...

Daniel Mendelsohn (1960) groeide op in New York, studeerde in twee etappes klassieke talen en promoveerde in 1994 op Euripides. Geregeld doceert hij aan Amerikaanse en Italiaanse universiteiten, maar de meeste lezers kennen hem van zijn frequente bijdragen aan bladen als de New York Review of Books en The New Yorker, waarin hij schrijft over film, theater, literatuur en de klassieken, altijd met een scherp oog voor de actualiteit. In 2018 verscheen in Nederland de vertaling van Een Odyssee, een ontroerend boek naar aanleiding van een reis in het kielzog van Odysseus, die Mendelsohn samen met zijn hoogbejaarde vader ondernam. In 2019 publiceerde hij de bundel Ecstasy and Terror, twintig essays over uiteenlopende onderwerpen. Pijn en genot werd speciaal voor een Nederlandstalig publiek samengesteld, maar overlapt grotendeels met de Amerikaanse editie. De stukken verschenen eerder tussen 2002 en 2018, de meeste in NYRB, soms in iets andere vorm. De onderwerpen variëren van Sappho en keizer Augustus tot Oscar Wilde en Mad Men. Het laatste, en langste, stuk is een persoonlijk verhaal over ontluikende homoseksualiteit en de historische romans van Mary Renault.KlassiekenAl enkele decennia wordt overal in de westerse wereld aandacht besteed aan wat men de 'receptie' van de klassieken noemt, waarbij bestudeerd wordt hoe er in de loop der eeuwen is omgegaan met het zogenaamde erfgoed van de klassieke oudheid. Terwijl men in de negentiende eeuw nog voornamelijk geïnteresseerd was in de antieke 'bronnen', 'oorsprong' en 'invloed', verschoof het perspectief naar de latere kunstenaars, schrijvers en filosofen die geheel zelfstandig, zij het als kinderen van hun tijd, uit het verleden opvisten wat ze konden gebruiken. Ook in ons taalgebied is het voor classici niet ongebruikelijk geworden artikelen of hele boeken te wijden aan de Griekse en Latijnse elementen in het werk van, bijvoorbeeld, Joost van den Vondel, Herman Gorter, Hugo Claus en Cees Nooteboom, maar ook beeldende kunst, film, de game-industrie en fascistische architectuur worden niet veronachtzaamd. Vaak wekken dit soort studies de indruk enigszins krampachtig te willen bewijzen dat de klassieken niettegenstaande hun hoge ouderdom nog steeds een bron van inspiratie kunnen zijn, en dat de geanalyseerde objecten de moeite waard zijn omdat er iets Grieks of Romeins in wordt aangetroffen. Zo verwordt bestudering van de receptie tot subtiele propaganda voor gymnasiaal onderwijs, waarbij impliciet wordt aangenomen dat kennis van de Oude Wereld essentieel is voor een zinvol leven als intellectueel. Wat Daniel Mendelsohn doet is, gelukkig, iets totaal anders. Voor hem vormt de westerse cultuur een continuüm, waarin de hem dierbare klassieke auteurs, omdat ze nu eenmaal aan het begin stonden, weliswaar een onmisbaar element vertegenwoordigen, maar niet per definitie boeiender materiaal bieden om zich mee bezig te houden dan moderne literatuur, populaire cultuur of de hedendaagse tijdgeest. Hoewel hij ieder onderwerp dat hij aanpakt grondig bestudeert voordat hij er iets over durft te zeggen, is zijn methode eerder associatief en ontspannen dan systematisch. En wat de stukken vooral zo leesbaar maakt, is dat hij altijd de mens Mendelsohn erin betrekt, zodat hij voelbaar maakt wat het existentiële belang van lezen, kijken, denken en schrijven is. Zijn grondigheid is hier en daar overigens ronduit verbijsterend: hij deinst er niet voor terug alle afleveringen van Mad Men, Suits en Game of Thrones te bekijken en de complete Knausgård te lezen, ook al laten diens boeken hem volkomen koud. Misschien duidt dat op een uithoudingsvermogen dat vele classici kenmerkt, die er immers geen been in zien zich maanden te verdiepen in auteurs die uitsluitend gelezen worden omdat ze zo moeilijk zijn. De onderlinge verwevenheid van klassieke oudheid en de wereld om ons heen, of liever: de wijze waarop Mendelsohn die domeinen met elkaar associeert, komt fraai tot uitdrukking in