In de herfst van 1943 werd in Antwerpen intensief jacht gemaakt op Joden. Anna Erlich Lieberman, op dat ogenblik vijftien, en Robert Kremer, toen een kleuter van bijna vier, waren beiden getuige van een razzia. Flarden van die traumatische ervaring staan hen meer dan 75 jaar later nog altijd voor de geest. Het gebonk op de voordeur. De verschrikte gezichten van gezinsleden die meestal voorgoed uit hun jonge levens zouden verdwijnen. Het is een gebeurtenis die hen blijvend zou tekenen én - tijdelijk - zou verenigen.
...

In de herfst van 1943 werd in Antwerpen intensief jacht gemaakt op Joden. Anna Erlich Lieberman, op dat ogenblik vijftien, en Robert Kremer, toen een kleuter van bijna vier, waren beiden getuige van een razzia. Flarden van die traumatische ervaring staan hen meer dan 75 jaar later nog altijd voor de geest. Het gebonk op de voordeur. De verschrikte gezichten van gezinsleden die meestal voorgoed uit hun jonge levens zouden verdwijnen. Het is een gebeurtenis die hen blijvend zou tekenen én - tijdelijk - zou verenigen. Op de meest precaire momenten van de Tweede Wereldoorlog hielden Anna Erlich Lieberman en Robert Kremer zich schuil in hetzelfde weeshuis in Waals-Brabant. Anna nam er de zorg voor de kleine Robert voor haar rekening. Hij is dat nooit vergeten. Vorig jaar nam hij het initiatief om haar, 75 jaar na de bevrijding, in Antwerpen te komen bezoeken. Knack mocht die ontmoeting bijwonen. Anna Erlich Lieberman, een bijzonder energieke negentiger, is de dochter van orthodoxe Joden die in 1925 van Polen naar Antwerpen emigreerden. Begin jaren dertig openden haar ouders een lederwinkel in de Lange Beeldekensstraat. De jonge Anna en haar één jaar oudere zus Rosa gingen naar een niet-Joodse school in de buurt. Het besef dat er hen iets gruwelijks boven het hoofd hing, drong slechts geleidelijk door. Tijdens de zomer van 1942 wordt Anna's vader Simon opgeroepen om de Duitsers te helpen bij de bouw van de Atlantikwall in Noord-Frankrijk. Hij vertrekt, nadat hem is verzekerd dat zijn vrouw en kinderen met rust gelaten zouden worden. Pas na de oorlog verneemt Anna dat haar vader in Auschwitz is vergast. Voor de rest van de familie Erlich begint het grote drama in oktober 1943, als de eigenaar van het pand in de Antwerpse Lange Beeldekensstraat de familie wil uitzetten. Anna Ehrlich is dan vijftien jaar. 'De eigenaar was van plan het pand te verhuren aan een vriend, die er fietsen wilde verkopen', vertelt ze vandaag. 'Mijn moeder heeft de eigenaar toen gevraagd om te wachten tot onze vader weer thuis zou zijn. Lang zou dat volgens haar niet meer duren. De oorlog leek haar op z'n einde te lopen. De geallieerden waren geland op Sicilië, en het Duitse leger had een grote nederlaag geleden in Stalingrad. Helaas, de eigenaar wou niet op de terugkeer van vader wachten. Onze moeder is dan naar de vrederechter gestapt. Die heeft haar gelijk gegeven.' Volgens Lieberman was het de eigenaar die hen, uit rancune, verklikte bij de Sicherheitspolizei. 'Enkele weken later zijn ze ons huis binnengevallen', vertelt ze. 'Op de tafel lag de handtas van mijn moeder. Ze draaiden die om en er vielen twee identiteitskaarten uit: die van mijn moeder, die toen ziek in haar bed lag, en die van mijn zus. Vervolgens keken ze naar mij, en vroegen ze me waar mijn identiteitskaart was. Ik heb geantwoord dat ik die niet had. In een ingeving loog ik dat ik veertien was, de leeftijd waarop een identiteitskaart nog niet verplicht was. Het was geen bewuste leugen, maar ze heeft me wel gered.' 