De twee partijen lijken tegenpolen van elkaar, maar het boek laat zien dat ze op talloze punten elkaars evenbeeld zijn. Om te beginnen leven de schrijver en zijn 'personages' aan de zijkant van de maatschappij. Dat heeft niet alleen te maken met de hedendaagse liberale samenleving, waarin schrijvers en zogenaamde allochtonen naar de marge verwezen worden, het gaat ook terug op hun achtergrond en afkomst. De titel en ondertitel van dit boek vormen meteen de openingszin: 'Het lag aan mijn opvoeding dat ik geen moeite had om Marokkaanse jongens van Molenbeek te accepteren.' De ik-verteller is opgegroeid in een communistisch gezin, wat hem in die tijd - toen het katholieke geloof nog dominant was - veroordeelde tot een geïsoleerd bestaan. Geloof en ongeloof spelen ook bij de Marokkaanse jongeren een isolerende rol. Hetzelfde geldt voor de economische status van die jongeren en de schrijver: ze draaien niet mee in de logica die geld verdienen gelijkschakelt met alle vormen van waarde en waardering.
...

De twee partijen lijken tegenpolen van elkaar, maar het boek laat zien dat ze op talloze punten elkaars evenbeeld zijn. Om te beginnen leven de schrijver en zijn 'personages' aan de zijkant van de maatschappij. Dat heeft niet alleen te maken met de hedendaagse liberale samenleving, waarin schrijvers en zogenaamde allochtonen naar de marge verwezen worden, het gaat ook terug op hun achtergrond en afkomst. De titel en ondertitel van dit boek vormen meteen de openingszin: 'Het lag aan mijn opvoeding dat ik geen moeite had om Marokkaanse jongens van Molenbeek te accepteren.' De ik-verteller is opgegroeid in een communistisch gezin, wat hem in die tijd - toen het katholieke geloof nog dominant was - veroordeelde tot een geïsoleerd bestaan. Geloof en ongeloof spelen ook bij de Marokkaanse jongeren een isolerende rol. Hetzelfde geldt voor de economische status van die jongeren en de schrijver: ze draaien niet mee in de logica die geld verdienen gelijkschakelt met alle vormen van waarde en waardering. Door die marginale positie horen de schrijver en de jongeren nergens thuis. Of preciezer: 'Ik heb me altijd thuis gevoeld waar ik niet thuishoorde. Dat was ook het gevoel dat ik met die Marokkaanse jongens in Molenbeek deelde.' De verteller ziet het leven als een toneelstuk waarin hij nauwelijks meer is dan een rekwisiet. La vie commence à Molenbeek is zijn poging om in dat drama de vulstukken voor het voetlicht te brengen. Je zou kunnen zeggen dat de marge een stem krijgt in het toneelspel en in dit boek, dat zoals al het werk van Hoste meerstemmig is. Niet alleen staat het boek vol dialogen, het wordt ook gepresenteerd door een zwerm van vertellers rond de centrale ik-figuur die Pol Hoste heet. Je hoort stemmen uit het heden en het verleden, zowel persoonlijke, bijvoorbeeld de geliefde grootmoeder van Hoste, als onpersoonlijke (de volksmond, de clichés). Je hoort verschillende talen - uiteraard het Frans, maar ook Duits - en je ontdekt dat klank betekenis voortbrengt, bijvoorbeeld in een dialoog over het IJzerfront: 'Wat is front? Het is stront.'Nergens leidt die veelstemmigheid tot verwarring. Het effect is eerder dat van een soepel verspringende uiteenzetting, een modulerende melodie vol nuances en omspelingen. Natuurlijk zijn de overgangen soms abrupt, maar je kunt ze altijd volgen door ze te verbinden met de rest van het verhaal. Zo is er Olivia, die haar been breekt en naar het ziekenhuis moet: 'Het werd de afdeling traumatologie. Het werd lijden en