Veel romantiserende aandacht werd recent op televisie en in (begeleidende) historische publicaties besteed aan de amoureuze en gezondheidsperikelen van koning Lodewijk XIV. Seks en gezondheidskwaaltjes verkopen nu eenmaal goed. Maar het ontspanningsleven van de Zonnekoning en de Franse (hogere) aristocratie verbleekt bij het strak economisch en politiek beleid dat door de vorst en zijn ministers werd uitgetekend. Het godsdienstig geïnspireerd autocratisch centralisme zette de lijn uit voor een staatsstructuur waar het huidige Frankrijk nog steeds op geënt is.
...

Veel romantiserende aandacht werd recent op televisie en in (begeleidende) historische publicaties besteed aan de amoureuze en gezondheidsperikelen van koning Lodewijk XIV. Seks en gezondheidskwaaltjes verkopen nu eenmaal goed. Maar het ontspanningsleven van de Zonnekoning en de Franse (hogere) aristocratie verbleekt bij het strak economisch en politiek beleid dat door de vorst en zijn ministers werd uitgetekend. Het godsdienstig geïnspireerd autocratisch centralisme zette de lijn uit voor een staatsstructuur waar het huidige Frankrijk nog steeds op geënt is.Naast de architectonische en amoureuze prestaties van de Zonnekoning, die beiden perfect samenvielen in het in zijn opdracht gebouwde Versailles, wilde koning Lodewijk XIV het bestuurlijk en economisch beleid van Frankrijk drastisch moderniseren. Daarom moest hij zijn greep op het bestuurlijk apparaat versterken en de machtspositie van de hogere adel kortwieken. Tegen 1700 was de tijd voorbij dat de hertogen regionale potentaten waren, ze waren gedegradeerd tot gezelschap aan het koninklijk hof. Het echte bestuurlijk werk werd uitbesteed aan door de koning benoemde intendanten, veelal afkomstig uit de lagere dienstadel. Een centraal geleide staat kon worden uitgebouwd. Op economisch vlak werd onder leiding van minister Colbert het staatsmonopolie ingevoerd en een strak regime van invoerheffingen aangehouden. De productie en verkoop van gespecialiseerde (luxe)goederen werd in koninklijke manufacturen gestimuleerd. Om de buitenlandse handel te versterken werd ook sterk ingezet op het verwerven van kolonies en handelsposten. Dat bracht spanningen teweeg met Engeland, de Republiek, Spanje en Portugal. Vooral het handelsoverwicht van de handelscompagnieën uit de Republiek wilde Lodewijk XIV inperken. Het uiteindelijk doel was om uiteraard meer inkomsten te genereren voor de Franse staatskas.Daarbij kwam de Franse koning met de Republiek en stadhouder Willem III van Oranje in conflict. In de zoektocht naar veilige grenzen wilde Lodewijk de Spaanse invloed aan zijn noordgrens terugdringen. Vanaf het moment dat hij in 1661 effectief als koning kon regeren, werd dat een constant aandachtspunt.De Franse oorlogspolitiek was in de beginperiode van Lodewijk XIV succesvol te noemen. In de Devolutieoorlog liet Lodewijk in 1667 Franse troepen de Zuidelijke Nederlanden binnen trekken om de uitblijvende bruidsschat van zijn echtgenote via territoriale verovering te innen. Het Spaanse leger in de Nederlanden was geen partij voor de Fransen en verloor veel terrein. In de Republiek werd deze verovering met lede ogen aanschouwd. Raadspensionaris Johan de Witt organiseerde een Triple Alliantie met Engeland en Zweden tegen Frankrijk, dat onder deze druk vrede sloot. Steden als Rijsel en Oudenaarde bleven evenwel Frans. Maar Lodewijks ambitie was niet te stuiten en in 1672 trok hij met zijn leger tegen de Republiek te velde. In 1673 kon hij de sleutels van de vestingstad Maastricht in ontvangst nemen. De oorlog sleepte aan maar Frankrijk kon bij de Vrede van Nijmegen in 1678 toch grote delen van de Spaanse Nederlanden behouden. De versterkingen van Vlaamse grensstadjes zoals Sint-Omaars en Sint-Winonksbergen werden sinds 1674 door Vauban, de inspecteur van de fortificaties, gemoderniseerd om een verdedigingsgordel