'Tante Tine en nonkel Frans' werden opgepakt, de kleine Robert werd naar het weeshuis gebracht in de Lange Leemstraat. Vandaar vertrekt hij, samen met Anna Erlich Lieberman, naar Lasne. Anna zou haar moeder nooit meer terugzien. Ze werd met een ambulance naar het ziekenhuis gevoerd, waar ze niet veel later zou sterven. Haar zus Rosa werd naar de gevangenis in de Begijnenstraat gebracht. Pas na de oorlog zou Anna vernemen dat ze, via de Kazerne Dossin, naar Auschwitz was gedeporteerd. Net als haar vader zou Rosa nooit uit Auschwitz terugkeren. Anna wordt na de inval geplaatst in een Joods weeshuis, de plek waar vandaag het Joodse Tachkemoni Atheneum is gevestigd. Lang zou ze daar niet blijven. Toen een rechtse, Vlaamsgezinde jongerenorganisatie het gebouw inpalmde, kon ze, samen met 15 jonge kinderen, terecht in een villa in Lasne (bij Waver). Een van die kinderen is Robert Kremer, op dat ogenblik een kleuter van drie. Robert Kremer is de zoon van een juwelier die, hoewel in Antwerpen geboren, altijd staatloos bleef. 'In juli 1942 werd mijn vader opgeroepen door de Duitse Arbeitseinsatz', vertelt hij. 'Mijn vader is zonder morren op die oproep ingegaan. Hij hoopte, net als Anna's vader, dat zijn vrouw en kind dan met rust zouden worden gelaten. Hij werd ingezet in een dwangarbeiderskamp in Les Mazures, een door de geschiedenis wat vergeten kamp in Noord-Frankrijk, vlak bij de Belgische grens. Hij moest er hout kappen, tot hij, enkele maanden later, midden in de nacht, samen met de andere niet-Belgische Joden, op de trein naar de Dossin Kazerne in Mechelen werd gezet. Vervolgens is hij gedeporteerd naar Auschwitz en vrijwel meteen vergast. Mijn moeder leefde in het begin van de oorlog ondergedoken in een pension in de Anselmostraat in Antwerpen. Ze begreep al heel snel wat er aan de hand was en heeft me begin 1942 bij goede vrienden van haar ondergebracht. Mijn onderduikouders, ik noemde ze tante Tine en nonkel Frans, waren beiden lid van de verzetsgroep de Witte Brigade. Ze woonden in de Pretstraat, dicht bij het Sint-Jansplein. Historicus Lieven Saerens beschrijft in zijn boek over Antwerpen en zijn Joodse bevolking ( Vreemdelingen in een Wereldstad) hoe mijn onderduikmoeder, die voluit Clementine Van Beylen-Van Damme heette, verraden werd door een buurman. Ik was nog geen vier, maar ik kan me nog heel goed de inval herinneren. Ik zat op de tafel. Terwijl mijn veters werden gebonden, hoorde ik kloppen op de deur. Ik zie het verschrikte gezicht van mijn onderduikouders nog voor me. Beiden werden geslagen. Zij kan zich de reis nog herinneren als was het gisteren. 'Het was op een mooie, zachte novemberdag. Wij reisden met de trein naar Brussel, waarna we de tram naar Lasne namen. Alle kinderen droegen een ster. Toen we aankwamen in Lasne stond mijn bed al klaar. Ik was de oudste. Al meteen kreeg ik de taak om voor de kleuters te zorgen.' De winter en lente van 1944 in Lasne verliepen zonder grote incidenten. 'Wij kregen les, en ik probeerde de kinderen wat vreugde te schenken. Er kwamen ook meer en meer hoopvolle berichten. Ik herinner me nog het bericht dat de geallieerden geland waren in Normandië, begin juni.' Maar juni was ook de maand waarin Anna zestien werd, de leeftijd waarop ze gevaar liep om door de Duitsers gedeporteerd te worden. Als een Feldgendarme de leeftijden van de weeshuisbewoners controleert, wordt er, eind juli, een nachtelijke patrouille naar Lasne gestuurd. 