Er is eind 17de eeuw in Europa flink wat moed voor nodig om het bestaan van een duivel die ingrijpt in de wereld te ontkennen. De Nederlandse theoloog Balthasar Bekker laat zich daardoor niet afschrikken. In de jaren 1691-1693 schrijft hij aan zijn driedelige werk De betoverde weereld (zie blz. 34-35). Daarin stelt hij zich ondermeer tot taak om aan te tonen dat een gemeenschap van mens en duivel, laat staan een pact tussen beiden een volstrekte onmogelijkheid is.

Voor zo'n affront krijgt Bekker, op dat moment predikant in Amsterdam, prompt de rekening gepresenteerd: hij moet zich voor het calvinistische kerkbestuur komen verantwoorden en wordt uit zijn ambt gezet. Maar Bekker houdt vast aan de rationalistische geloofsopvatting van René Descartes en doet niets liever dan de strijd van de opkomende Verlichting tegen het bijgeloof te steunen. Met succes. Zijn boek wordt binnen een paar jaar in alle grote Europese talen vertaald en heftig bediscussieerd. Daarmee gaat de strijd tegen het geloof in magie en heksen een nieuwe fase in.

Wetenschappelijke inzichten bevleugelen de kritiek

De grotere kennis van natuurwetten, de vorderingen in de fysica en mechanica ondergraven het geloof in bovennatuurlijke fenomenen als vliegende heksen, schadetover en de lijfelijke aanwezigheid van de duivel. De vroegste kritiek op de heksenvervolging gold met name procesrechtelijke misstanden en de zwaarte van de straffen. Ook was zij een roep om meer aandacht voor de verminderde psychische en fysieke vermogens van de verdachten (zie blz. 36-37). Maar nu raken de aanvallen de kern van het geloof in heksen.

In Duitsland neemt de protestantse jurist en filosoof Christian Thomasius vergelijkbare standpunten in en lokt daarmee een heftige woordenstrijd over de macht van de duivel uit. In zijn dissertatie Über das Magiedelikt uit 1701 doet hij het geloof aan een lijfelijk optredende duivel af als verzinsel van het middeleeuwse pausdom en verklaart hij de heksenprocessen voor onrechtmatig. 'Kortom: ik ben van mening dat de heksenprocessen niet deugen en dat de gehoornde, baarlijke duivel met peklepel een purum inventum (volslagen verzinsel, red.) van paapse geestelijken is,' schrijft een verontwaardigde Thomasius. Hij kreeg bijval van natuurwetenschappelijke geschoolde artsen, natuurkundigen en theologen, maar aanvankelijk wist men niet veel uit te richten.

Dit schilderij toont de overwinning van de Oostenrijkers op de Turken bij het tegenwoordige Boedapest. Na de machtswisseling beginnen in Hongarije de heksenverbrandingen.

Regelmatig laait de heksenvervolging op. Vooral in de afgelegen delen van de Europa - het Alpengebied, Schotland en Oost-Europa - worden er nog tot het midden van de 18de eeuw heksenprocessen gevoerd. Hongarije is een bijzonder geval. Dat land was van de 16de tot het einde van de 17de eeuw bezet door de Turken en omdat de Ottomanen vooral oog hadden voor de christelijke drijfveren achter de vervolging, verboden zij die ten strengste. Maar dan moeten zij zich terugtrekken en maakt tussen 1710 en 1760 alles en iedereen in Hongarije jacht op 'heksen' en 'tovenaars'. Een vergelijkbare uitbarsting was er nog in de 20ste eeuw in Afrika na het vertrek van de koloniale heersers. In beide gevallen leidt het vertrek van vreemde overheersers die tegen heksenvervolging gekant waren alsnog tot een uitbraak daarvan.

Ook Polen maakt laat kennis met het fenomeen. Hier komt het pas tussen 1650 en 1750 tot grootscheepse vervolging.

Maar de tekenen des tijds wijzen inmiddels in een andere richting. Het verlichtingsdenken keert zich tegen de willekeur, tegen bewijs dat onder foltering is verkregen. Meer en meer vorsten stellen paal en perk aan haat en geweld. Ze breiden het ambtenarenapparaat uit en temperen de rechterlijke macht door het instellen van beroepsinstanties.

Meer controle van de overheid op de rechters

De rationalisten ondersteunen hen daarbij in woord en geschrift. Zij die nog in magie geloven raken steeds meer in het nauw. Een van hen is de gematigd conservatieve theoloog Girolamo Tartarotti uit Rovereto. Als hij de mogelijkheid van het bestaan van tovenarij openhoudt, krijgt hij de wind van voren van de radicale rationalist Scipio Maffei uit Verona, voor wie tovenarij alleen nog maar larie is.

In Duitsland velt de rechtbank van het rijkssticht Kempten (Zuid-Beieren) in 1755 het laatste doodvonnis over een 'heks'. Het vonnis wordt echter niet voltrokken, doordat de vrouw nog tijdens haar hechtenis overlijdt. In de Zwitserse kantons is het geloof in heksen nog hardnekkiger. In Glarus wordt nog in 1782 de dienstmeid Anna Göldi wegens gifmoord aangeklaagd, gemarteld en onthoofd. Maar het proces werd een heus schandaal en invloedrijke critici spraken openlijk van gerechtelijke moord.

Terugblikkend noteert de jezuïet Lorenz von Westenrieder in 1784 met verbazing dat er over 'sprookjes van heksenpraktijken' 'tegenwoordig heel anders gedacht wordt dan toen'. En zo komt er geleidelijk een eind aan de heksenvervolgingen - in Europa tenminste.

MEER WETEN?

Andrew C. Fix, Fallen Angels. Balthasar Bekker, Spirit Belief, and Confessionalism in the Seventeenth Century Dutch Republic. Springer 2010

Robin Briggs, Heksenwaan. De sociale en culturele geschiedenis van hekserij in Europa. Agora 2002