langs de grens met de zuidelijke Nederlanden te krijgen die de toegang tot Parijs zou bemoeilijken.Lodewijk bleef militair actief, ook in het Duitse keizerrijk. De Negenjarige Oorlog (1688-1697) liep daar evenwel anders dan hij had verhoopt. Frankrijk diende aan alle kanten van het land te vechten, wat een zware opdoffer voor de schatkist betekende. Met de Vrede van Rijswijk (20 september 1697) werden de meeste Franse veroveringen teniet gedaan en kreeg de Republiek de goedkeuring om langs de grens met Frankrijk in de Spaanse Nederlanden garnizoenssteden te bezetten.De Spaanse Successieoorlog (1702-1713) verliep oorspronkelijk succesvol voor de Fransen, die verschillende steden in de Zuidelijke Nederlanden konden veroveren. De veldslagen bij Ramillies en Oudenaarde in 1706 betekenden echter een keerpunt en de Zuidelijke Nederlanden werden bevrijd van de Franse aanwezigheid. Door de Vrede van Utrecht in 1713 werd deze toestand diplomatiek geregeld en werden de grenzen formeel vastgelegd.Frankrijk zou tot aan de Franse Revolutie in de organisatorische voetstappen van de Zonnekoning lopen. De grenzen met de buurlanden - liefst op natuurlijke barrières zoals de Pyreneeën of de Rijn - waren verbeterd en een krans van versterkingen ontworpen door maarschalk Vauban moest eventuele aanvallers afschrikken. Maquettes van die vestingen en hun directe omgeving hielpen het opperbevel in Parijs bij het voorbereiden van een offensief of het verbeteren van de verdediging na het heroveren van een vijandelijke stad.Oorlog voeren was in de 17de eeuw een combinatie van enkele veldslagen en vooral van het belegeren van versterkte steden. De keuze waar de klemtoon werd gelegd, lag bij de bevelhebbers. Veldslagen goed voorbereiden was een kunst die niet elke commandant even goed beheerste, belegeringen konden voorafgaand eventueel wel bestudeerd worden. Daarvoor had men goede kaarten nodig en die werden pas in de 18de eeuw ontwikkeld. Kaarten voor een deel van de Zuidelijke Nederlanden werden in de periode 1745-1748 door Franse militaire ingenieurs onder leiding van Cassini opgemaakt. De eerder gemaakte maquettes konden daardoor beter in een ruimer gebied geïnterpreteerd worden. Die maquettes werden als strategische reliëfplannen vanaf 1668 aangemaakt, specifiek op bevel van koning Lodewijk XIV.De ervaring met zijn speelfort, dat hij als twaalfjarige in het paleis van Saint-Germain-en-Laye had gekregen om ruimtelijk inzicht te krijgen in de belegeringsstrategie, moet een blijvende indruk nagelaten hebben. Minister van Oorlog Louvois kon met die speelgoedherinneringen de topografische kaarten van de belangrijkste versterkte steden visueel begrijpelijker maken voor de koning en zijn adviseurs. Op een schaal van 1/600 waren de details op elke maquette groot genoeg om met een oogopslag het terrein en de fortificaties te kunnen inschatten en plannen te maken voor aanval of verdediging. De rand van de maquette was belangrijk voor de artillerieofficieren, want van op die plaatsen konden de kanonnen het centrum van de uitgebeelde versterkte stad bestoken.De eerste maquettes of reliëfplannen die gemaakt werden, waren van de recent verworven steden Duinkerken, Ath en Rijsel. Vervolgens werd verder gewerkt aan de maquettes van die steden in de Zuidelijke Nederlanden waar op dat moment gevochten werd zoals Arras, Calais, Douai en Ieper. Ook de belangrijke vestingstad Besançon in het door Lodewijk XIV geviseerde (Bourgondische) Franche-Comté werd in planreliëf gebouwd. In 1697 kon Vauban de koning 101 versterkingen in reliëf laten bekijken. Die werden in een collectie van 144 maquettes aanschouwelijk gemaakt. Alles was militair geheim en werd dicht bij de koning ter beschikking gehouden. De maquettes verhuisden bij uitbreiding van de collectie van Versailles naar Fontainebleau en vervolgens naar Saint-Germainen-Laye om ten