Nasjonalmuseet in Oslo: het Louvre van het Hoge Noorden

OSLO Het nieuwe kunstpaleis mikt op een miljoen bezoekers per jaar. © Iwan Baan
Dave Mestdach
Dave Mestdach Chef film van Knack Focus

De Schreeuw van Edvard Munch heeft een nieuwe thuis, samen met nog 6500 andere kunstwerken – archieven niet meegerekend. Of hoe het nieuwe Nasjonalmuseet in Oslo het Louvre, of toch minstens het Rijksmuseum van het Hoge Noorden moet worden.

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Fjorden, bergen, Vikings, Henrik Ibsen, A-Ha en genoeg olie en gas om minstens nog een paar crisissen mee door te komen: dat hadden de Noren al. Maar een nationaal kunstinstituut waarmee ze hun Zweedse en Deense buren, én voormalige bezetters, naar de kroon kunnen steken? Dat ontbrak er voorlopig nog aan. Geen wonder dat er een parfum van patriottisme in de kraaknette straten van de hoofdstad Oslo hing, toen daar eindelijk het nieuwe Nasjonalmuseet de deuren opende. En dat na vele jaren van discussie, over het ontwerp, de financiën, de collectie en andere issues.

Die trots is terecht, en reken maar dat ze bij de toeristische diensten van Stockholm en Kopenhagen een gezicht trokken als dat opgeschrikte wezen uit De Schreeuw van Edward Munch, het meest iconische werk dat er te bewonderen valt. Het nieuwe megamuseum, waar zowel middeleeuwse Vikinghelmen, Noorse haute couture als een buste van keizer Nero en een zelfportret van Vincent van Gogh te zien zijn, is het kroonjuweel van wat Fjord City wordt genoemd. Dat is het prestigieuze en peperdure renovatieproject dat de oude havenkaaien van Oslo de afgelopen jaren niet alleen heeft omgetoverd tot een culturele hotspot, maar ook tot een trendy winkel- en woonbuurt. Tenminste, voor wie er warmpjes in zit.

Het Nasjonalmuseet heeft véél meer in petto dan Edvard Munch.

In 2008 opende het spectaculaire operagebouw, een ijsberg uit wit marmer en graniet met een publiek toegankelijk dak vanwaar je een prachtig panoramisch zicht hebt op de stad en zijn Oslofjord. Vorig jaar kwam daar MUNCH bij, een blits, twaalf etages tellend museum dat volledig is gewijd aan de beroemdste schilder die Noorwegen ooit voortbracht. En nu, met twee extra coronajaren vertraging, is er dus ook het Nasjonalmuseet for kunst, arkitektur og design, zoals het officieel in de taal van schrijver en Oslo-resident Karl-Ove Knausgaard heet.

In het gigantische complex werden de collecties van de vroegere Nasjonalgaleriet, het Museum voor Hedendaagse Kunst, het Noorse Nationaal Architectuurmuseum en het Museum voor Decoratieve Kunsten en Design ondergebracht. Plus een ruim 150.000 boeken tellende kunstbibliotheek, een auditorium, een bioscoop, een fotolab, workshopruimtes, een archief en – zo veel kunst kijken doe je het best niet op een lege maag – zelfs een conceptrestaurant.

In totaal beslaat het terrein langs de kades in het hart van Oslo, waar tot in de jaren tachtig een treinstation was, 54.600 vierkante meter, en met een oppervlakte van 13.000 vierkante meter aan expositieruimte, 6500 permanent tentoongestelde objecten, 90 zalen en 400.000 archiefstukken is het groter dan het Rijksmuseum in Amsterdam. Of het Guggenheim in Bilbao, om een hedendaagser referentiepunt te noemen.

Het Nasjonalmuseet, dat mikt op een miljoen bezoekers per jaar, moet Oslo dan ook definitief op de wereldkaart prikken als dé culturele metropool van het Noorden – en willen ze in Stockholm of Kopenhagen die claim nog counteren dan zullen ze straf uit de hoek moeten komen.

GRIJZE DOOS

Criticasters doopten het ontwerp van de Duitse architect Klaus Schuwerk – prijskaartje 6,1 miljard euro – de ‘grote, grijze doos’. En toegegeven, aan de buitenkant oogt het, toch in vergelijking met de opera en MUNCH, eerder discreet en zelfs een tikje saai, met zijn sobere façade uit grijze, Noorse leisteen, en zijn rigide lijnen. Alleen zit schoonheid, toch in dit geval, vooral vanbinnen. En vanboven. Boven op de ‘grote, grijze doos’, met haar eiken vloeren en bronzen fixeringen, staat een indrukwekkende lichthal, die bestaat uit glas en doorschijnend marmer. In die oase van licht zullen de tijdelijke tentoonstellingen worden gehouden, en kun je – in afwachting van expo’s over Piranesi en Louise Bourgeois – momenteel een plejade aan voorlopig nog onbekend, Noors kunsttalent ontdekken, onder de titel I Call It Art.

De Schreeuw van Edvard Munch moet dé publiekstrekker worden.
De Schreeuw van Edvard Munch moet dé publiekstrekker worden. © Getty Images

Wat sowieso kunst mag worden genoemd, zijn de vele schatten die zich op de beide verdiepingen van de grote, grijs doos bevinden. Vlaamse wandtapijten uit de renaissance, Chinese vazen uit de Mingdynastie, schilderijen van Monet, Cézanne, Picasso, Matisse en Renoir, de jurk waarmee de Noorse koningin Maud in het huwelijksbootje stapte… Het is er allemaal te zien, netjes chronologisch en thematisch gerangschikt. Het fraaie, functionele interieurontwerp is van de hand van de Florentijnse firma Guicciardini & Magni Architetti, en wordt gekenmerkt door verzorgde, soms dramatisch maar altijd keurig opgebouwde displays, met heldere teksten waar je geen diploma semiotiek voor nodig hebt.

