Opinie

Maarten Boudry

‘Waarom de Club van Rome nog steeds ongelijk heeft’

Maarten Boudry Wetenschapsfilosoof en auteur

‘Dit is de echte les die we moeten trekken uit het jubileum van Grenzen aan de groei: de bezorgdheden van de Club Van Rome waren terecht, maar hun oplossingen rampzalig’, schrijft Maarten Boudry. ‘Groei is niet de wortel van het kwaad, maar juist de oplossing.’

De Amerikaanse wiskundige Tom Lehrer, die in de jaren ’60 briljante satirische liedjes schreef over de bedreiging van kernoorlog en milieuvervuiling, had een typisch bescheiden en zelfrelativerende verklaring voor zijn succes: ‘Always predict the worst and you’ll be hailed as a prophet’.

In 2022 is het precies een halve eeuw geleden dat het invloedrijkste doemboek van het pre-klimaat tijdperk op de wereld werd losgelaten: Limits to Growth, een rapport geschreven in opdracht van de Club van Rome. Daarin toonden wetenschappers aan de hand van computermodellen aan welke catastrofes de mensheid te wachten stond als we niet snel en drastisch het roer omgooiden. Het boek werd een monstersucces, met 30 miljoen verkochte exemplaren in 30 talen over de hele wereld. In tegenstelling tot andere doemboeken over milieu en overbevolking, waarmee de jaren ‘70 rijkelijk gevuld waren, klonk Limits to Growth erg geloofwaardig omdat het recht uit de cenakels van de economische en politeke macht kwam. De leden van de Club van Rome waren geen verwaaide hippies of boomknuffelaars, maar deftige industriële heerschappen, politici en diplomaten, die financiële steun genoten van onder meer de Volkswagen Stichting. En het computermodel World3 kwam uit de koker van Jay Forrester, een wetenschapper aan het vooraanstaande Massachusetts Institute of Technology (MIT). Veel respectabeler kan je het niet krijgen.

Nergens maakte de Club van Rome meer furore dan in Nederland, waar NRC Handelsblad in augustus 1971 al een wereldprimeur bracht met de beroemde kop: ‘Ramp bedreigt wereld’. Misschien is het daarom niet toevallig dat juist in Nederland meerdere schrijvers het 50e jubileum aangrijpen om de Club en haar beruchte rapport te rehabiliteren. De teneur: de Club van Rome was haar tijd ver vooruit, maar helaas wilden we toen niet luisteren. Literatuurwetenschapper Geert Buelens publiceerde dit voorjaar zijn nieuwe boek Wat we toen al wisten. De vergeten groene geschiedenis van 1972. Ook Jaap Tielbekes nieuwe pennevrucht heeft dezelfde strekking, en draagt een titel die nog meer boekdelen spreekt: We waren gewaarschuwd. Over een profetisch milieurapport en wat we er (niet) mee deden.

Maar viel het dan niet mee met die voorspelde ‘ramp’? De ineenstorting van de menselijke beschaving bleef toch uit? Hedendaagse verdedigers van Limits to Growth weifelen vaak tussen twee tegenstrijdige posities: (1) het rapport deed helemaal geen voorspellingen maar schetste enkel scenario’s; (2) we zitten nog steeds op het schema, dus binnenkort krijgt de Club van Rome toch gelijk. Zo schrijft Tielbeke in NRC dat het een ‘hardnekkig misverstand’ is dat Limits to Growth aan voorspellingen deed  Alleen spreekt hij zichzelf vervolgens tegen, wanneer hij hun kernboodschap samenvat: ‘Zolang er niets verandert aan de “exponentiële groei van bevolking en kapitaalinvesteringen” klapt de boel vroeg of laat in elkaar.’ Dat lijkt wel erg hard op een voorspelling.

De waarheid is dat het rapport voorwaardelijke voorspellingen deed: als we de groei niet snel en drastisch beteugelen, dan stevenen we af op een ‘overshoot’ en ineenstorting van onze menselijke beschaving (hetzij via milieuvervuiling, hetzij via uitputting van grondstoffen of voedselschaarste). Dat is de onwrikbare conclusie waar je op uitkomt als je alle toekomstscenario’s van Grenzen aan de groei samen beschouwt: de enige scenario’s waarin overshoot en ineenstorting worden vermeden, zijn die waarbij zowel de bevolkingsgroei als de economische groei worden beteugeld. Slechts één ervan stilleggen zou niet volstaan, want dan liep het alsnog verkeerd af, met enige vertraging. Scenario’s die optimistische aannames maken over technologische innovatie en grondstoffenvoorraden, bieden hoogstens ‘uitstel van executie’, zoals Tielbeke schrijft.

Welnu, die voorwaardelijke voorspelling kwam overduidelijk niet uit. Geen enkel land heeft de economische groei stilgelegd, en slechts een handvol landen hebben aangestuurd op een doelbewuste beperking van het geboortecijfer (zoals in China, met catastrofale humanitaire gevolgen). Indien de auteurs van Limits to Growth gelijk hadden, zou de voorspelde ineenstorting anno 2022 al zichtbaar moeten zijn, of minstens de eerste tekenen. Het tegendeel is waar: niet alleen raakte geen enkele grondstof uitgeput en ligt de mondiale voedselproductie hoger dan ooit tevoren, meerdere rijke landen bewezen dat het perfect mogelijk is om milieuvervuiling sterk terug te dringen zonder aan welvaart in te boeten.