slotte in 1706 in de Tuilerieën in het Louvre ondergebracht te worden. Pas onder Lodewijk XVI werden de reliëfplannen naar het Hôtel des Invalides verplaatst. Daar werden de maquettes geregeld bezocht met belangrijke buitenlandse gasten. Formeel en soms 'incognito' zoals keizer Jozef II die de zaal in 1777 twee keer bezocht en die zeer geïnteresseerd was in de versterkingen van de steden in de Oostenrijkse Nederlanden. Die verhuis naar Parijs en het frequent bezoek van buitenlandse hoogwaardigheids bekleders betekende niet dat de maquettes niet meer werden gebruikt voor hun militair-strategische informatie, integendeel. In 1811 liet keizer Napoleon nog nieuwe planreliëfs van de havensteden Brest en Cherbourg maken. Bij de nederlaag van Napoleon konden de maquettes van Duitse versterkte steden of forten op veel interesse van de Pruisen rekenen. Die maquettes werden meegenomen naar Berlijn, evenals het planreliëf van Rijsel. Dat werd als lesmateriaal gebruikt om de Vaubanversterkingen aan leerling-officieren uit te leggen. Pas in 1946 werd deze maquette door de Fransen naar Parijs teruggebracht. Omdat alleen de versterkingen van de Vaubanmethode voor de Pruisen didactisch belangrijk was, werd de ruime omgeving van Rijsel op de maquette verwijderd.Gedurende de hele 18de en 19de eeuw werden de maquettes verder bijgewerkt én gebruikt. Pas na de Frans-Duitse oorlog van 1870/71 werden ze als verouderd opzij geschoven. Een deel werd vernield, sommige zelfs verkocht. Pas in 1927 werd hun historische waarde erkend en werden de nog overgebleven exemplaren beschermd als historisch monument, maar waren ze nog steeds als militair geheim geklasseerd. In 1940 volgde uiteindelijk de demilitarisering en werden ze aan de nationale dienst monumentenzorg overgedragen.Na de Tweede Wereldoorlog werden de planreliëfs steeds belangrijker bronnenmateriaal voor de historische studie van de 18de-eeuwse stadsontwikkeling. Voor een stad vormde de bewaarde maquette ook belangrijk studiemateriaal na de Eerste Wereldoorlog. Het stadsbestuur van Ieper verzocht de Franse militaire overheid in 1919 om de maquette van hun stad te mogen onderzoeken om de gegevens te kunnen gebruiken bij de plannen van de wederopbouw. Nu zijn de nog bewaarde exemplaren deels te bewonderen in Parijs en in Rijsel.De collectie van de maquettes of planreliëfs staat op een zolder van het Hôtel des Invalides in Parijs. Daar zijn vooral de Franse steden en forten te bekijken. Blikvanger is daarbij de maquette van de havenstad Toulon en van de Mont Saint Michel. In de reserve staan vijf Belgische reliëfplans opgeslagen (Fort Knokke, Nieuwpoort, Oostende, Antwerpen en Bouillon), evenals een Nederlandse (Bergenop-Zoom) en een Luxemburgse (Luxemburg). Naast de strategische fortmaquettes zijn er ook van belegeringen en veldslagen, dikwijls uit de periode van Napoleon Bonaparte. Bij de exemplaren met buitenlandse versterkingen vallen de maquettes van Rome uit 1850 en Sebastopol op de Krim uit 1861 op, twee campagnes van Napoleon III. De jongste maquette is die van het Suezkanaal uit 1878. Al deze planreliëfs over buitenlandse sites staan in depot. Er zijn ook theoretische modellen te zien en topografische reliekaarten van recentere datum.In 1997 werden uit deze collectie vijftien reliëfplans in bruikleen gegeven aan het Musée des Beaux-Arts van Rijsel. Daarbij zijn er zeven Noord-Franse, zeven Belgische steden (Ath, Charleroi, Menen, Namen, Oudenaarde, Doornik en Ieper) en een Nederlandse stad (Maastricht). De meeste van deze maquettes werden in de eerste helt van de 18de eeuw gemaakt.Na een restauratiecampagne van een jaar zijn deze reliëfplans sinds maart 2019 te bewonderen in Rijsel. Door het ontstoffen en het consolideren zijn tal van nieuwe details opnieuw zichtbaar geworden. In een nieuwe klimatologisch verbeterde presentatie zijn ze nu goed te bewonderen.