Aan grote internationale namen geen gebrek. Maar de focus ligt uiteraard op Noorwegen, een jonge natie die pas in 1905 onafhankelijk werd. In de foyer word je verwelkomd door een tapijt van 400 rendierschedels die aan draden bungelen. Het is een indringend werk van kunstenares Maret Anne Sara dat verwijst naar de discriminatie van het Sami-volk, de inheemse inwoners van Lapland, in het noorden van Noorwegen. Zij zagen hun taal, territorium en gewoontes de afgelopen eeuwen wegrotten als dood rendiervlees. Als statement kan dat tellen, alsof de Noren al aan de ingang van hun nieuwe kunstpaleis een mea culpa slaan voor hun koloniale verleden, al is het natuurlijk makkelijker om woke te zijn na de feiten, wanneer je daar dankzij fossiele reserves financiële ruimte voor hebt.

NOORSE KUNST

De bekendste Noor in het Nasjonalmuseet is vanzelfsprekend Edvard Munch (1863-1944), de schilder van De Schreeuw en andere modernistische meesterwerken die als een ijspriem de menselijke conditie doorboren. De wereldberoemde Munch-zaal van de voormalige Nasjonalgaleriet, die momenteel leegstaat en op een herbestemming wacht, bevindt zich nu hier, met achttien topwerken en in een iets ruimere aankleding.

Je vindt er Munchs Madonna, waarin de schokkend naakte, niet zo Heilige Maagd in een rode aureool van pijn en genot lijkt te baden. Er is zijn indringende zelfportret met sigaret, waarin zijn spookachtig bleke gezicht oplicht uit een donkere, dreigende achtergrond. Er is Puberteit, waarin een pril tienermeisje de kijker schuw aankijkt, terwijl het bloot op bed zit en dreigt bezoedeld te worden door een sinistere schaduw.

© Reuters Pictures

En uiteraard is er De Schreeuw, die existentiële, in persoonlijk trauma en kronkelende lijnen gegoten oerkreet die ‘enkel door een gek kon worden gemaakt’. Munch schreef het er met potlood bij in de linkerbovenhoek, zoals recent onderzoek onthulde. Wat de Mona Lisa is voor het Louvre en de Nachtwacht voor het Rijks, is De Schreeuw voor het Nasjionalmuseet: dat iconische werk dat ook de toerist moet lokken die niet wekelijks de cultuurkaternen leest, en het liefst gewoon een selfie wil met dat schilderij dat eerder op miljoenen posters, T-shirts, totebags en Munch weet wat belandde. Trouwens: van zijn ‘hits’ maakte de Noorse expressionist vaak verschillende versies, in verschillende media, en het nabijgelegen MUNCH bezit er meer. Maar de originele schilderijen? Die vind je hier. Alleen al Munch maakt een bezoek aan het museum, geleid door Karin Hindsbo, meer dan waard. Maar het Noorse kunstpatrimonium heeft meer in petto dan die vreemde snuiter die gretig in zijn getormenteerde ziel pulkte. Véél meer. Het museum bezit een prachtige collectie van Christian Krogh, de negentiende-eeuwse realist die het leven van de gewone Noor in krachtige, tactiele stroken vastlegde. Er is een zaal gewijd aan pionier Harriet Backer, de eerste vrouw die in Noorwegen schilderkunst doceerde en faam verwierf met haar subtiel verlichte interieurs. Je passeert langs expressieve sculpturen van Gustav Vigeland, die in Oslo ook zijn eigen beeldenpark heeft, en langs Harald Sohlbergs lumineuze Winter Night in the Mountains, dat in een recente poppoll tot Noorwegens favoriete schilderij werd uitgeroepen. En dan zijn er, naast al die schilders en beeldhouwers, ook nog tal van gelauwerde Noorse designers, modeontwerpers en architecten.

CONTROVERSE

Het is een verzameling die zo uitgebreid en divers is dat zelfs een kunstminnend Vikingleger ze nauwelijks bijeen had kunnen roven. Al was dat strikt genomen niet nodig. Het museum, dat door de staat wordt gefinancierd maar een kwart van zijn inkomsten uit entrees hoopt te halen, beschikt ook over rijke mecenassen. De familie Fredriksen bijvoorbeeld, die haar kapitaal vergaarde in de olie-industrie. Ze toont een deel van haar continu uitbreidende collectie in de zogeheten pilarenzaal, een flexibele, witte kubus waar je werken vindt van Simone Leigh, Sheila Hicks en andere prominente hedendaagse kunstenaars, al zorgde die samenwerking wel voor controverse. Volgens sommigen geeft ze privécollectioneurs te veel inspraak in publieke aangelegenheden. Bovendien zou het fortuin van de familie deels aan Rusland gelinkt zijn, wat sinds de invasie van Oekraïne extra gevoelig ligt.

Het zijn ethische discussies waar ook dit nieuwe Noorse kunstpaleis niet aan ontsnapt, al belet dat je natuurlijk niet om te genieten van alle pracht die er uitgestald staat, en wie weet zelfs een selfie te scoren met De Schreeuw van Munch.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content