Wie tegenwerpt dat enkel de timing van Club van Rome verkeerd zat, maakt van hun voorspellingen een bewegend doelwit. In de conclusie van Limits to Growth schreven de auteurs dat de noodzakelijke radicale omwenteling nog in het huidige decennium moesten plaatsvinden (de jaren ’70 dus), want anders was het te laat. En toen de oliecrisis toesloeg in 1973 en mensen kilometers aanschoven om benzine te tanken, zag de hoofdauteur Dennis Meadows dat meteen als een bevestiging van hun voorspellingen: ‘Deze dingen zijn al gebeurd en zullen blijven gebeuren’. Alleen brachten de volgende decennia een tijdperk van overvloedige olie en goedkope grondstoffen.

Is dit allemaal makkelijke achterafpraat? Nee, want in 1972 begrepen voorzienige economen als Robert Solow, William Nordhaus en Julian Simon al waarom de modellen van de Club van Rome niet deugden. Het belangrijkste manco was dat ze geen enkele rekening hielden met het prijsmechanisme, de smeerolie van elke vrijemarkteconomie. Wanneer een grondstof tijdelijk schaarser wordt, krijgen bedrijven een prikkel om harder te zoeken naar nieuwe voorraden, wetenschappers om substituten te ontwikkelen, en consumenten om er zuiniger mee om te springen of iets anders te kopen. Alle drie gebeurden tegelijk, waardoor grondstoffen juist overvloediger en goedkoper werden in plaats van schaarser en duurder. Bovendien stelde het rapport ook arbitraire grenzen aan wat technologische innovatie vermag, bijvoorbeeld hoogstens een verdubbeling of verdriedubbeling van de voedselproductie. In feite waren hun computermodellen zo simpel dat hun conclusie al stiekem besloten lag in de aannames. De Club had zichzelf het dure rekenwerk had kunnen besparen.

Een tweede mythe bij de moderne rehabilitatie van de Club van Rome is dat we sindsdien helemaal niets aanvingen met hun bezorgdheden. Zoals de titel boven Buelens’ essay voor de De Groene luidde: ‘In 1972 wisten we al dat de planeet is gevaar was. Waarom deden we niets?’ Het antwoord geeft hij verderop: ‘de tegenkrachten zijn sterker gebleken’. Filosofe Lisa Doeland beaamt in haar reactie: ‘We waren gewaarschuwd, maar we hebben niet geluisterd’. En ook in de ondertitel van Tielbekes boek zit die boodschap vervat: wat we (niet) deden (bemerk telkens de wij-bak: als de spreker ‘wij’ zegt, bedoelt hij telkens ‘zij, de anderen’).

Dat we niets deden aan milieuproblemen, is echter aantoonbaar onwaar. Sinds de jaren ’70 kwamen er in talloze landen milieuwetgevingen die de uitstoot van schadelijke stoffen aan banden legde of verbood. Er kwamen milieu- en voedselagentschappen die zich over de veiligheid bogen van pesticiden en andere chemische producten. Grove industriële vervuilers werden voor de rechter gesleept. 197 landen tekenden het Montréal-akkoord, dat de uitfasering regelde van de CFK’s in spuitbussen en koelapparatuur die onze ozonlaag aantastten. Het resultaat: de zware watervervuiling daalde spectaculair in rijke landen.

Het enige wat we inderdaad niet deden, is wat de Club van Rome aanbeval: de groei van economie en bevolking zelf aan banden leggen. De eerste groeide lustig door, de tweede kwam vanzelf tot stilstand, precies als gevolg van economische ontwikkeling en welvaart. Dat we de raad van Grenzen aan groei niet opvolgden, is overigens maar goed ook: de voorgeschreven remedie zou veel erger uitvallen dan de kwaal. De beste weg om vervuiling te bestrijden, zo wijst de geschiedenis uit, is via economische groei. Als mensen rijk genoeg zijn, gaan ze zich vanzelf om het milieu bekommeren. En hebben ze er het geld voor. Zoals Indira Ghandi ooit zei: ‘Armoede is de grootste vervuiler’.

Maar is het vandaag niet écht tijd om te stoppen met eeuwige groei, gezien onze klimaatcrisis? Wie dat gelooft, heeft in die halve eeuw weinig bijgeleerd. Als we nuluitstoot willen bereiken, hebben we massale technologische innovatie en infrastructuurwerken nodig. Pleiten voor ont-groei om het klimaat te redden, is zowat het domste wat je kan doen. Niet alleen legt het de motor voor de energietransitie stil, maar zodra mensen in de smiezen krijgen dat ze massaal welvaart moeten inboeten om de planeet te redden, zullen ze onmiddellijk afhaken. Ironisch genoeg zijn de ont-groei activisten, de moderne erfgenamen van de Club van Rome, het op dat punt roerend eens met de ‘klimaatsceptici’: volgens hen staan we voor de keuze tussen ofwel welvaart en groei, ofwel het klimaat redden. Het laat zich raden waarvoor Henk en Ingrid zullen opteren, om nog te zwijgen van mensen in armere landen die eerst nog véél groei nodig hebben.

De echte les die we moeten trekken uit het jubileum van Grenzen aan de groei: hun bezorgdheden waren terecht, hun oplossingen rampzalig. Groei is niet de wortel van het kwaad, maar juist de oplossing.

Deze tekst verscheen eerder in Elsevier Weekblad.

Maarten Boudry is wetenschapsfilosoof. Vorig jaar verscheen zijn meest recente boek: Waarom het klimaat niet naar de knoppen gaat (als we het hoofd koel houden).

Partner Content