Het zal de meeste Europeanen niet ontgaan zijn dat er een storm op ons afkomt. Niet de hevige regenbuien in de ronduit miezerige zomer van de voorbije maanden, maar een enorme hausse aan energieprijzen. Geconfronteerd met de economische en sociale gevolgen van duurdere energie schieten veel Europese regeringen in actie. Lang onaangeroerde reserves worden opengesteld, extra prijscontroles of (dure) eenmalige subsidies worden uitgereikt. Alles om het herstel van de economie na anderhalf jaar covid maatregelen niet in gevaar te brengen.

De beginselen van de energiecrisis zoals wij ze ervaren, zijn niet een toevallige samenloop van omstandigheden. Als in het Verenigd Koninkrijk lange rijen wachtenden voor het benzinestation staan, dan wijt ik dit niet enkel aan de Brexit. Hoewel het effect van deze beleidsbeslissing het land zeker kwetsbaarder heeft gemaakt voor dit soort problemen, zijn ze waarschijnlijk eerder voorlopers op een systemisch probleem dat zich al snel door heel Europa en waarschijnlijk heel de wereld zal verspreiden. Dit is een combinatie van een gebrek aan werknemers in essentiële beroepen, de fragiliteit van just-in-time supply chain en een toenemende energievraag.

Economische groei kan niet zonder afbouw in energieafhankelijkheid.

Economische groei is gelimiteerd door haar meest schaarse hulpbron. Lange tijd in de geschiedenis is dit menselijke arbeid geweest, daarna de combinatie van dierlijke en menselijke kracht. Sinds het begin van de industriële revolutie werd dit meer en meer de beschikbaarheid van fossiele brandstoffen. Quasi elke economische activiteit is afhankelijk geworden van mechanische of elektrische energie, die nog steeds hoofdzakelijk uit fossiele brandstoffen komt. Hoewel de energie-intensiteit relatief gezien daalt per eenheid productie, is de totale energievraag voor alle economieën nog steeds toegenomen. Op lange termijn is de correlatie tussen energiebeschikbaarheid en BBP nagenoeg perfect. Een fysieke afhankelijkheid die weleens door economen wordt gemist (Stern, 2011).

In de jaren '70 werden we al eens wakker geschud voor het feit dat energiebeschikbaarheid wel eens dé beperkende factor voor economische groei zou kunnen worden, maar deze crisis was historisch gezien maar van korte duur. Buiten enkele kleine opflakkeringen in de jaren '90 is de prijs grotendeels stabiel gebleven. Dat hebben we grotendeels te danken aan de ontdekking van schalieolie en schaliegas in de VS. Alhoewel. Men hoeft alleen maar naar de laatste twintig jaar te kijken, om te beseffen hoe sterk de energievraag op de achtergrond speelt. Het is bijvoorbeeld opvallend hoe tijdens de financiële crisis in 2008 en de coronacrisis in 2020, de energieprijs mee daalde met de terugvallende economische vraag. Deze sterke correlatie tussen energievraag en groei is niet verwonderlijk, maar wordt wel een steeds opvallendere systeemeigenschap.

Dat komt omdat het aanbod van energie vrij inelastisch is op korte termijn. Die energievraag toont zich echter wel veel elastischer en dynamischer, wat betekent dat de prijsvolatiliteit van energie enorm toeneemt. Een facet dat bij de voorbije crisissen een opvallend gegeven was. De lagere energieprijzen tijdens de financiële crisis en tijdens de pandemie waren voor vele gezinnen ongetwijfeld een opsteker. Ze zullen ervoor gezorgd hebben dat de recessie minder diep was. Maar nu we een explosieve groei in de post-pandemie wereld zien, waar de bevoorrading op alle manieren lijkt te stokken, zien we de donkere kant van dit fenomeen. Onze economie draagt haar energieafhankelijkheid als een loodzwaar ballast mee, wanneer ze terug in de startblokken schiet.

