In die 400 jaar is de werking steeds hetzelfde gebleven. Enkel objecten die hun waarde behouden zoals juwelen, uurwerken of schilderijen worden aangenomen. De pandgever krijgt voor een periode van enkele maanden een bedrag dat overeenstemt met vijftig tot zeventig procent van de geschatte veilingwaarde van het aangeboden kleinood. Na die periode kan de lening verlengd worden. Indien de pandgever geen teken van leven geeft, wordt het object geveild. Het principe van de openbare leenkassen werd in 1462 in het Italiaanse Perugia uitgeprobeerd door enkele notabelen op aandringen van de bedelmonnik Barnabé de Terni. Hij wou daarmee arbeiders, ambachtslieden en handelaars helpen die woekerrenten van 60% tot 130% voor kortlopende leningen kregen aangerekend bij Lombarden (dikwijls afkomstig uit Piëmont) en Joden. Het Vaticaan, die het vragen van woekerrente als zonde bestempelde, steunde het initiatief en in talrijke Italiaanse steden ontstonden leenbanken. De naam van de leenbank monte di pieta betekent letterlijk krediet uit barmhartigheid.
...

In die 400 jaar is de werking steeds hetzelfde gebleven. Enkel objecten die hun waarde behouden zoals juwelen, uurwerken of schilderijen worden aangenomen. De pandgever krijgt voor een periode van enkele maanden een bedrag dat overeenstemt met vijftig tot zeventig procent van de geschatte veilingwaarde van het aangeboden kleinood. Na die periode kan de lening verlengd worden. Indien de pandgever geen teken van leven geeft, wordt het object geveild. Het principe van de openbare leenkassen werd in 1462 in het Italiaanse Perugia uitgeprobeerd door enkele notabelen op aandringen van de bedelmonnik Barnabé de Terni. Hij wou daarmee arbeiders, ambachtslieden en handelaars helpen die woekerrenten van 60% tot 130% voor kortlopende leningen kregen aangerekend bij Lombarden (dikwijls afkomstig uit Piëmont) en Joden. Het Vaticaan, die het vragen van woekerrente als zonde bestempelde, steunde het initiatief en in talrijke Italiaanse steden ontstonden leenbanken. De naam van de leenbank monte di pieta betekent letterlijk krediet uit barmhartigheid.Het principe kwam ook naar de Nederlanden overgewaaid. Keizer Karel V besliste in 1523 om de oprichting van leenbanken mogelijk te maken om tegen een vaste rente geheime woekerpraktijken te ontmoedigen. In 1538 richtte de in Antwerpen residerende Lombard Parenty de Pogio in Gent een leenbank op. Pandgevers brachten veelal kleren binnen. De economische waarde van oude kleren bleef hoog als gewilde grondstof voor de papierproductie. Maar deze private leenbanken - lommerd genoemd naar de roepnaam van de uitbaters, lombarden - bleven controversieel. De toelating werd meestal voor een (verlengbare) periode van tien jaar verstrekt. Toch verspreidde het systeem met private leenbanken zich over de Habsburgse Nederlanden, o.a. in Nieuwpoort en Kortrijk (1544), Ieper (1546), Hulst (1547) of Sluis (1548).De Tachtigjarige Oorlog zorgde voor enorme economische problemen bij ambachtslieden en handelaars, zeker in de Zuidelijke Nederlanden. Voor diegenen die niet gevlucht waren, wilde Wenceslaus Cobergher (1561-1634), raadsheer en hofarchitect van de aartshertogen Albrecht en Isabella, officiële leenbanken oprichten. Daar zou men tegen een lage rente geld kunnen lenen, het eerste jaar 15%, vanaf het tweede jaar maximaal 12%. Cobergher kreeg op 9 januari 1618 opdracht om een systeem van officiële leenbanken of pandhuizen uit te bouwen. Op 28 september 1618 opende het eerste pandhuis of Berg van Barmhartigheid in Brussel in de Lombardstraat in de buurt van de Grote Markt. Tot 1634 stichtte Cobergher nog veertien andere pandhuizen, zoals in Mechelen (1619), Antwerpen (1620), Gent (1622) en Brugge (1628). In 1630 was het de beurt aan Kortrijk, bijna alle andere pandhuizen werden in Frans-Vlaanderen opgericht. De private leenkassen kregen het steeds moeilijker, zeker omdat de officiële bergen van barmhartigheid tal van privileges kregen waar de private geen recht op hadden. Na de Vrede van Münster kwamen er nog enkele leenbanken bij, zoals Ieper (1665) en Leuven (1782). In de Noordelijke Nederlanden waren ook officiële lommerds of pandjesbanken actief, niet vanuit de centrale overheid, maar gesticht door stedelijke overheden zoals de nog steeds werkende in Amsterdam (1614). Steden zoals Hoorn en Rotterdam (1635), Oudewater (1642) en Vlissingen (1645) volgden. Verder in de Gouden Eeuw werd er in Gouda (1654) en in Den Haag (1673) nog een pandhuis geopend.De 'Belgische' Bergen van Barmhartigheid kregen het na de Franse annexatie eind 18de eeuw moeilijk door het verplichte gebruik van waardeloze assignaten en vele hielden ermee op. Private leenbanken hielden beter stand, ondanks aanhoudende klachten over woekerpraktijken. De nieuwe Franse wet van 1804 liet toe dat oude officiële leenbanken heropend werden. Bij Koninklijk Besluit van 1826 regelde de regering een stelsel van officiële leenkassen, te controleren door de lokale overheid. Het bankwezen kende in de 19de eeuw een enorme groei en regulering, waardoor woekerrentes en het tijdelijk afstaan van kostbaarheden tot het verleden behoorden. Bijgevolg sloten de pandjeshuizen na de Eerste Wereldoorlog een na de ander de deuren. In 1920 gaven Brugge en Kortrijk er de brui aan. In Gent (Abrahamstraat) gebeurde dat in 1929 en in Antwerpen (Venusstraat) in 1946. Enkel Brussel bleef bestaan.Toch is de instelling niet dood, integendeel. De recente crisisjaren en de hervormingen van de sociale zekerheid deed meer mensen naar de nog bestaande lommerds trekken. In België werd de wetgeving op pandhuizen in 1848 op punt gesteld, niet toevallig in een periode van sociale onrust bij de (lagere) middenstand. Die wet werd verder aangepast in 1923 en 1962.In Nederland werd de Pandhuiswet in 1910 en 2014 gemoderniseerd. De Stadsbank van Lening van Amsterdam heeft nu zelfs drie filialen en is samen met het Pandhuis van de Gemeentelijke Kredietbank van Den Haag de ouderdomsdeken in Nederland, de laatste niet toevallig gevestigd in de Korte Lombardstraat. Men kan er nog steeds een pand naar de lommerd dragen voor een tijdelijke lening.