Zonder heien zou bouwen hier ondenkbaar zijn. Wie kent niet het versje: 'Amsterdam die grote stad, die is gebouwd op palen, en als die stad eens ommeviel, wie zou dat betalen?' Huygens noemde Amsterdam een averechts mastenwoud. En Vondel rijmde: 'Keer om de stad, ze is bos van onder'. Overdreven? Voor de bouw van het nieuwe stadhuis op de Dam alleen al, nu het Koninklijk Paleis, werden maar liefst 13.659 heipalen de grond in geslagen. Elders was het niet anders. De heipaal ligt letterlijk aan de basis van onze steden.
...

Zonder heien zou bouwen hier ondenkbaar zijn. Wie kent niet het versje: 'Amsterdam die grote stad, die is gebouwd op palen, en als die stad eens ommeviel, wie zou dat betalen?' Huygens noemde Amsterdam een averechts mastenwoud. En Vondel rijmde: 'Keer om de stad, ze is bos van onder'. Overdreven? Voor de bouw van het nieuwe stadhuis op de Dam alleen al, nu het Koninklijk Paleis, werden maar liefst 13.659 heipalen de grond in geslagen. Elders was het niet anders. De heipaal ligt letterlijk aan de basis van onze steden.Al in de Bronstijd werden op het Europese continent huizen aan oevers op palen gebouwd. Daardoor stonden ze hoog en dus droog. Maar het waren de Romeinen die bij de aanleg van bruglandhoofden de paal als ondergrondse fundering toepasten. Met het verdwijnen van het Romeinse Rijk ging ook veel bouwkundige kennis verloren.Voor het onderheien van de simpele houten woningen van de vroege Middeleeuwen was geen noodzaak. Een eenvoudige ondersteuning met stenen en liggende paaltjes was afdoende. Toen de gebouwen groter werden en van steen zoals kerken, werd een betere fundering noodzakelijk. In het begin waren dat slieten: een bundel van verticaal in de grond gedreven korte paaltjes waarop het gebouw kon steunen. Maar ook deze slietenfundering rustte niet op een dragende laag waardoor verzakken mogelijk bleef. De oplossing was de slieten te vervangen door lange dikke palen en die tot in een dragende zandlaag te brengen, een techniek die vanaf de 16de eeuw opgang maakte.Dit 'heien' gebeurde met de klassieke Hollandse heistelling, een driepotige houten constructie voor palen tot wel twintig meter lang. Er waren heel wat mensen voor nodig om het loodzware heiblok op te hijsen. Een heiploeg van zestig man was geen uitzondering. Door toepassing van katrollen verminderde dat aantal. De zwaarte van het heiblok werd uitgedrukt in het aantal mannen dat voor de bediening nodig was. Zo was er een acht-, tien-, twaalf-of zestienstaarts blok, waarbij de 'staart' het touw was waar één man aan trok.Voordat het heiwerk begon werd eerst een bouwput gegraven. Dat was belangrijk want de houten palen moesten volledig onder water staan omdat anders het hout gegarandeerd zou gaan rotten. Pompen hielden de werkput droog. Na het heien werden de palen tot onder het grondwaterpeil afgezaagd en voorzien van een houten draagconstructie waarop vervolgens een stenen fundering werd gemetseld.Het heiblok werd door de heiploeg in dertig slagen of 'tochten' opgehesen en losgelaten. Vervolgens was het even rusten en werd er weer dertig tochten gehaald. Een goede coördinatie was daarbij belangrijk. Daarom werd tijdens het heien op de cadans van een werklied gehaald en gevierd: het heilied. Een heilied telde altijd dertig korte regels, net zoveel als er tochten waren. Het was de heibaas die zong en daarom ook wel zanger heette, de heiers hadden hun lucht hard nodig voor het trekken. Wat er ook gezongen werd, de laatste regel luidde altijd 'strijk en zet', om aan te geven dat er gerust kon worden. Vaak waren de liedjes nogal dubbelzinnig of ronduit schunnig, met teksten over palen zetten, willige vrouwen en drank. Het heivolk stond bepaald niet bekend om zijn beschaafde manieren. Maar ook het werk was rauw, getuige deze beeldende beschrijving uit 1902: 'Terwijl de vette klei vastklontert aan hun stugge waterlaarzen, sjouwen de arbeiders om met vies-natte palen, waarvan de afgeweekte schors in goor-bruine vellen losglijdt onder 't grijpen van hun grove handen'.Net als ook nu nog was het slaan van de eerste paal een feestelijke aangelegenheid. Die paal werd versierd met groene takken en onder gezang door de buurt rondgedragen. Van de aannemer werd een royale borrel verwacht. Ook de laatste paal werd gevierd. Zo maakt de Groninger Courant van 6 augustus 1852 gewag van een 'vreugdedag' vanwege het afsluiten van het heiwerk voor een sluis in het Drentse Hoogeveen: 'Onder muziek en zang hebben zij over de markt en door het grootste gedeelte van de kom der gemeente den laatsten heipaal, waarop hun zanger geplaatst was, rondgedragen, achtervolgd door een aantal kinderen'.Heien was eeuwenlang een zwaar en niet ongevaarlijk handwerk. Talrijk zijn de meldingen van dodelijke ongelukken tijdens het heien. In de 19de eeuw deed de stoommachine zijn intrede.Vanaf 1900 werd de stoommachine langzaam vervangen door de veel lichtere en praktische dieselmotor en weer later de dieselhamer (het dieselheiblok). Tot spijt van de verslaggever die in 1939 schreef: 'De machtige stoomstooten van de stoommachine worden vervangen door een irriteerenden dieselklop, de prikkelende turf- en kolenrook maakt plaats voor een kleverigen oliewalm, die uit een mager pijpje omhoog kringelt en de romantische vuurgloed, waarin de gelaarsde heiers eens zoo forsch en stoer schenen, verdwijnt geheel'.Ook de aloude houten palen zijn ondertussen zo goed als verdwenen en vervangen door betonnen exemplaren. Het karakteristieke geklop van de hei hoor je nog maar af en toe. Steeds vaker wordt er geboord waarna na het storten van het beton (door dezelfde boor) een ijzeren bewapening in het gat wordt geschoven. Trilschade aan bestaande bebouwing wordt zo vermeden. Maar ondanks al die technische veranderingen blijft heien net als vroeger van fundamenteel belang. Dat staat als een paal boven, pardon, onder water.