Overheden lijken nu vooral bezig met op korte termijn hun bevolking te kalmeren. De noden van de klimaatcrisis vragen ons echter om fossiele brandstoffen versneld af te bouwen. Tegelijkertijd wil men de economische groei blijven stimuleren. Het is een illusie dat deze twee objectieven ongeremd naast elkaar kunnen bestaan, zonder een serieuze aanpassing van de prijzen of zonder mogelijke bevoorradingsproblemen. Wij leven nu eenmaal in een economische omgeving waar prijsprikkels essentieel zijn om duurzame investeringen te stimuleren en dus onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen. De lage prijzen voor aardgas hebben ons in slaap gewiegd voor de gevolgen. Nu we opeens geconfronteerd worden met een verdubbeling, verdriedubbeling of recent zelfs een vervijfdubbeling van de prijzen is het een ruw ontwaken.

De man of vrouw in de straat is snel om een oordeel uit te spreken over de zogezegde kosten van 'groene beleid', maar dit is juist het beleid waar in Vlaanderen niet voor werd gekozen. Integendeel, Vlaanderen hangt op quasi alle indicatoren aan de staart van het Europese peloton inzake hernieuwbare energie, isolatie en energie intensiteit van de industrie. Een voorstel om een CO2 taks in te voeren in Vlaanderen op niet-ETS sectoren staat al meer dan 10 jaar in de steigers, maar werd door de huidige regeringspartijen steeds resoluut verworpen. Intussen ligt men in Zweden, waar een dergelijke heffing al sinds 1990 bestaat, veel minder wakker van de stijgende gasprijs (Swedish Economy Can Withstand Surging Energy Prices, Lofven Says - Bloomberg).

Overheden staan nu voor een catch 22. Aanvaarden dat de vervanging van fossiele brandstoffen door hernieuwbare energie mogelijk zal leiden tot een vertraging van de economische groei, met alle sociale gevolgen vandien. Of de ambities op klimaatvlak terugschroeven en sneller groeien. Men voelt nu al de druk op de Europese Green Deal toenemen. Hierdoor is het waarschijnlijk dat het uitbreiden van het ETS naar verwarming en transport zal worden uitgesteld of tenminste afgezwakt. Dit zal op korte termijn soelaas bieden, maar op langere termijn de vatbaarheid van Europa voor energiecrisissen en klimaatcatastrofes dramatisch verhogen. Het ETS ontstond niet zomaar, deze realiseert de transitie naar een samenleving met een lage afhankelijkheid aan fossiele brandstoffen aan een minimale kost. Afwijken van het ETS zal dus alleszins geen wonderoplossing zijn om de kosten te beperken.

We moeten ons eerst terug echt bewust moeten worden van onze energieafhankelijkheid. De kwetsbaarheid van onze economie voor zelfs kleine verstoringen in de beschikbaarheid van fossiele brandstoffen moet een wake-up call zijn. Het is onaanvaardbaar dat zoveel van onze welvaart afhankelijk is van een hulpbron die zo goed als afwezig is op het Europees grondgebied. Willen we een duurzame economische ontwikkeling, moeten we onze investeringen oriënteren om onze afhankelijkheid van de meest schaarse hulpbron versneld af te bouwen. Het is mogelijk dat we daardoor op korte en zelfs middellange termijn aan groei zullen moeten inleveren. Overheden moeten klaarstaan om de ergste sociale gevolgen hiervan op te vangen. Dit zal echter noodzakelijk zijn om een economie te krijgen die het fnuik van energieafhankelijkheid althans gedeeltelijk kan afschudden op langere termijn. Alleen als we bewust keuzes kunnen maken en het systeem herdenken, zal de Europese economie echt kunnen opleven.

Christophe Heyndrickx werkt als onderzoeker bij Transport en Mobility Leuven (TML). Hij schreef deze bijdrage in het kader van de denktank Eleni.

