Opinie

Christophe Heyndrickx

‘Er zijn betere manieren dan een btw-verlaging om ons minder afhankelijk te maken van Russisch gas’

Christophe Heyndrickx Bio-ingenieur in landbouw- en milieu-economie bij Transport & Mobility Leuven

‘Onze maatschappij is uiterst kwetsbaar gemaakt voor prijsschokken op de internationale energiemarkt’, schrijft Christophe Heyndrickx van Denktank Eleni. ‘Maar een verlaging van de btw en de accijnzen op fossiele brandstoffen is ondoordacht en kortzichtig beleid.’

Poetins oorlog in Oekraïne heeft het Europese energiebeleid op steroïden gezet. We haalden de link tussen economische groei en energiezekerheid al aan in een vorig opiniestuk. Hierin wezen we al op het gevaar om te rekenen op lage prijzen voor (Russisch) aardgas, olie en andere fossiele brandstoffen. Maar er is hoop. Waar de Covid-19 crisis al liet zien dat overheden slagvaardiger uit de hoek kunnen komen als de nood hoog is, blijkt nu ook dat er wel degelijk opties zijn om onze afhankelijkheid van (Russisch) aardgas te reduceren.

Veel minder slagkrachtig is het Federale Energieakkoord te noemen. En vooral de provisie om een fikse verlaging van de BTW en accijnzen op brandstoffen door te voeren. Ongetwijfeld was dit populair beleid. Veel gezinnen kreunen onder de hoge energiekosten. Maar het is ondoordacht en kortzichtig beleid. In dit artikel willen we graag uitleggen waarom en alternatieven aanreiken.

Er zijn betere manieren dan een btw-verlaging om ons minder afhankelijk te maken van Russisch gas.

Om de huidige problematiek te begrijpen, moeten we eerst erkennen dat dit het gevolg is van bewuste beleidskeuzes. Investeren in een energiezuinige maatschappij met een kleinere klimaatimpact stond de laatste jaren zeer laag op de prioriteitenlijst. Iconisch is dat er tot vorig jaar nog premies bestonden voor het installeren van gasketels tijdens renovatie en nieuwbouw. Dat terwijl bijvoorbeeld Nederland nieuwe gasaansluitingen al sinds 2018 verbiedt. Uit angst om mensen op kosten te jagen, heeft de Vlaamse en Federale regering paradoxaal genoeg het tegenovergestelde gerealiseerd. Onze maatschappij is uiterst kwetsbaar gemaakt voor prijsschokken op de internationale energiemarkt.

Er is nochtans een beleidsalternatief dat ons weerbaarder had kunnen maken: “Een brede algemene belasting op de koolstofinhoud van (fossiele) brandstoffen”. Zo een koolstofbelasting heeft twee belangrijke voordelen. Ten eerste maakt het energiebesparende (koolstofarme) investeringen interessanter. Ten tweede heeft de overheid extra inkomsten om publieke investeringen te steunen en de impact op armere huishoudens te verkleinen. Uit empirisch onderzoek blijkt dat een koolstofbelasting een krachtig instrument is om onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen versneld af te bouwen. Zelfs bij relatief lage koolstof prijzen van 20 €/ton tot 50 €/ton CO2 kan een emissiereductie van 1% tot 2.5% per jaar gerealiseerd worden (Rafaty R., Dolphin G., Pretis F., 2021). In onze buurlanden Nederland, Frankrijk, Duitsland en Zweden werd een dergelijke belasting ingevoerd aan waarden van respectievelijk 30 €/ton, 70 €/ton en 100 €/ton. Niet toevallig is het juist Zweden die deze energiecrisis het beste lijkt te doorstaan.

De beslissing van de Federale Overheid staat hier eigenlijk lijnrecht tegenover. Door te kiezen voor een daling in BTW en accijnzen heeft men eigenlijk een koolstofsubsidie ingevoerd ter waarde van bijna 3 miljard euro op jaarbasis (omgerekend meer dan 50 €/ton). Met alle gevolgen vandien. Het incentief om energie te besparen wordt afgezwakt of zelfs omgedraaid. Ze is ook erg ongelijk verdeeld. In onderzoek van de denktank Transport&Environment bleek het voordeel tot 8x groter voor de rijksten in de samenleving. Daarenboven komt dat er nu veel meer buitenlanders over de grens komen tanken, door het absurd grote prijsverschil (tot 50 eurocent per liter!) dat is ontstaan.

Daarnaast is er nog een nefast effect dat vaak vergeten wordt. Het verlies in publieke inkomsten zal op een gegeven moment moeten gecompenseerd worden door minder uit te geven aan publieke diensten, investeringen of transfers naar huishoudens. Dit op een moment waarop het noodzakelijk is om die investeringen of compensatie te voorzien.

Volgens ons maakt België er dus best werk van om de verlaging in accijnzen zo snel mogelijk terug uit te faseren. Een interessante optie is om te kiezen voor een graduele invoering van een koolstofbelasting bovenop de huidige accijns. Hierbij kan men best vanaf een laag niveau beginnen (20 of 30 €/ton) en een stapsgewijze jaarlijkse verhoging vastleggen. Best wordt ook de BTW verlaging op aardgas teruggedraaid. Deze op elektriciteit kan eventueel behouden worden om de elektrificatie van transport en verwarming te ondersteunen.

