Walter Pauli analyseert: Verkiezingen zonder focus, stemmen op instinct

Van links naar rechts: Wouter Beke, John Crombez, Bart De Wever, Gwendolyn Rutten, Peter Mertens, Meyrem Almaci en Tom Van Grieken © Belga Image
Walter Pauli

Zondag wacht de burgers van dit land een stembusgang die het slachtoffer lijkt van partijpolitiek geharrewar. Een stand van zaken aan de vooravond van belangrijke verkiezingen.

Het land was de voorbije weken toeschouwer van een merkwaardige verkiezingscampagne. De echte campagne kwam pas na 1 mei op gang, en heeft dus relatief kort geduurd. Tegelijk was de regering-Michel al in december vorig jaar gevallen over het Marrakeshpact, en waren er in januari en februari de eerste grote klimaatmarsen. Al die discussies en debatten werden, maanden vooraf al, bekeken en beoordeeld door de bril van 26 mei. En dat terwijl de gemeenteraadsverkiezingen van de herfst van vorig jaar nog in de kleren zaten van de partijen, maar ook van het publiek. Nog voor de campagne echt begonnen was, was er zowel in de Wetstraat als in de Dorpsstraat een zekere saturatie aan electoraal nieuws, verkiezingsopbod en de onvermijdelijke opgefokte sfeer.

Bovendien is de context natuurlijk apart: er worden parlementsverkiezingen georganiseerd in een land zonder echte regeringen. Het aftredende kabinet-Michel is al vijf maanden ‘in de lopende zaken’, de minister-president van de Vlaamse regering is netjes bedankt voor bewezen diensten, en de twee kandidaat-minister-presidenten (N-VA’er Bart De Wever en CD&V’er Hilde Crevits) laten niet in hun kaarten kijken over wat en wie ze na de verkiezingen willen. Maar de samenstelling van de coalitie bepaalt natuurlijk de politieke lijn van de nieuwe Vlaamse regering. Zolang daarover geen begin van duidelijkheid bestaat, wordt de Vlaamse kiezer geacht om te stemmen voor politieke projecten waarop hij niet eens zicht heeft.

De Vlaamse kiezer wordt geacht om te stemmen voor politieke projecten waarop hij niet eens zicht heeft.

Dat is merkwaardig, want tot nu toe was de keuze meestal erg duidelijk. In 2014 stemden we in essentie voor of tegen de regering-Di Rupo, voor of tegen het alternatief dat Bart De Wever bood. In 2007 had Yves Leterme (CD&V) zich opgeworpen als de uitdager van Guy Verhofstadt (Open VLD) en was Brussel-Halle-Vilvoorde het centrale thema. In 2003 wilde Paars het politieke monopolie van de oude CVP/CD&V definitief breken enzovoort.

Hoe vandaag de kaarten liggen, wordt het best geïllustreerd door de kranten die dit verkiezingsweekend in de kiosk liggen. Van Het Laatste Nieuws tot De Standaard, van De Morgen tot Het Nieuwblad: zonder uitzondering worden de programma’s en de kandidaten van de partijen naast elkaar geplaatst – wat heeft wie te zeggen, wat zijn redenen om op hem of haar te stemmen? Het accentueert het beeld van verkiezingen als de keuze die we ook dit weekend zullen maken voor het wijnrek in de supermarkt. Rood of wit zijn de basisopties, maar er zijn nog de rosés en de bubbels. In elk van die kleuren heb je een groot aanbod aan smaken die tegelijk grondig verschillen (ook in prijs) en heel erg op elkaar lijken. En men kan zich afvragen: zou de keuze van deze of gene fles écht bepalend zijn voor het welslagen van de maaltijd?

Als de partijen zelf geen duidelijk aanbod hebben, zal bij de uiteindelijke keuze het buikgevoel van de kiezer zwaarder doorwegen dan anders.

Waar staan de partijen voor?