Het zal de meeste Europeanen niet ontgaan zijn dat er een storm op ons afkomt. Niet de hevige regenbuien in de ronduit miezerige zomer van de voorbije maanden, maar een enorme hausse aan energieprijzen. Geconfronteerd met de economische en sociale gevolgen van duurdere energie schieten veel Europese regeringen in actie. Lang onaangeroerde reserves worden opengesteld, extra prijscontroles of (dure) eenmalige subsidies worden uitgereikt. Alles om het herstel van de economie na anderhalf jaar covid maatregelen niet in gevaar te brengen.De beginselen van de energiecrisis zoals wij ze ervaren, zijn niet een toevallige samenloop van omstandigheden. Als in het Verenigd Koninkrijk lange rijen wachtenden voor het benzinestation staan, dan wijt ik dit niet enkel aan de Brexit. Hoewel het effect van deze beleidsbeslissing het land zeker kwetsbaarder heeft gemaakt voor dit soort problemen, zijn ze waarschijnlijk eerder voorlopers op een systemisch probleem dat zich al snel door heel Europa en waarschijnlijk heel de wereld zal verspreiden. Dit is een combinatie van een gebrek aan werknemers in essentiële beroepen, de fragiliteit van just-in-time supply chain en een toenemende energievraag. Economische groei is gelimiteerd door haar meest schaarse hulpbron. Lange tijd in de geschiedenis is dit menselijke arbeid geweest, daarna de combinatie van dierlijke en menselijke kracht. Sinds het begin van de industriële revolutie werd dit meer en meer de beschikbaarheid van fossiele brandstoffen. Quasi elke economische activiteit is afhankelijk geworden van mechanische of elektrische energie, die nog steeds hoofdzakelijk uit fossiele brandstoffen komt. Hoewel de energie-intensiteit relatief gezien daalt per eenheid productie, is de totale energievraag voor alle economieën nog steeds toegenomen. Op lange termijn is de correlatie tussen energiebeschikbaarheid en BBP nagenoeg perfect. Een fysieke afhankelijkheid die weleens door economen wordt gemist (Stern, 2011).In de jaren '70 werden we al eens wakker geschud voor het feit dat energiebeschikbaarheid wel eens dé beperkende factor voor economische groei zou kunnen worden, maar deze crisis was historisch gezien maar van korte duur. Buiten enkele kleine opflakkeringen in de jaren '90 is de prijs grotendeels stabiel gebleven. Dat hebben we grotendeels te danken aan de ontdekking van schalieolie en schaliegas in de VS. Alhoewel. Men hoeft alleen maar naar de laatste twintig jaar te kijken, om te beseffen hoe sterk de energievraag op de achtergrond speelt. Het is bijvoorbeeld opvallend hoe tijdens de financiële crisis in 2008 en de coronacrisis in 2020, de energieprijs mee daalde met de terugvallende economische vraag. Deze sterke correlatie tussen energievraag en groei is niet verwonderlijk, maar wordt wel een steeds opvallendere systeemeigenschap. Dat komt omdat het aanbod van energie vrij inelastisch is op korte termijn. Die energievraag toont zich echter wel veel elastischer en dynamischer, wat betekent dat de prijsvolatiliteit van energie enorm toeneemt. Een facet dat bij de voorbije crisissen een opvallend gegeven was. De lagere energieprijzen tijdens de financiële crisis en tijdens de pandemie waren voor vele gezinnen ongetwijfeld een opsteker. Ze zullen ervoor gezorgd hebben dat de recessie minder diep was. Maar nu we een explosieve groei in de post-pandemie wereld zien, waar de bevoorrading op alle manieren lijkt te stokken, zien we de donkere kant van dit fenomeen. Onze economie draagt haar energieafhankelijkheid als een loodzwaar ballast mee, wanneer ze terug in de startblokken schiet. Overheden lijken