'Ik werd gewekt door de directrice, madame Rothschild', zegt ze. 'Er stond een Duitse gendarme op me te wachten. Ik heb me aangekleed en een tas met familiefoto's meegenomen. Madame Rothschild zei me nog dat ik me geen zorgen hoefde te maken. "Morgen zijt ge hier terug." Daarna moest ik in een camion stappen. Daarin werd ik aangesproken door een Vlaamse SS'er. Hij vroeg me of ik nog Joodse mensen wist wonen, en waar de rest van mijn familie zat. Ik heb hem gezegd dat ze geen moeite hoefden te doen. Via niet-Joodse vrienden van mijn ouders wist ik toen al dat mijn moeder was gestorven en mijn zus was weggevoerd.' Robert Kremer vertelt dat hij zich van zijn verblijf in het weeshuis vooral 'een paar dagelijkse dingen' herinnert. 'Maar ook het moment waarop ze Anna zochten is in mijn geheugen blijven hangen. Als kind weet je natuurlijk niet precies wat er gebeurt. Maar je voelt wel de angst om je heen. Wij lagen in onze stapelbedden toen de deur openging en we door zaklantarens werden beschenen. We werden geteld. Boven mij lag een klein meisje, Vera heette ze. Die was heel bang en kwam troost bij me zoeken.' Anna Erlich Lieberman wordt die nacht naar het hoofdkwartier van de Gestapo in Brussel gebracht. Na een nacht en halve dag cel krijgt ze er te horen dat ze mag beschikken. De directeur en de directrice van het weeshuis in Lasne waren er blijkbaar in geslaagd haar vrij te kopen. Het was eind augustus 1944 toen de directie van het weeshuis een bericht kreeg van de Witte Brigade. De Duitsers hebben het nu ook op Joodse kinderen gemunt. 'Het hele kindertehuis zou naar de vernietigingskampen worden gebracht', vertelt Robert Kremer. 'We zijn onmiddellijk vertrokken. De meisjes gingen naar Rixensart, de jongens gingen samen met mevrouw Rothschild naar Bomal, bij Durbuy. Wij kwamen er terecht in een klooster in het midden van de bossen en zijn er gebleven tot aan het eind van de oorlog.' Anna Erlich Lieberman vermoedt dat de kinderen er aan een groot drama zijn ontsnapt. Ze herinnert zich nog dat er zich, op een boogscheut van de villa in Lasne, een kamp van de rexisten bevond. 'Nadat we vertrokken waren uit Lasne zijn die naar onze villa gegaan om er alles stuk te slaan.' Het was de woede van de wanhopige verliezer, legt Kremer uit. 'Ze hebben daar hun woede over het komende verlies proberen te koelen.' Als België eindelijk wordt bevrijd, worden de kinderen verzameld in een tehuis in Oudergem. 'Ze werden er opgehaald door familieleden die de oorlog hadden overleefd', vertelt Robert Kremer. 'In mijn geval was dat mijn moeder. We zijn meteen in het leegstaande huis van mijn grootouders gaan wonen, in de Diksmuidelaan in Berchem. Mijn beide grootouders van moederskant waren gedeporteerd en zijn niet meer teruggekeerd. Net als de zus en de broer van mijn moeder.' Robert Kremer heeft niet de beste herinneringen aan de jaren na de bevrijding. 