In de context van de coronacrisis blijft de relatie tussen wetenschap en maatschappij voor controverse zorgen. Filosofen Ignaas Devisch en Patrick Loobuyck pleiten terecht voor meer afstand en voor ruimte voor maatschappelijk en politiek debat. Veel ruimte voor kritiek op het wetenschapsbedrijf zelf is er echter niet, zoals een scherp stuk van Maarten Boudry aantoont.

Boudry geeft terecht aan dat wetenschap een sociale en collectieve onderneming is, maar schermt virologen en epidemiologen niettemin af van kritiek van buitenaf. Zelfs academici getraind in een andere discipline zijn volgens hem 'amateurs' die niet begrepen hebben hoe wetenschappelijke inzichten tot stand komen. Met een schoenmaker-blijf-bij-je-leest-verhaal wordt een soort cordon sanitaire rond de medische wetenschap opgetrokken. Dat is nefast voor zowel het maatschappelijke debat als de wetenschap zelf. En de basis ervan is de onterechte idee dat wetenschap een volstrekt objectieve en neutrale activiteit is, die los staat van de maatschappelijke realiteit.

Wetenschapper blijf bij je leest? Dialoog aangaan met experts uit andere disciplines kan ook waardevol zijn.

In de loop van de negentiende en twintigste eeuw heeft de wetenschap zich ontwikkeld als een autonoom veld, afgeschermd met institutionele barrières zoals doctorstitels, aanstellingsprocedures en evaluatiecriteria voor onderzoek en onderzoekers. Dat is nodig, maar het belet niet dat de conceptuele en analytische kaders van wetenschappers bijna rechtstreeks maatschappelijke effecten sorteren. Het in de epidemiologie alom gebruikte SIR-model, dat een onderscheid maakt tussen mensen die vatbaar, besmettelijk en hersteld zijn, maakt het niet alleen mogelijk om het verloop van een epidemie te modeleren en tot voorspellingen te komen, het stuurt ook in de richting van een bepaald beleid - namelijk afstand houden en in het uiterste geval lockdown - terwijl het onderscheid tussen susceptible, infectious en recovered lang niet altijd duidelijk is. Zelf als je politiek boven wetenschap plaatst, dicteert de wetenschap dus ten dele al wat de maatschappelijke consequenties zijn.

Iets soortgelijks geldt voor het wetenschappelijk begrip van immuniteit. Buitenstaanders kennen inderdaad niet de techniciteit, maar ze kunnen wel vaststellen dat er veel onduidelijkheid bestaat over de ontwikkeling van antilichamen, de rol van T- en B-geheugencellen, het belang van kruisreactiviteit, en over manieren om de impact ervan op het spoor te komen. En aangezien ook hier geldt dat wetenschappelijke keuzes onvermijdelijk implicaties hebben voor het beleid - in dit geval de keuze tussen 'wachten op een vaccin' versus 'het virus gecontroleerd laten circuleren met het oog op de ontwikkeling van groepsimmuniteit' - is het niet meer dan logisch dat kritische burgers op die onzekerheid wijzen en zich in de discussie mengen. Dat is ook goed voor het onderzoek zelf, omdat bijvoorbeeld claims over het belang van de natuurlijke opbouw van het immuunsysteem en de beperkte impact van vaccins onderzoekers verplicht om dieper te graven en de analytische lens bij te stellen.

Wetenschap in actie

In principe zouden we erop moeten kunnen vertrouwen dat wetenschappelijk debat en peer-review processen ervoor zorgen dat de 'juiste' theorie het uiteindelijk haalt, maar zo eenvoudig is het niet. Om te beginnen is ook wetenschap zelf onderhevig aan de maatschappelijke context. In de negentiende-eeuw waren wetenschappelijke takken als de frenologie - waarin menselijke karaktertrekken werden afgeleid uit de vorm van de menselijke schedel - rechtstreeks verbonden met de toen heersende racistische en sociale stereotiepen. In de loop van de twintigste eeuw werd dit soort uitwassen rechtgezet, maar dat wil allerminst zeggen dat de vandaag heersende paradigma's helemaal los staan van culturele referentiekaders. Moderne geneeskunde is onlosmakelijk verbonden met een toenemende drang om controle te verwerven over de natuur, wat vertrekt van een scheiding tussen natuur en cultuur en tussen lichaam en geest.