Natuurlijk, uit de programma’s moeten de kiezers maar afleiden wat de partijen zelf willen. Maar waar staan ze echt voor? Wilfried Martens (CD&V) deed ooit de belofte dat de besparingen nodig waren om tot een beter België te komen: ‘Het einde van de tunnel is in zicht.’ Jean-Luc Dehaene (CD&V) vroeg vertrouwen om die aanpak verder te zetten: ‘De tocht is lang, de gids ervaren.’ Louis Tobback (SP.A) stond garant voor ‘uw sociale zekerheid’. Steve Stevaert (SP.A) stond voor een consequent doorgetrokken gezellig socialisme, met het gratisverhaal als kers op de taart. In 2010 twijfelde geen mens eraan – ook geen Franstalige – dat het Bart De Wever (N-VA) menens was met ‘verandering’.

En vandaag? Wat staat Open VLD voor? Voor een daadkrachtige politiek, zoals Maggie De Block ‘bewees’ met de schoonmaak van het Noordstation – tot bleek dat diezelfde transmigranten opnieuw samentroepen in het omineuze Maximiliaanpark, goed honderd meter verderop. Waar is de verandering van De Wever? Vandaag waarschuwt de N-VA vooral voor het gevaar van een links blok in Wallonië – stel dat die voldoende bondgenoten vinden in Vlaanderen, dan zal zo’n nieuwe linkse coalitie het beleid van de voorbije jaren… veranderen. Vandaag wijst de N-VA op het gevaar van verandering, en hamert de partij in essentie op continuïteit van het beleid.

Het was opvallend dat de onderscheiden ‘hoogtepunten’ in de voorbije verkiezingscampagne altijd momenten waren waarbij een politicus een ander onderuit kon halen.

SP.A-voorzitter John Crombez kreeg pas waardering toen hij Bart De Wever in verlegenheid kon brengen met het N-VA-programma.

Groen kwam vooral in het nieuws als de partijkopstukken er niet in slaagden om adequaat te reageren op aanvallen op haar voorstellen: de compensatie van de afschaffing van de tankkaarten en de salariswagens, of het voorstel om wijn- en boekencollecties mee in rekening te brengen bij een vermogensbelasting.

Jean-Marie Dedecker bewees zijn onafhankelijkheid (hij is in West-Vlaanderen ‘onafhankelijk lijstduwer’ op de N-VA-Kamerlijst) met beenharde kritiek op de kilometerheffing van N-VA-verkeersminister Ben Weyts: prompt loosde de N-VA een voorstel dat men zelf de jaren voordien had verdedigd: ‘Er is geen draagvlak voor.’

De CD&V werd aangepakt via justitieminister Koen Geens, en de vraag of het gerecht de moord op Julie Van Espen niet had kunnen verhinderen door vooraf adequater op te treden tegen dader Steve Bakelmans? Geens bleef zitten, in tegenstelling tot zijn partijgenote Joke Schauvliege. Zij werd al in februari gedropt als milieuminister. Omdat haar positie onhoudbaar was geworden na een onhandige leugen, maar ook omdat de aanhoudende kritiek op haar beleid en aanpak afstraalde op de hele CD&V.

De SP.A kreeg het verwijt dat haar pensioenplannen compleet onbetaalbaar zijn, en Vincent Van Quickenborne (Open VLD) rekende met enig genoegen uit dat het SP.A-voorstel voor een solidariteitsbijdrage van de hoogste pensioenen ook betaald zal worden door een aantal politiemannen en leerkrachten in het secundair onderwijs.

Als verkiezingen verlopen in een sfeer van negativisme, hoeft het dan te verwonderen dat het VB voor sommigen aantrekkelijker wordt?

Het VB hamert er met tientallen persberichten en honderden tweets op hoe weinig uitzettingen er zijn gebeurd met Theo Francken (N-VA) op Asiel en Migratie. Francken triomfeerde op zijn beurt toen hij op een tv-debat Tom Van Grieken in zijn hemd zette omdat bleek dat de VB’er geen idee had hoe hij zijn stoere migratiestop in de praktijk zou doorvoeren.

Tegelijk voerde de N-VA de hele campagne lang de groene politicus Kristof Calvo op als een karikatuur van zichzelf: een akelige, onrijpe nerd die even weinig confidentie uitstraalt als stripfiguren à la Beavis and Butthead.

Het negativisme stopt niet aan de taalgrens: PS-voorzitter Elio Di Rupo vond zelfs dat zijn N-VA-collega Bart De Wever voor het gerecht moet verschijnen na zijn uitspraken over de Antwerpse samenwerking met ‘AirFrancken’.

