Herbert van den Dongen vraagt de redactie
...

Herbert van den Dongen vraagt de redactieGeboren in het tegenwoordige Ghana werd deze eerste zwarte dominee uit de geschiedenis in 1725 op zeven- of achtjarige leeftijd verkocht aan kapitein Arnold Steenhart. Die gaf hem cadeau aan zijn vriend Jacobus van Goch, een handelaar in dienst van de West Indische Compagnie in fort San Sebastian in Shama, vlakbij fort Elmina, centrum van de Nederlandse slavenhandel in West-Afrika. In 1728 nam Van Goch hem mee naar zijn woonplaats Den Haag en behandelde de kleine Jacob als zijn eigen zoon, liet hem dopen en naar school gaan. Hij bleek buitengewoon intelligent en ging aan de universiteit van Leiden theologie studeren om later predikant te worden. Jacobus' grote wens was terug te keren naar zijn geboorteland om de bevolking te bekeren. In 1742 verdedigde hij met succes zijn proefschrift De servitude, libertati christianae non contraria, waarin hij, met bijbelfragmenten, betoogde dat slavernij niet strijdig was met de christelijke beginselen, dat een gedoopte slaaf niet zijn vrijheid hoefde terug te krijgen en dat slavenhouders dus niet bang moesten zijn hun slaven te laten dopen. Zou de doop automatisch vrijheid inhouden, dan zouden de slaven zich immers laten dopen enkel en alleen om hun vrijheid terug te krijgen.Na zijn promotie maakte Jacobus een rondreis door Holland om in diverse plaatsen te preken. Overal waar hij kwam, stroomde het volk toe om deze 'moor', deze zwarte predikant te zien. Daarna vertrok hij naar Elmina om daar missiewerk te verrichten en te preken voor de Nederlanders en andere blanken. Maar zijn eigen zwarte 'landgenoten' moesten weinig van hem hebben en de blanken hekelden zijn calvinistische kritiek op hun losbandigheid. Op 1 februari 1747 overleed hij, ongeveer 30 jaar oud. Voor Ghana is Jacobus Capitein evenwel nog steeds belangrijk omdat hij onder andere het Onze Vader en de Tien Geboden in de plaatselijke taal, het Mfantse, vertaalde, die daarmee tot de oudst geschreven teksten van Ghana behoren.