Die bredere context bepaalt mee wat wordt onderzocht, hoe het onderzoeksobject wordt omschreven, welke causale verbanden er precies worden onderzocht, en welke methoden en modellen daarvoor worden gehanteerd. In theorie is dat goed, omdat het de relevantie van de wetenschap garandeert, maar veel mechanismen beletten tegelijk dat de uitgangspunten achter onderzoek worden uitgedaagd en bijgesteld. Naast toenemende autonomie heeft de wetenschappelijke wereld een proces van specialisering doorgemaakt, wat de blik vaak ook vernauwd heeft. Onderzoek dat peilt naar de mate waarin stress het immuunsysteem aantast heeft het moeilijker om autoriteit te verwerven, enerzijds omdat het samenwerking veronderstelt tussen twee verschillende faculteiten (geneeskunde en psychologie), anderzijds omdat denken in termen van biologische oorzaken domineert. Toenemende specialisatie en publicatiedruk zorgen er bovendien voor dat vaak in tijdschriften wordt gepubliceerd die een bepaalde 'school' vertegenwoordigen, waardoor het onderzoek wordt beoordeeld door peers die het conceptuele kader en de methoden van de auteur niet in vraag stellen. Het helpt wellicht mee verklaren waarom de meest onrealistische simulaties over het verloop van covid-19 toch gepubliceerd raakten.

Een daarmee verbonden factor is het belang van 'impact' in evaluatieprocedures. Tijdschriften worden gerangschikt volgens 'impactfactor', die wordt berekend op basis van het aantal keren dat er naar artikels uit het ene tijdschrift wordt verwezen (in voetnoot) in andere artikels (in andere tijdschriften). Dat is opnieuw mooi in theorie, maar het genereert druk op redacties om niet alleen te kijken naar de inhoud van het artikel, maar ook naar de mate waarin het aandacht zal krijgen. Voetnoten zijn de 'likes' en de 'retweets' van de wetenschapper. En zoals elke wetenschapper weet, kan je ook aandacht krijgen met een oppervlakkige en provocerende stelling die vervolgens wordt aangevallen door anderen. Een groot contrast met de status questionis vergroot de kans dat je artikel opvalt en wordt 'geciteerd'. Het leidt binnen de wetenschap zelf tot polarisering eerder dan consensus, te meer daar onderzoekers hun reputatie rond bepaald ideeën bouwen, en deze dus ook gaan beschermen.

Met betrekking tot fondsenwerving is de competitieve druk op wetenschappers zo mogelijk nog groter. Ook fondsen verwerf je immers niet alleen door robuuste onderzoeksresultaten voor te leggen, maar ook door spectaculaire resultaten voor te spiegelen, zodat er vaak een kloof bestaat tussen wat aan resultaten wordt beloofd en wat uiteindelijk wordt gerealiseerd. Met de fondsenwerving voor het ontwikkelen van vaccins is dat niet anders. Uiteraard speelt ook de reputatie (de 'excellentie') van een onderzoeker of een labo sterk mee in de beoordeling van een dossier, maar ook die reputatie hangt ten dele af van de 'impact', en die spoort zeker niet altijd met de mate waarin eerdere onderzoeksresultaten de tand des tijds hebben doorstaan.

Nood aan dialoog

Minstens een deel van de oplossing bestaat erin juist wél de dialoog aan te gaan met buitenstaanders en experts uit andere disciplines. Bij verrassend veel doorbraken in de geschiedenis van de biologie zijn onderzoekers betrokken die in een andere discipline getraind waren, tot en met de filosofie en de taalkunde. De zogenaamde 'vader van de genetica' Gregor Mendel (1822-1884) was een monnik (die ook wat filosofie en fysica had gestudeerd) die de fundamentele wetmatigheden van de overerving van genetische eigenschappen ontdekte toen hij in de tuin van zijn Augustijnenklooster experimenten deed met erwten. En hij is enkel maar het bekendste voorbeeld. Ook met betrekking tot Covid-19 kunnen amateurs invloed hebben, zoals dat het geval was met de Nederlandse opiniemaker Maurice de Hond, die het belang van aërosolen voor de transmissie van het virus op de agenda heeft gezet.