wachten. De geschiedenis van het wetenschappelijke denken. Tandheelkunde bij de oude Egyptenaren. Hoe bedwing je woede?' De schijnbaar rare gedachtesprongen passen perfect bij de thematiek van het boek. Bij de opvoeding - volgens de titel de schuld van veel (trauma's) - hoort de verwerving van kennis en wetenschap in scholen en universiteiten. De ik-verteller nuanceert en ironiseert die zogenaamde wijsheid, niet alleen door ze te confronteren met niet-schoolse vormen van begrijpen, door ze te vergelijken met pseudokennis (zoals de tandheelkunde bij de oude Egyptenaren, die meenden dat tandbederf veroorzaakt werd door tandworm), maar ook door ze te verbinden met de machtsstructuur, de sociale ongelijkheid die een rangorde in kennisvormen impliceert en die door de hiërarchie de woede (hier: van de lijdenden en wachtenden) probeert te bedwingen. De toon van Het lag aan mijn opvoeding is nergens pamflettistisch of brallerig. Het boek heeft eerder iets laconieks. De problemen van moraal, godsdienst, opvoeding, recht en rechtvaardigheid, passief en actief verzet komen voortdurend terug, maar niet in filosofische bespiegelingen, wel in korte en rake observaties. De eerste bladzijde van het boek zet de toon: 'Je kon op school zowel godsdienst als moraal volgen. Maar je moest wel kiezen. Ik koos moraal omdat ik dacht dat godsdienst immoreel was. Iets met oorlogen, brandstapels en vervolging. Al was moraal dat wellicht ook. In Rusland bijvoorbeeld of in Lokeren, in de villa waar ik opgroeide. In ieder geval vond ik mijzelf zo immoreel als mijn ouders, ook al was ik zo goed opgevoed als zij.' Geen wonder dat de jongen op school 'een min acht voor opvoeding' krijgt. Over ernstige zaken spreekt dit boek suggestief, soms via mooie beelden die op onverwachte plaatsen terugkeren (zoals 'een hyacint op een glas water'), soms via humoristische scènes, bijvoorbeeld wanneer Hostes grootvader van Christus de eerste socialist wil maken en als bewijs daarvoor de naam van de gekruisigde aanvoert: 'Jezus? Lees zijn echte naam. Hij staat op het kruis: Henri' - uiteraard een echo van 'Inri'. Zo illustreert de verteller de leugen die elke ideologie is, zonder te vervallen in abstracte kritiek. Hetzelfde gebeurt voor de talloze sociale kwesties die Hoste in dit boek aansnijdt, zoals de rol van de vrouw, de huidskleur en de sociale klasse. Ook de taal en de literatuur worden op dezelfde niet-prekende manier gethematiseerd. Het lag aan mijn opvoeding bevindt zich op het snijpunt van sociale, persoonlijke en literaire kwesties. Het is een maatschappelijke satire én een autobiografie van een schrijver. Het boek heeft veel te melden over de wereld en de literatuur, en het doet dat op een ongewone, briljante manier, met de soepele, uitnodigende verteltoon die Hoste sinds High Key (1995) tot zijn handelsmerk heeft gemaakt. Wars van drammerigheid en van enig moreel superioriteitsgevoel, brengt hij iets volstrekt unieks ten gehore, dat meteen veel zegt over onze tijd. Je moet natuurlijk wel oren hebben. Als een vrachtwagenchauffeur de verteller vraagt waarom hij schrijft, zegt hij: 'Het maakt geen lawaai, want ik wil niemand storen met wat ik denk. Dat is nergens goed voor.' Daarop volgt een hallucinant citaat uit het afwijzende rapport dat Hoste kreeg van Literatuur Vlaanderen, vroeger het Vlaams Fonds voor de Letteren, nu blijkbaar een avondschool voor eerste lezertjes. Het valt dus maar te hopen dat dit boek wel degelijk lawaai maakt en dat het heel wat lezers stoort.Bart Vervaeck