essays over robots, Sappho, Vergilius' Aeneis en de Titanic. Zo begint het stuk over Sappho met de vondst, in 2012, van enkele papyrusfragmenten waarop nog onbekende versregels van de Lesbische dichteres bleken te staan. De briljante, in Oxford werkzame Amerikaanse classicus Dirk Obbink die het materiaal publiceerde, is in 2019 op non-actief gesteld wegens dubieuze transacties met papyri, maar die beschamende soap heeft Mendelsohn nog niet in zijn essay kunnen verwerken. Het zou een interessante toevoeging zijn geweest aan een beschouwing waarin stap voor stap alles wat we zeker dachten te weten over Sappho wordt ontmanteld - behalve de schoonheid van haar poëzie. Terecht constateert Mendelsohn dat nu juist de fragmentarische staat waarin haar werk is overgeleverd, een extra fascinatie vormt, omdat die - in de woorden van Thomas Habinek - ons herinnert aan 'de onvermijdelijke onvoltooidheid van de menselijke kennis en genegenheid'. Onze eigen Hans Faverey schreef ooit: 'Van Sapfo ben ik gaan houden / sinds de vernietiging / haar teksten heeft ingekort.' Zich onder meer baserend op de inleiding van André Lardinois (hoogleraar Grieks te Nijmegen) bij Sappho: A New Translation of the Complete Works (Cambridge 2014), laat Mendelsohn zien dat alle informatie die we over haar hebben steunt op selectieve en suggestieve lectuur van haar poëzie. Scherp en bondig is zijn bespreking van het bekendste fragment, waarin een vrouwelijke ik de greep op zichzelf verliest wanneer ze naar een mooi meisje kijkt - ze komt niet meer uit haar woorden, het wordt zwart voor haar ogen, ze valt flauw: Heel vernuftig geeft de spreker geen fysieke beschrijving van het meisje maar roept hij [dat moet 'zij' zijn] haar schoonheid op door nauwkeurig weer te geven wat voor effect zij op de beschouwer heeft; [...] naarmate de vermogens van de dichter het een voor een laten afweten in de overweldigende aanwezigheid van de door haar beminde, raakt de buitenwereld - het meisje, de man met wie ze praat - steeds verder uit beeld en verdwijnt die ook uit het gedicht, waardoor de spreker in een soort inwendige galmkamer achterblijft. Een inwendige galmkamer: dat is een mooi beeld voor wat er in dit nog altijd onthutsende gedicht gebeurt.Jezelf wordenMendelsohns eigen ervaringen en leesgeschiedenis spelen een grote rol in het essay over Vergilius' Aeneis, een epos dat zijn effectiviteit ontleent aan zijn onevenwichtigheid, die enerzijds tot ergernis leidt, maar anderzijds een perfect vehikel vormt voor de traumatische gebeurtenissen die het avontuur van Aeneas symboliseert. Mendelsohns gesprekken met Poolse Holocaust-overlevers leerden hem hoe je de Aeneis kunt lezen als verhaal over een overlevende die verlangt naar een nieuw vaderland en, gruwelijk genoeg, bereid is daarvoor opnieuw oorlog te gaan voeren. Wie je als mens ten diepste bent, en dat je jezelf nooit echt kan doorgronden, dat is het belangrijkste thema van Pijn en genot. Het duikt op in bijna alle essays, vooral waar personen, of personages, besproken worden wier complexiteit op, vaak onbewuste, innerlijke strijd wijst. Naast Sappho en Aeneas gaat het bijvoorbeeld om keizer Augustus, die in de aan hem gewijde roman van John Williams aan het einde van zijn leven tot het inzicht komt dat hij zijn imperium heeft gebaseerd op een misverstand. Mendelsohn ontleedt met empathische precisie het drama van de levens van enkele schrijvers die zonder het zelf te beseffen in hun werk iets blootgeven waarop ze zelf geen greep lijken te hebben, zoals Oscar Wilde, Virginia Woolf, Karl Ove Knausgård en Susan Sontag. Het mooie van deze essays schuilt hierin dat niet zozeer gesuggereerd wordt dat werk en leven elkaar verklaren, als wel dat een zorgvuldige lectuur die beide domeinen behoedzaam met elkaar in verband brengt, de leeservaring verrijkt. Mendelsohn doet iets vergelijkbaars met Mad Men, volgens hem een serie met rare plots, platte karakters en hypocriete hints naar cultuurkritiek, maar