'Mijn moeder is de gebeurtenissen nooit te boven gekomen. Ze voelde zich schuldig, omdat ze haar familieleden niet had kunnen redden. Ik heb er nooit echt met haar over kunnen praten. Ook niet met vrienden, trouwens. Ik ging naar de Joodse school. Iedereen daar miste wel een paar familieleden. Het waren allemaal gebroken families. Dat wisten we van elkaar, maar het was geen gespreksonderwerp. ( even stil) Mijn grootmoeder van vaderskant had zeven kinderen. Na de oorlog had ze alleen nog maar kleinkinderen. Je moet je dat proberen voor te stellen. Zeven kinderen, en alle zeven vergast in Auschwitz. Wat kun je daarover vertellen?' Het verhaal van Anna Erlich Lieberman is niet anders. In haar omgeving werd slechts zelden over de oorlog gesproken. Ook haar eigen verhaal liet ze onverteld. 'Ik heb tijdens de oorlog 33 familieleden verloren. Allemaal vermoord. Wie het wel had overleefd, had in de kampen veel ergere dingen meegemaakt dan ik, die ondergedoken leefde in het weeshuis.' Een de weinige overlevers uit haar familie was Vital Lieberman, de zoon van haar oom. Hij werd gedeporteerd naar Auschwitz en kon het, 45 kilogram licht, nog net navertellen. Vital Lieberman werd haar voogd, en niet veel later ook haar echtgenoot. Het echtpaar kreeg drie kinderen. Twee kinderen leven vandaag in Israël. Een derde is vandaag rabbijn in Marseille. Haar man is in 1994 overleden. Dat ze zelf de Holocaust overleefde, mag een mirakel heten. 'Ik ben drie keer heel nipt aan de deportatie ontsnapt', zegt ze. 'Dat heeft me al heel vroeg doen beseffen dat ik iets van mijn leven moest maken.' Na de oorlog volgde ze een korte taalopleiding en werd vertaalster. Werken was ook een noodzaak, want behalve het onpeilbare menselijk verlies had de familie ook aanzienlijke financiële schade geleden. 'De vader van mijn man bezat voor de oorlog vier huizen met gemeubileerde kamers', zegt ze. 'Om de hypotheek te betalen verhuurde hij aan vluchtelingen uit Duitsland die in Antwerpen wachtten op papieren om naar Amerika te kunnen reizen. Tot hij, op 65-jarige leeftijd, werd opgepakt. Daardoor werden er geen hypotheek en belastingen meer betaald. Na de oorlog heeft de Belgische fiscus dan zijn eigendommen aangeslagen en is alles verkocht. Pas een jaar of tien geleden heeft de Belgische staat besloten om mensen als ik een kleine schadevergoeding uit te keren. Ze hebben natuurlijk wel pech dat ik zo oud ben geworden. ( lachje) En het zal wel helpen om een schoon geweten te krijgen, zeker?' Opvallende vaststelling: Anna Erlich Lieberman koestert geen diepe wrok tegenover het Duitse volk of de Vlamingen die met hen collaboreerden. 'Er zaten ook miljoenen Duitsers in het verzet', zegt ze. 'Ik haat niemand. Ook de Duitsers niet. Duitsland heeft dit niet alleen gedaan. Veel mensen zijn ook meegesleurd door hun angst voor het communisme en wisten niet precies wat er zich in de kampen heeft afgespeeld. Het heeft geen zin om mensen met de vinger te wijzen of te beschuldigen. Het is voorbij. Iemand die iets op zijn geweten heeft, moet dat zelf maar dragen.' Haar kijk op het verleden is duidelijk meer gelaten dan die van Robert Kremer. Een collaborateur de hand schudden? Hij zegt dat het hem vandaag allicht niet zou lukken. Met België wilde hij lange tijd zo weinig mogelijk te maken hebben. Al voegt hij eraan toe dat Nederland zich vooral geen morele superioriteit moet toemeten. 'Op mijn negentiende ben ik in Amsterdam gaan wonen, bij Tilly, die later mijn echtgenote werd. Wat me meteen opviel, was dat iedereen hier op een of andere manier wel een verzetsheld was. Tegelijk besefte ik al snel dat er iets niet klopte. In Nederland zijn meer dan 100.000 Joden gedeporteerd. Dat is niet vanzelf gegaan. Al heeft ook een aantal Joden kunnen onderduiken, met alle risico's van dien voor diegenen die geholpen hebben. Dat waren moedige mensen.' Wat beiden delen is hun diepe afkeer en - misschien wel vooral - angst voor het blijkbaar onuitroeibare antisemitisme. 