Dit is geen kwestie van 'zilveren kogels', waar Boudry zo smalend over doet, maar van het aanreiken van bredere of nieuwe perspectieven. Het lijkt mij in dat verband vruchtbaarder om het populaire Zweden niet als een afwijkend meetstation weg te zetten, maar te omarmen als een cruciale controlecasus die veel van het bestaande onderzoek uitdaagt. De recente revitalisering van onderzoek naar de rol van vitamine D in preventie tegen luchtwegeninfecties suggereert dat zelfs de ideeën van de orthomoleculaire geneeskunde of de oude wijsheden van onze grootouders (die ons daar levertraan voor gaven) niet te snel moeten worden weggehoond.

Om de oproep van Boudry om bij de eigen leest te blijven toch even te volgen: mijn eigen discipline wordt momenteel eveneens uitgedaagd door 'buitenstaanders' die vanuit politiek-maatschappelijke motieven de geschiedenis als wetenschap bevragen, met name door het voornemen van de Vlaamse regering om een Vlaamse canon te ontwikkelen. Binnen de gemeenschap van historici was de reactie meteen om de rangen te sluiten en er niet aan mee te doen, omdat zo'n canon een andere finaliteit heeft. Collega's kunnen getuigen dat ik mij daartegen heb verzet, omdat ik vind dat de dialoog aangaan op termijn vruchtbaarder is. Debat over de finaliteit van geschiedenis als wetenschap zorgt er immers voor dat we ook onze eigen paradigma's en assumpties bespreekbaar moeten maken (onze eigen 'vensters' als het ware), wat tot nieuwe inzichten en nieuwe benaderingen kan leiden.

Het debat over wetenschap moet met andere worden verder gaan dan de vraag wat er met de wetenschappelijke inzichten moet gebeuren en de idee dat veel inzichten voorlopig zijn. Het moet ook gaan over de paradigma's en de conceptuele kaders, de maatschappelijke implicaties daarvan en de institutionele mechanismen die deze in stand houden en versterken. Mijn ideaal is een interdisciplinaire dynamiek waarin wetenschappers voortdurend uitgedaagd worden, door collega's uit andere disciplines en zelfs door niet-wetenschappers - maatschappelijke groepen die met de wetenschappelijke inzichten geconfronteerd worden en er zich een mening over vormen. Wie weet wat voor goeds de coronacrisis op die manier nog oplevert.