Illustratief voor het hele sfeertje was de titel boven het dubbelinterview in De Tijd vorig weekend met de vrouwelijke partijvoorzitters Gwendolyn Rutten (Open VLD) en Meyrem Almaci (Groen): ‘Groen is een belastingpartij’ – ‘Open VLD is N-VA-light’. Dat primeerde, bij alle partijen: de concurrentie verdacht maken en zo onderuithalen.

Dat leidt tot een politiek klimaat waarin de kiezer voortdurend duidelijk gemaakt wordt hoe slecht, spilziek, inconsequent, immatuur of weinig ambitieus de verschillende partijen wel zijn. U moet in het stemhokje uw voorkeur uitspreken voor de minst slechte partij. Benieuwd tot welke dynamiek dat kan leiden.

Misschien is dat ook de reden waarom zo veel waarnemers, zo veel politici vrezen wat ook de laatste peilingen lijken te bevestigen: dat dit land opnieuw afstevent op een Zwarte Zondag. Sinds de verkiezingen van november 1991 is dat Wetstraatjargon voor een grote overwinning van het Vlaams Blok/Vlaams Belang (VB). Dat heeft natuurlijk te maken met de terreuraanslagen, de immigratie, de vrees voor de islam en de identitaire discussies. Maar misschien ook met een algemene maatschappelijke sfeer. Als verkiezingen verlopen in een sfeer van negativisme, waarbij zelfs regeringspartijen niet meer echt het regeerbeleid verdedigen, hoeft het dan te verwonderen dat de aantrekkingskracht verhoogt van de partij die principieel negatief staat tegen het land en zijn instellingen, tegen ‘de politiek’ tout court?

Coalities allerhande

Hoogst paradoxaal aan dat klimaat van ‘iedereen tegen’ is dat alle partijen staan te popelen om daags ná de verkiezingen ‘voor’ te kunnen zijn. Het blijft een merkwaardig gegeven na een legislatuur waarin ook de regeringspartijen vooral oppositie voerden tegen elkaar, dat alle partijen staan te dringen om vooral niet… naar de oppositie te worden verwezen.

Ook de oppositiepartijen Groen en SP.A willen in de regering. Voor de SP.A is dat al langer zo. De voorbije jaren hebben geleerd dat SP.A’ers van deze generatie genetisch niet meer in staat zijn tot gedegen, consequent volgehouden oppositie, alsof protesteren en de organisatie van een tegenmacht geen echte opdracht meer zijn voor moderne socialisten. ‘Je n’ai pas appris le marxisme dans les livres, mais dans la misère’, liet Louis Tobback ooit optekenen, en dat het fundamentele verschil tussen hem en bevriende christendemocraten zoals Jean-Luc Dehaene erin bestond dat een socialist vooruit gedreven werd door ‘de gave van de verontwaardiging’, veel meer dan door de wens om ‘de boel samen te houden’. De SP.A wil er zo graag bij zijn, het liefst natuurlijk in een linkse regering, maar als het moet met om het even wie van de andere partijen. Ook met de N-VA.

Ditmaal solliciteert ook Groen uitdrukkelijk naar een plaats aan de regeringstafel. Het Nieuwsblad berichtte vorige week al dat Groen zijn onderhandelingsteams aan het samenstellen was voor de Vlaamse en de federale regeringsvorming, en wie daarin welke rol zal spelen. De N-VA zit in de Kamer in de oppositie, maar heeft met Jan Jambon een kandidaat-premier naar voren geschoven. Ook Gwendolyn Rutten heeft die ambitie uitgesproken. En John Crombez heeft zijn CD&V-collega Wouter Beke al op het schild gehesen: ‘Wouter Beke maakt het meeste kans om in een linkse coalitie premier te worden.’

Anders dan bij vorige verkiezingen worden de meest bonte lijstjes opgesomd, alsof het echt niet uitmaakt wie met wie een regeerakkoord afsluit.