'Antisemitisme is er altijd geweest', zegt Lieberman. 'Zeker in Vlaanderen, dat ooit door en door katholiek was. De kerk heeft het antisemitisme altijd aangemoedigd. Een goede christen zijn betekende ook dat je tegen de Joden moest zijn. De kentering is er pas begin deze eeuw gekomen. Paus Johannes XXIII heeft nog niet zo lang geleden het gebed voor de bekering van de Joden uit de ritus geschrapt. Zijn voorganger was eerder al in Jeruzalem geweest om bij de Klaagmuur vergiffenis te vragen voor het lijden van het Joodse volk.' Kremer knikt instemmend. 'Tegenwoordig hoor je iedereen praten over de joods-christelijke cultuur', zegt hij. 'Dat lijkt me zowat de hoogste vorm van hypocrisie. Tweeduizend jaar lang heeft die christelijke wereld, onder meer via inquisitie en pogroms, alles gedaan om de Joden te vervolgen en te vernietigen. Om dan nu plots over het joods-christelijke denken te praten? Nee, dat gaat er bij mij echt niet in.' Deze twee 'kinderen van de Holocaust' hebben het aan den lijve ondervonden. De Jodenvervolging heeft het antisemitisme niet kunnen beteugelen. 'De kinderen met wie ik speelde op straat scholden me soms uit voor "vuile Jood"', vertelt Kremer. 'Dat waren nog jonge kinderen, die zulke uitspraken onmogelijk zelf verzonnen konden hebben.' Lieberman herinnert zich soortgelijke verhalen van haar kinderen. 'Ze werden vaak bedreigd en uitgescholden in de straat van hun school. Het is er intussen zeker niet op verbeterd. Ik heb hier een ketting met een davidster, maar daarmee durf ik me niet op straat tonen. Ik zou me niet veilig voelen.' Robert Kremer blijft even stil. Om dan te vertellen over een neef, een zeldzaam familielid dat in Antwerpen was blijven hangen. 'Toen eind jaren tachtig het neonazisme weer opkwam in Europa heeft hij zich onder een vrachtwagen gegooid. Hij dacht: dit wil ik niet nog een keer meemaken.' Zowel voor Anna als voor Robert is hun Joodse identiteit zeer belangrijk. Al toen hij een tiener was droomde Kremer ervan om naar Israël te verhuizen. 'Ik had hier nog nauwelijks familie. Israël helpen opbouwen was in mijn ogen bouwen aan een nieuwe toekomst. Die idealen deelde ik met Tilly, mijn vrouw, die een soortgelijke achtergrond heeft. Eerst zijn we naar Engeland getrokken, om ons voor te bereiden op het leven in een Kibboets. Vervolgens zijn we naar Israël gegaan, maar heel lang zijn we daar niet gebleven. Het land ging begin jaren zestig door een recessie. Een echte toekomst was daar niet voor ons weggelegd.' Ons gesprek is bijna afgelopen als Anna Erlich Lieberman nog een bittere bedenking maakt. 'De ergste vijand van de mens is de mens zelf', stelt ze. 'Dat is altijd zo geweest, en ik heb geen redenen om te geloven dat het ooit beter zal worden. Als ik kijk naar de internationale politiek, zie ik de spanningen opnieuw toenemen. Overal wordt haat gezaaid, en het internet maakt het alleen maar erger. Mensen leren niet uit de geschiedenis. Robert en ik hebben gezien waartoe die haat kan leiden. Wij hebben ons verhaal verteld, maar met welk nut? De mensen hebben blijkbaar niets van de Holocaust geleerd.'