nu vooral bezig met op korte termijn hun bevolking te kalmeren. De noden van de klimaatcrisis vragen ons echter om fossiele brandstoffen versneld af te bouwen. Tegelijkertijd wil men de economische groei blijven stimuleren. Het is een illusie dat deze twee objectieven ongeremd naast elkaar kunnen bestaan, zonder een serieuze aanpassing van de prijzen of zonder mogelijke bevoorradingsproblemen. Wij leven nu eenmaal in een economische omgeving waar prijsprikkels essentieel zijn om duurzame investeringen te stimuleren en dus onze afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te verminderen. De lage prijzen voor aardgas hebben ons in slaap gewiegd voor de gevolgen. Nu we opeens geconfronteerd worden met een verdubbeling, verdriedubbeling of recent zelfs een vervijfdubbeling van de prijzen is het een ruw ontwaken. De man of vrouw in de straat is snel om een oordeel uit te spreken over de zogezegde kosten van 'groene beleid', maar dit is juist het beleid waar in Vlaanderen niet voor werd gekozen. Integendeel, Vlaanderen hangt op quasi alle indicatoren aan de staart van het Europese peloton inzake hernieuwbare energie, isolatie en energie intensiteit van de industrie. Een voorstel om een CO2 taks in te voeren in Vlaanderen op niet-ETS sectoren staat al meer dan 10 jaar in de steigers, maar werd door de huidige regeringspartijen steeds resoluut verworpen. Intussen ligt men in Zweden, waar een dergelijke heffing al sinds 1990 bestaat, veel minder wakker van de stijgende gasprijs (Swedish Economy Can Withstand Surging Energy Prices, Lofven Says - Bloomberg).Overheden staan nu voor een catch 22. Aanvaarden dat de vervanging van fossiele brandstoffen door hernieuwbare energie mogelijk zal leiden tot een vertraging van de economische groei, met alle sociale gevolgen vandien. Of de ambities op klimaatvlak terugschroeven en sneller groeien. Men voelt nu al de druk op de Europese Green Deal toenemen. Hierdoor is het waarschijnlijk dat het uitbreiden van het ETS naar verwarming en transport zal worden uitgesteld of tenminste afgezwakt. Dit zal op korte termijn soelaas bieden, maar op langere termijn de vatbaarheid van Europa voor energiecrisissen en klimaatcatastrofes dramatisch verhogen. Het ETS ontstond niet zomaar, deze realiseert de transitie naar een samenleving met een lage afhankelijkheid aan fossiele brandstoffen aan een minimale kost. Afwijken van het ETS zal dus alleszins geen wonderoplossing zijn om de kosten te beperken.We moeten ons eerst terug echt bewust moeten worden van onze energieafhankelijkheid. De kwetsbaarheid van onze economie voor zelfs kleine verstoringen in de beschikbaarheid van fossiele brandstoffen moet een wake-up call zijn. Het is onaanvaardbaar dat zoveel van onze welvaart afhankelijk is van een hulpbron die zo goed als afwezig is op het Europees grondgebied. Willen we een duurzame economische ontwikkeling, moeten we onze investeringen oriënteren om onze afhankelijkheid van de meest schaarse hulpbron versneld af te bouwen. Het is mogelijk dat we daardoor op korte en zelfs middellange termijn aan groei zullen moeten inleveren. Overheden moeten klaarstaan om de ergste sociale gevolgen hiervan op te vangen. Dit zal echter noodzakelijk zijn om een economie te krijgen die het fnuik van energieafhankelijkheid althans gedeeltelijk kan afschudden op langere termijn. Alleen als we bewust keuzes kunnen maken en het systeem herdenken, zal de Europese economie echt kunnen opleven. Christophe Heyndrickx werkt als onderzoeker bij Transport en Mobility Leuven (TML). Hij schreef deze bijdrage in het kader van de denktank Eleni.