Linksom en rechtsom: die twee Nederlandse politieke begrippen hebben ook in Vlaanderen school gemaakt. Net omdat geen enkele partij écht in haar papieren laat kijken, en net omdat alle partijen staan te springen om er straks bij te zijn, en het liefst op elk niveau (federaal, Vlaams en als het kan ook in Brussel) staan de kranten vol met lijstjes van welke coalities kunnen, en welke niet. Anders dan bij vorige verkiezingen worden de meest bonte lijstjes opgesomd, alsof het echt niet uitmaakt wie met wie een regeerakkoord afsluit. Dat is natuurlijk het gevolg van het Antwerpse manoeuvre van Bart De Wever, die in de herfst van vorig jaar ineens de hand reikte naar de SP.A, een partij die hij tot dan als aartsvijand had afgeschilderd. Nu dringt zelfs oud-minister Mieke Vogels erop aan dat Groen vooral geen veto mag stellen tegen deN-VA.

Het gewicht van PVDA

Kiezers die een principiële oppositiestem willen laten horen, kunnen dus alleen terecht bij de twee uitersten van het politieke spectrum: uiterst rechts het VB, uiterst links de PVDA. Volgens de jongste peilingen is de kans groot dat beide partijen samen ongeveer 20 procent van de Vlaamse stemmen zullen aantrekken: ongeveer 15 voor het VB, ongeveer 5 voor de PVDA. Het is voor één would-beregeringspartij nog veel belangrijker dan voor de anderen: de N-VA.

Dat is het grote belang van de kleinste partij. Het feit of de PVDA met een score van rond de 5 procent een zetel (federaal) of zetels (Vlaams) binnenhaalt, bepaalt mee de regeringsvorming. Los van de linkse dynamiek die de aanwezigheid van PVDA’ers in de Kamer of het Vlaams Parlement zou kunnen teweegbrengen, zal hun aanwezigheid toch met ingehouden vreugde onthaald worden door… Bart De Wever. Hoe paradoxaal het ook klinkt: elke PVDA-zetel erbij betekent straks bij de regeringsvormingen namelijk een extra stukje zekerheid voor de N-VA. Als de N-VA ongeveer 30 procent behaalt – en Bart De Wever laat niet na op dat getal te hameren -, dan staat of valt de vorming van de Vlaamse en wellicht ook van de federale regering met de zetels (of stemmen) van N-VA, VB én PVDA. Als die zetels (en stemmen) meer dan de helft plus één bedragen, is er namelijk geen alternatief mogelijk zonder de N-VA, want er is geen enkele andere partij die eraan denkt om met het VB of de PVDA te regeren. Als de PVDA geen zetel behaalt in Vlaanderen, heeft dat ook een effect: dan zijn een pak linkse stemmen ‘dood kapitaal’ – met excuses de beeldspraak. In Limburg, bijvoorbeeld, zou de PVDA volgens een peiling van Het Belang van Limburg 5 procent van de stemmen behalen, maar desondanks geen (Kamer)zetel kunnen veroveren. Hoe dan ook stelt de aanwezigheid van de PVDA de Vlaamse linkerzijde voor vragen en dilemma’s die er tot deze campagne eigenlijk nog niet waren.

Het feit of de PVDA een zetel (federaal) of zetels (Vlaams) binnenhaalt, bepaalt mee de regeringsvorming.

Nog zo’n merkwaardige ontwikkeling: de regeringsvorming. Die hangt rechtstreeks samen met de ontwikkeling naar samenvallende verkiezingen – sinds 2014 vallen Vlaamse, federale en Europese verkiezingen om de vijf jaar samen. De vraag naar samenvallende verkiezingen was groot, want het voorbije decennium had de Wetstraat meer dan tien jaar lang in bijna-permanente verkiezingskoorts geleefd: er waren verkiezingen in 1999 (federaal, Vlaams, Europees), 2002 (gemeente), 2003 (federaal), 2004 (Vlaams, Europees), 2006 (gemeente), 2007 (federaal), 2009 (Vlaams Europees) en 2010 (federaal) geweest. Tegenstanders van de samenvallende verkiezingen bevonden zich vooral in het Vlaams-nationalistische kamp. Men vermoedde dat er een verdoken belgicistische agenda achter zat. De federale regeringsvorming zou dominant zijn op de regionale varianten, en er zou gewild of ongewild gestreefd worden naar gelijklopende coalities met dezelfde partijen in de federale meerderheid en de regionale coalities. Dat zou tegengesteld zijn aan de regionale dynamiek, zei men, waarbij Vlaanderen rechtser moest kunnen zijn dan Wallonië en Brussel. Merkwaardig genoeg heeft de PS in 2014 zelf die logica ontmijnd, door zonder veel ruggespraak een linkse Waalse regering te vormen, waardoor vooral de CD&V geen enkele belemmering meer voelde om níét mee te werken aan een centrumrechtse Vlaamse regering.