waarvan de esthetiek blijkbaar een mateloze fascinatie oproept, juist bij kijkers die de jaren vijftig en zestig niet bewust hebben meegemaakt. Hij verklaart dit vanuit het gegeven dat de bedenker van de serie, Matthew Weiner, zijn eigen jeugdherinneringen erin heeft verwerkt: dit is, zegt Mendelsohn, 'de manier waarop de wereld van de volwassenen er voor kinderen uitziet'. Het perspectief ligt, kortom, bij kinderen die op zoek zijn naar het leven van hun ouders uit de tijd dat ze zelf nog niet geboren waren. Ik weet niet of ik deze analyse overtuigend vind, maar ze zegt veel over de wijze waarop Mendelsohn kijkt en leest. Dat je geschiedenis bepalend is voor wie je wordt, komt het indringendst naar voren in het laatste essay, een uitvoerig memoir waarin de auteur terugkijkt op zijn jeugd. Hij vertelt hoe de romans van Mary Renault, die in de oudheid spelen, hem niet alleen hielpen zijn homoseksuele geaardheid onder ogen te zien, maar ook de kiem legden voor een levenslange liefde voor de Griekse literatuur. Als puber begon hij brieven te schrijven aan de inmiddels in Kaapstad woonachtige Renault, die zij welwillend, maar ook met een ironische distantie, beantwoordde. Hij identificeerde zich verregaand met enkele van haar personages. Toen hij, vele jaren na haar dood in 1983, in de New York Review een stuk schreef waarin hij refereerde aan de invloed die Renault op zijn leven had gehad, kreeg hij uit Zuid-Afrika post van oude vrienden van de schrijfster, die tot zijn verbazing van zijn bestaan wisten: hij was kennelijk de 'American boy' met wie Renault zo nu en dan correspondeerde. Het bericht leidde tot een reis van Mendelsohn en zijn vader naar Kaapstad, waar ze zich lieten onderdompelen in de persoonlijke wereld van Renault. Het opmerkelijke is echter dat hij daar inziet dat het contact met haar vrienden en het feit dat hij een paar manuscripten cadeau krijgt, hem niet nader brengen bij de vrouw die hij gehoopt had zo beter te leren kennen. 'Op dat moment besefte ik dat ik daar in Zuid-Afrika, op twaalfduizend kilometer van huis, een illusie najoeg. Ik had de Mary Renault die ik nodig had allang gevonden, al jaren geleden.' Wat hem aan haar bond, waren haar boeken.De vertalingAl deze prachtige stukken zijn, helaas, onder handen genomen door vertalers die vaak geen idee hebben waarover Mendelsohn het heeft, en ook de redactie, gesteld dat die de tekst nog onder ogen heeft gehad, heeft zitten slapen. Ergens 'wordt' een auteur enkele uitspraken in de mond gelegd. De voorlopers van Frankenstein zouden 'oudheidkundig' zijn, waar 'uit de oudheid' bedoeld wordt. 'Sapphisch' verschijnt als 'saffisch', 'Catilina' als 'Catalina', 'taciteïsch' is hier 'tacitiaans' en 'herodoteïsch' 'herodotiaans'. We moeten geloven dat Augustus' dochter Julia tijdens haar ballingschap een krant (journal)volschreef, wat natuurlijk een dagboek was, en dat de Griek Nicolaus van Damascus zijn biografie van Augustus in het Italiaans schreef. 'Eventual' wordt vertaald als 'eventueel', wat de komische mededeling oplevert dat Agrippa, als Augustus' eventuele schoonzoon, de keizer van kleinkinderen voorzag. Het woord epigram, dat in het Engels zoiets kan betekenen als 'bijtende oneliner' of 'flitsend aforisme', is in het Nederlands doodleuk weergegeven als 'epigram', zodat nu de indruk wordt gewekt dat Oscar Wilde de hele tijd puntdichten debiteerde. Engelse citaten in het stuk over Vergilius worden vertaald, maar het Spaans in een essay over de films van Almodóvar blijft onvertaald. In het stuk waarin A Little Life van Hanya Yanagihara met de grond gelijk wordt gemaakt, staan een heleboel overbodige voetnoten, terwijl bij andere stukken zinvolle annotatie node gemist wordt. En, ten slotte, ik merkte het al op, de titel van het boek heeft niets te maken met de inhoud ervan. Erg stompzinnig allemaal. Een zorgvuldig schrijver als Mendelsohn verdient een uitgever die een beetje zijn best doet. Zo moeilijk is dat toch niet? Piet Gerbrandy