtingen te kiezen, maar waarom gebeurt het omgekeerde niet? Dat heeft uiteraard ook te maken met de maatschappelijke waardering: technische en wetenschappelijke beroepen worden hoger gewaardeerd en beter betaald dan zorgberoepen. Net zoals traditioneel ‘vrouwelijke’ eigenschappen nog altijd lager gewaardeerd worden dan ‘mannelijke’.


Er lijkt hier iets paradoxaals aan de hand. Binnen het gezin lijken mannen meer en meer bereid om zorgtaken op zich te nemen, maar in de samenleving zien we het omgekeerde. Hebt u daar een verklaring voor?

Purnelle: Helaas pindakaas. Recente studies over de verdeling van huishoudelijke en zorgende taken spreken net tegen dat mannen vandaag meer van die taken op zich nemen – wat wel blijkt te kloppen, is dat vaders vaker bewust tijd maken voor hun kinderen. Uit alle Belgische cijfers blijkt dat vrouwen steeds minder in het huishouden werken; bij de mannen is er een lichte stijging, maar die is minimaal vergeleken met de daling bij de vrouwen. Die daling is vooral te verklaren doordat huishoudelijk werk en zorgtaken aan derden worden uitbesteed, bijvoorbeeld via dienstencheques. Recente cijfers geven aan dat Belgische vrouwen gemiddeld 6 uur minder vrije tijd per week hebben dan mannen. Genderstereotypen zijn nu eenmaal erg solide en stevig vastgeroest, in onze gedragspatronen én in hoe we de samenleving hebben ingericht.

Partner Content