Wie wordt premier?

Sindsdien zijn de verhoudingen omgekeerd, en dat zal de volgende weken duidelijk worden. In principe zullen maandag, gelijktijdig en parallel, federale en regionale regeringsvormingen opgestart worden. Koning Filip zal de federale kopstukken uitnodigen, in Vlaanderen zal de voorzitter van de grootste partij het initiatief nemen – meer dan waarschijnlijk is dat Bart De Wever, die als kandidaat-minister-president meteen (in)formateur kan zijn voor zijn eigen regering. Er is geen twijfel dat in Wallonië PS-voorzitter Elio Di Rupo even voortvarend zal beginnen aan een eigen regering.

Intussen kan koning Filip rondjes draaien, een informateur benoemen, diens rapport afwachten enzovoort. Maar: de politieke dynamiek vertrekt bij de vorming van de Vlaamse, Waalse (en Brusselse) regering. Het is een kleine copernicaanse revolutie van de regio’s ten opzichte van de federale, Belgische overheid, en ze is gang getrokken door de Waalse socialisten. Dat betekent haast wetmatig dat de kans groot is dat de federale regering een andere samenstelling heeft dan een van de twee belangrijkste regionale regeringen, de Vlaamse of de federale. Er zijn plechtige verklaringen van nagenoeg alle Franstalige partijen (op de MR na) dat ze níét wensen samen te regeren met de N-VA. Maar als de andere Vlaamse partijen (en hier duikt weer het belang op van het gecombineerde zetelaantal van VB en PVDA) in de Kamer géén Vlaamse meerderheid hebben, zal er toch gepraat moeten worden.

Het ontbreekt aan een geloofwaardige kandidaat-premier: een belangrijke politicus van een leidende partij die in het hele land wordt aanvaard.

Gwendolyn Rutten heeft al gezegd dat zij een federale regering met een minderheid aan zetels in de Nederlandstalige taalgroep geen probleem vindt, maar belangrijke CD&V’ers als Wouter Beke en Pieter De Crem hebben die mogelijkheid principieel uitgesloten. Als de CD&V daaraan zou vasthouden, is de zaak duidelijk: dan komt er een federale regering met de N-VA erbij, of helemaal geen federale regering.

In elk geval ontbreekt het nu al (of: nu nog) aan een geloofwaardige kandidaat-premier: een belangrijke politicus van een leidende partij die in het hele land wordt aanvaard. De kandidatuur van Jan Jambon (N-VA) stuit op hevige Franstalige veto’s. Elio Di Rupo zal wel ambitie hebben, maar onderschat de Vlaamse weerstand tegen zijn persoon. De kandidaat van Gwendolyn Rutten wordt in het beste geval alleen door haarzelf ernstig genomen, de pseudokandidatuur van Kristof Calvo is door de N-VA gelanceerd om hem te schaden. Charles Michel wil zichzelf graag opvolgen, maar dan moet de MR toch dé verrassing van de verkiezingen worden, en oneindig beter doen dan de 18 procent uit de peilingen. Maar wie anders? Wouter Beke? Alexander De Croo? Paul Magnette?

En in Europa?

Bij al die federale en Vlaamse beschouwingen zou de kiezer haast vergeten dat er ook nog Europese verkiezingen zijn. Zoals de nieuwe Open VLD-kandidate Alicja Gescinska het terecht opmerkte: het zijn de belangrijkste Europese verkiezingen sinds 1979, de eerste keer dat het Europees Parlement rechtstreeks werd verkozen. Alleen leeft dat in België niet zo.

De Europese verkiezingen zijn gedegradeerd tot een soort provincieraadsverkiezingen: een bijkomstigheid, goed voor de verkaveling van wat extra macht in perifere beslissingsgebieden, maar geen ernstig te nemen uiting van de soevereine volkswil. Zelfs de geïnteresseerde burger moest al zijn best doen om goed geïnformeerd te zijn over de Europese programma’s van de Vlaamse partijen en de specifieke kwaliteiten en engagementen van de onderscheiden kandidaten.