Om de sociale impact van de prijsstijgingen in energie zoveel mogelijk te verzachten stellen we de volgende opties voor. We onderscheiden hier de korte en lange termijn.

Ten eerste moeten we de waarde erkennen van de automatische prijs en loon stabilisatoren in België. Het (uitgebreid) sociaal tarief en indexatie bleken zeer effectief om de schok voor veel kwetsbare huishoudens te verzwakken bleek uit een recente studie van de KU Leuven. De BTW verlaging voor aardgas en elektriciteit waren dan weer eerder een maat voor niets. Deze vallen buiten het verwarmingsseizoen, de baten zijn opnieuw zeer ongelijk verdeeld. En, daarenboven blijkt uit een FOB studie uit 2015 dat dit de automatische loonindexatie afzwakt, een verborgen loonmatiging dus.

Ten tweede kan men een hervorming van de prijszetting overwegen in energie, waarbij gewerkt wordt met een bepaalde minimum hoeveelheid energie die gratis wordt beschikbaar gesteld aan huishoudens. Dit wordt best afhankelijk gemaakt van de gezinssituatie en inkomen. Boven dit minimum betaalt het huishouden de volledige energieprijs. Hier schreven we eerder een uitgebreid opiniestuk rond. Het voordeel van zo’n hervorming is dat ze sociaal rechtvaardiger is dan het huidige systeem en bovendien nog kan leiden tot rationeler energieverbruik.

In combinatie met de vorige optie – of afzonderlijk – kan men werken met rechtstreekse inkomenscompensaties. Hierbij krijgen huishoudens een bedrag per persoon, afhankelijk van het inkomen. Dit kan in de vorm van een belastingkrediet, of meer expliciet als ‘Klimaat Cheques’ zoals in Canada en Zwitserland. Het is immers correct dat zowat elke belasting op fossiele energie een onevenredig grote impact heeft op armere gezinnen, toch zijn het juist de welvarende gezinnen die het grootste aandeel betalen. Armere gezinnen gaan er met een hoofdelijke compensatie doorgaans op vooruit, omdat hun energieverbruik vaak lager ligt dan het landelijk gemiddelde. In bredere zin kan men dit ook zien als een rechtstreekse beloning voor alle gezinnen, die inspanningen leveren om hun energieverbruik te temperen. Met hetzelfde budget als nu wordt vrijgemaakt voor een (de facto) koolstofsubsidie had men een bedrag van 200 tot 300 euro kunnen geven per hoofd van de bevolking. Het dubbele of driedubbele is realistisch als sterker gericht wordt op bepaalde (kwetsbaardere) inkomensgroepen.

Een laatste interessante denkpiste is om (tijdelijk) de lasten op arbeid te verlagen. Een daling van de lasten met 2% of zelfs 3% is hier realistisch. Dit leidt tot betere economische incentieven en lagere werkloosheid, waardoor deze lastenverlaging zichzelf nog eens gedeeltelijk terugbetaalt. De baten zijn wel hoger voor rijkere huishoudens, maar men helpt er huishoudens en onze economie meer mee vooruit dan met het huidige Energieakkoord.

Op langere termijn moet men erkennen dat er iets fundamenteel fout lijkt te lopen in de prijszetting voor energie op de Europese en internationale markt. Hier kan enkel meer Europese samenwerking baten. Er kan ook gedacht worden aan een belasting op overwinsten bij bepaalde energieproducenten, maar ook dit zal zich eerder op Europees vlak moeten afspelen.

Daarnaast verschuift men best stapsgewijs lasten van elektriciteit naar aardgas, stookolie en andere fossiele brandstoffen. Ons buurland Nederland geeft hierin het voorbeeld. Impactanalyses door de BBL en het Nederlands Planbureau voor leefomgeving (CPB/PBL, 2019) toonden aan dat hierbij de totale energiefactuur van huishoudens niet of nauwelijk stijgt, indien men geleidelijk aan het gebruik van warmtepompen en isolatie stimuleert. Ter ondersteuning versterkt men best bestaande instanties die advies, renteloze leningen en verhoogde premies uitschrijven voor energiezuinige investeringen. Investeringen in energiezuinige maatregelen kunnen ook gedeeltelijk aftrekbaar gemaakt worden van de inkomensbelasting.

Als conclusie kunnen we stellen dat het Energieakkoord een gigantische ongedekte kost heeft gecreëerd, met slechts beperkte en zeer ongelijk verdeelde baten voor huishoudens. Beter had men huishoudens gecompenseerd door de lasten op arbeid te verlagen of gerichte inkomenscompensaties te geven. Daarnaast heeft men eigenlijk maar een erg beperkt budget (1 miljard euro) voorzien om extra investeringen te maken om onze energieafhankelijkheid te verminderen. Dit voorspelt weinig goeds om op langere termijn echt diepgaande hervormingen in onze energiemarkt te maken.

Ondertussen werd de impact van de accijnsverlagingen opnieuw volledig teniet gedaan door nieuwe stijgingen in de olieprijs. Laten we dus in de plaats ervoor kiezen om de energietransitie in onze samenleving nu echt te realiseren. Als we dan een oorlog moeten voeren, laat deze dan vooral tegen ons gebruik van fossiele brandstoffen gericht zijn.

Christophe Heyndrickx werkt als onderzoeker bij Transport en Mobility Leuven (TML). Hij schreef deze bijdrage in het kader van de denktank Eleni.

Partner Content