In de context van de coronacrisis blijft de relatie tussen wetenschap en maatschappij voor controverse zorgen. Filosofen Ignaas Devisch en Patrick Loobuyck pleiten terecht voor meer afstand en voor ruimte voor maatschappelijk en politiek debat. Veel ruimte voor kritiek op het wetenschapsbedrijf zelf is er echter niet, zoals een scherp stuk van Maarten Boudry aantoont.Boudry geeft terecht aan dat wetenschap een sociale en collectieve onderneming is, maar schermt virologen en epidemiologen niettemin af van kritiek van buitenaf. Zelfs academici getraind in een andere discipline zijn volgens hem 'amateurs' die niet begrepen hebben hoe wetenschappelijke inzichten tot stand komen. Met een schoenmaker-blijf-bij-je-leest-verhaal wordt een soort cordon sanitaire rond de medische wetenschap opgetrokken. Dat is nefast voor zowel het maatschappelijke debat als de wetenschap zelf. En de basis ervan is de onterechte idee dat wetenschap een volstrekt objectieve en neutrale activiteit is, die los staat van de maatschappelijke realiteit. In de loop van de negentiende en twintigste eeuw heeft de wetenschap zich ontwikkeld als een autonoom veld, afgeschermd met institutionele barrières zoals doctorstitels, aanstellingsprocedures en evaluatiecriteria voor onderzoek en onderzoekers. Dat is nodig, maar het belet niet dat de conceptuele en analytische kaders van wetenschappers bijna rechtstreeks maatschappelijke effecten sorteren. Het in de epidemiologie alom gebruikte SIR-model, dat een onderscheid maakt tussen mensen die vatbaar, besmettelijk en hersteld zijn, maakt het niet alleen mogelijk om het verloop van een epidemie te modeleren en tot voorspellingen te komen, het stuurt ook in de richting van een bepaald beleid - namelijk afstand houden en in het uiterste geval lockdown - terwijl het onderscheid tussen susceptible, infectious en recovered lang niet altijd duidelijk is. Zelf als je politiek boven wetenschap plaatst, dicteert de wetenschap dus ten dele al wat de maatschappelijke consequenties zijn.Iets soortgelijks geldt voor het wetenschappelijk begrip van immuniteit. Buitenstaanders kennen inderdaad niet de techniciteit, maar ze kunnen wel vaststellen dat er veel onduidelijkheid bestaat over de ontwikkeling van antilichamen, de rol van T- en B-geheugencellen, het belang van kruisreactiviteit, en over manieren om de impact ervan op het spoor te komen. En aangezien ook hier geldt dat wetenschappelijke keuzes onvermijdelijk implicaties hebben voor het beleid - in dit geval de keuze tussen 'wachten op een vaccin' versus 'het virus gecontroleerd laten circuleren met het oog op de ontwikkeling van groepsimmuniteit' - is het niet meer dan logisch dat kritische burgers op die onzekerheid wijzen en zich in de discussie mengen. Dat is ook goed voor het onderzoek zelf, omdat bijvoorbeeld claims over het belang van de natuurlijke opbouw van het immuunsysteem en de beperkte impact van vaccins onderzoekers verplicht om dieper te graven en de analytische lens bij te stellen.In principe zouden we erop moeten kunnen vertrouwen dat wetenschappelijk debat en peer-review processen ervoor zorgen dat de 'juiste' theorie het uiteindelijk haalt, maar zo eenvoudig is het niet. Om te beginnen is ook wetenschap zelf onderhevig aan de maatschappelijke context. In de negentiende-eeuw waren wetenschappelijke takken als de frenologie - waarin menselijke karaktertrekken werden afgeleid uit de vorm van de menselijke schedel - rechtstreeks verbonden met de toen heersende racistische en sociale stereotiepen. In de loop van de twintigste eeuw werd dit soort uitwassen rechtgezet, maar dat wil allerminst zeggen dat de vandaag heersende paradigma's helemaal los staan van culturele referentiekaders. Moderne geneeskunde is onlosmakelijk verbonden met een toenemende drang om controle te verwerven over de natuur, wat vertrekt van een scheiding tussen natuur en cultuur en tussen lichaam en geest. Die bredere context bepaalt mee wat wordt onderzocht, hoe het onderzoeksobject wordt omschreven, welke causale verbanden er precies worden onderzocht, en welke methoden en modellen daarvoor worden gehanteerd. In theorie is dat goed, omdat het de relevantie van de wetenschap garandeert, maar veel mechanismen beletten tegelijk dat de uitgangspunten achter onderzoek worden uitgedaagd en bijgesteld. Naast toenemende autonomie heeft de wetenschappelijke wereld een proces van specialisering doorgemaakt, wat de blik vaak ook vernauwd heeft. Onderzoek dat peilt naar de mate waarin stress het immuunsysteem aantast heeft het moeilijker om autoriteit te verwerven, enerzijds omdat het samenwerking veronderstelt tussen twee verschillende faculteiten (geneeskunde en psychologie), anderzijds omdat denken in termen van biologische oorzaken domineert. Toenemende specialisatie en publicatiedruk zorgen er bovendien voor dat vaak in tijdschriften wordt gepubliceerd die een bepaalde 'school' vertegenwoordigen, waardoor het onderzoek wordt beoordeeld door peers die het conceptuele kader en de methoden