De Europese verkiezingen zijn gedegradeerd tot een soort provincieraadsverkiezingen.

Ook de media hebben hieraan debet. Guy Verhofstadt (als ex-premier), Kris Peeters (als ex-vicepremier) en Geert Bourgeois (als aftredend minister-president) zijn de vaste gasten, af en toe aangevuld met Petra De Sutter (Groen). Een waardevolle kandidaat als Jan Cornillie (tweede op de SP.A-lijst, dus een strijdplaats) is de voorbije cruciale maand voor de verkiezingen twéé keer in de verzamelde Vlaamse media geraakt. Lijsttrekker Kathleen Van Brempt doet amper beter. Of Cindy Franssen. U kent haar wellicht niet, maar de vrouw is Vlaams volkvertegenwoordigeren staat tweede op de Europese CD&V-lijst: zonder ongeluk raakt ze verkozen en vertegenwoordigt ze straks u en mij in het Europees Parlement. In de gedrukte pers is ze de voorbije maand… nul keer opgedoken met haar Europese ‘verhaal’. Nul. Er worden mensen verkozen voor niet onbelangrijke functies zonder dat iemand er erg in heeft.

Bij de N-VA is het zo mogelijk nog erger. Op de N-VA-site hebben twee kandidaten voor het Europees Parlement, Caroline De Meerleer (vijfde plaats effectief) en Elisabeth Alteköster (zesde plaats effectief) zelfs geen biootje ingediend waarin ze de kiezer uitleggen wat hun plannen en verwachtingen zouden zijn, zo men hen zou verkiezen. Wie doorklikt, komt zowel in het geval van De Meerleer als van Alteköster op dezelfde generieke N-VA-pagina uit. Het eerste thema, ‘veilligheid’, voor kandidaat Europees Parlementsleden (!) wordt daar als volgt omschreven: ‘Bij veiligheid denk je wellicht aan betere fietspaden voor jou en je kinderen. Of aan goed werkende straatverlichting en vlot bereikbare hulpdiensten. Misschien denk je aan een lik-op-stukbeleid en camera’s tegen straffeloosheid en radicalisering. De N-VA denkt aan al die dingen.’

Er worden mensen verkozen voor niet onbelangrijke functies zonder dat iemand er erg in heeft.

Als Europese kandidaten het al niet nodig vinden om hun kandidatuur een béétje te verantwoorden, is dat vooral een illustratie van het geringe belang dat de partijen zelf aan de Europese verkiezingen hechten. Nochtans zal de volgende jaren op Europees niveau (en dus ook in het Europees Parlement) gebikkeld worden over de grote vraagstukken van deze tijd. Het wordt duwen en trekken in Europa aan ontwikkelingen die ook het leven in Vlaanderen zullen bepalen: immigratie, klimaat, sociaaleconomisch beleid, internationale (on)veiligheid, welvaart. Ook dat is een belangrijk prijs van de samenvallende verkiezingen.

Het kan natuurlijk nog altijd erger, en misschien wordt het dat ook. In de lente van 2024, dus over vijf jaar, zijn er normaal gezien niet alleen verkiezingen voor de Kamer, het Europees Parlement en de regionale assemblees, zoals het Vlaams Parlement. In oktober komen er ook nog eens de lokale verkiezingen bij, gemeenteraadsverkiezingen en – als ze nog bestaan – provincieraadsverkiezingen. Zeker, de federale regering kan voortijdig vallen, en mogelijk worden er dan nieuwe verkiezingen uitgeschreven. En de Kamer zou de komende ambtstermijn gebruik kunnen maken van haar grondwettelijke recht om een bijzondere wet goed te keuren die de gemeenschaps- en gewestparlementen toelaat om zelf hun verkiezingskalender te bepalen. Maar als dat niet gebeurt, dan doen de politieke partijen er goed aan om de volgende vijf jaar zichzelf te overtreffen om er wél iets van te maken, ongeacht of dat vanuit de regering of vanuit de oppositie is.

Wie over vijf jaar met slechte papieren voor de kiezer verschijnt, wacht mogelijk een akelig hard verdict van de kiezer, en een oplawaai op alle niveaus. Misschien is dat nog de beste reden voor de partijen van dit land om er voluit ‘voor’ te gaan.

Partner Content