van de auteur niet in vraag stellen. Het helpt wellicht mee verklaren waarom de meest onrealistische simulaties over het verloop van covid-19 toch gepubliceerd raakten.Een daarmee verbonden factor is het belang van 'impact' in evaluatieprocedures. Tijdschriften worden gerangschikt volgens 'impactfactor', die wordt berekend op basis van het aantal keren dat er naar artikels uit het ene tijdschrift wordt verwezen (in voetnoot) in andere artikels (in andere tijdschriften). Dat is opnieuw mooi in theorie, maar het genereert druk op redacties om niet alleen te kijken naar de inhoud van het artikel, maar ook naar de mate waarin het aandacht zal krijgen. Voetnoten zijn de 'likes' en de 'retweets' van de wetenschapper. En zoals elke wetenschapper weet, kan je ook aandacht krijgen met een oppervlakkige en provocerende stelling die vervolgens wordt aangevallen door anderen. Een groot contrast met de status questionis vergroot de kans dat je artikel opvalt en wordt 'geciteerd'. Het leidt binnen de wetenschap zelf tot polarisering eerder dan consensus, te meer daar onderzoekers hun reputatie rond bepaald ideeën bouwen, en deze dus ook gaan beschermen. Met betrekking tot fondsenwerving is de competitieve druk op wetenschappers zo mogelijk nog groter. Ook fondsen verwerf je immers niet alleen door robuuste onderzoeksresultaten voor te leggen, maar ook door spectaculaire resultaten voor te spiegelen, zodat er vaak een kloof bestaat tussen wat aan resultaten wordt beloofd en wat uiteindelijk wordt gerealiseerd. Met de fondsenwerving voor het ontwikkelen van vaccins is dat niet anders. Uiteraard speelt ook de reputatie (de 'excellentie') van een onderzoeker of een labo sterk mee in de beoordeling van een dossier, maar ook die reputatie hangt ten dele af van de 'impact', en die spoort zeker niet altijd met de mate waarin eerdere onderzoeksresultaten de tand des tijds hebben doorstaan. Minstens een deel van de oplossing bestaat erin juist wél de dialoog aan te gaan met buitenstaanders en experts uit andere disciplines. Bij verrassend veel doorbraken in de geschiedenis van de biologie zijn onderzoekers betrokken die in een andere discipline getraind waren, tot en met de filosofie en de taalkunde. De zogenaamde 'vader van de genetica' Gregor Mendel (1822-1884) was een monnik (die ook wat filosofie en fysica had gestudeerd) die de fundamentele wetmatigheden van de overerving van genetische eigenschappen ontdekte toen hij in de tuin van zijn Augustijnenklooster experimenten deed met erwten. En hij is enkel maar het bekendste voorbeeld. Ook met betrekking tot Covid-19 kunnen amateurs invloed hebben, zoals dat het geval was met de Nederlandse opiniemaker Maurice de Hond, die het belang van aërosolen voor de transmissie van het virus op de agenda heeft gezet.Dit is geen kwestie van 'zilveren kogels', waar Boudry zo smalend over doet, maar van het aanreiken van bredere of nieuwe perspectieven. Het lijkt mij in dat verband vruchtbaarder om het populaire Zweden niet als een afwijkend meetstation weg te zetten, maar te omarmen als een cruciale controlecasus die veel van het bestaande onderzoek uitdaagt. De recente revitalisering van onderzoek naar de rol van vitamine D in preventie tegen luchtwegeninfecties suggereert dat zelfs de ideeën van de orthomoleculaire geneeskunde of de oude wijsheden van onze grootouders (die ons daar levertraan voor gaven) niet te snel moeten worden weggehoond.Om de oproep van Boudry om bij de eigen leest te blijven toch even te volgen: mijn eigen discipline wordt momenteel eveneens uitgedaagd door 'buitenstaanders' die vanuit politiek-maatschappelijke motieven de geschiedenis als wetenschap bevragen, met name door het voornemen van de Vlaamse regering om een Vlaamse canon te ontwikkelen. Binnen de gemeenschap van historici was de reactie meteen om de rangen te sluiten en er niet aan mee te doen, omdat zo'n canon een andere finaliteit heeft. Collega's kunnen getuigen dat ik mij daartegen heb verzet, omdat ik vind dat de dialoog aangaan op termijn vruchtbaarder is. Debat over de finaliteit van geschiedenis als wetenschap zorgt er immers voor dat we ook onze eigen paradigma's en assumpties bespreekbaar moeten maken (onze eigen 'vensters' als het ware), wat tot nieuwe inzichten en nieuwe benaderingen kan leiden. Het debat over wetenschap moet met andere worden verder gaan dan de vraag wat er met de wetenschappelijke inzichten moet gebeuren en de idee dat veel inzichten voorlopig zijn. Het moet ook gaan over de paradigma's en de conceptuele kaders, de maatschappelijke implicaties daarvan en de institutionele mechanismen die deze in stand houden en versterken. Mijn ideaal is een interdisciplinaire dynamiek waarin wetenschappers voortdurend uitgedaagd worden, door collega's uit andere disciplines en zelfs door niet-wetenschappers - maatschappelijke groepen die met de wetenschappelijke inzichten geconfronteerd worden en er zich een mening over vormen. Wie weet wat voor goeds de coronacrisis op die manier nog oplevert.