Er was recent heel wat debat over de afschaffing van de opkomstplicht bij lokale verkiezingen. Eerst was er een alarmerende open brief van een aantal academisch gevestigde politieke wetenschappers tégen, en vervolgens wat opiniestukken pro en contra het voornemen om (althans in Vlaanderen) de opkomstplicht af te schaffen voor gemeenteraads- en provincieraadsverkiezingen.

Kort nadien leek de waarschuwing van de verontruste politicologen op spectaculaire wijze bevestigd te worden. In buurland Frankrijk -waar geen opkomstplicht bestaat- kwamen voor de eerste ronde van de regionale verkiezingen maar liefst twee op drie kiesgerechtigden niet opdagen. Slechts 1 kiezer op de 3 nam nog de moeite om zijn (m/v/x) stem uit te brengen. Grof vereenvoudigd: waar de opkomstplicht verdwijnt wordt van het kiesrecht geen gebruik meer gemaakt. Is het echt zo eenvoudig?

Het zou onheus zijn de eminente wetenschappers van iets anders dan goede bedoelingen te verdenken. Zij vrezen namelijk dat bij gebrek aan opkomstplicht vooral laaggeschoolden en jongeren 'hun kat zullen sturen', en dat politici en beleidsmakers dan nog minder dan voorheen zullen rekening houden met hun noden en belangen. Voorwaar een loffelijke bekommernis.

Waar de opkomstplicht verdwijnt wordt van het kiesrecht geen gebruik meer gemaakt.

Toch vallen er ook wat kanttekeningen te maken. Zo kan er bijvoorbeeld aan herinnerd worden dat de opkomstplicht destijds onder meer werd ingevoerd als een conservatieve noodgreep om na de spectaculaire vermenigvuldiging van het aantal kiezers (door de invoering van het algemeen maar nog meervoudig stemrecht in 1893) een gevreesde progressieve vloedgolf te temperen.

En politiek geïnteresseerde burgers herinneren zich ongetwijfeld ook dat -bijna honderd jaar later- in 1991, na de eerste 'zwarte zondag' ettelijke achtbare lieden voorstelden om de opkomstplicht maar liever af te schaffen, zodat 'foertstemmers' voortaan rustig thuis konden blijven en het nobele democratische spel dan niet langer zouden verzieken met hun electoraal hooligan-gedrag.

Ietwat cynisch zou men kunnen stellen dat die twee reacties (het invoeren versus het eventuele afschaffen van de opkomstplicht) slechts een schijnbare tegenstelling vormen, maar in werkelijkheid hetzelfde systeem-behoudende doel beogen. Generaties politici en politieke waarnemers wisten en weten immers dat, als die zogenaamde 'zwijgende meerderheid' mag thuisblijven, de electorale kansen verhogen van allerlei 'extremisten' (of althans nieuwkomers) omdat dié kunnen rekenen op een sterker gemotiveerde achterban.

Maar bij het lezen van hun betoog stelde ik me de vraag welk beeld de wetenschappers eigenlijk hebben van laaggeschoolden en van jongeren? Met pontificale stelligheid 'voorspellen' zij dat laaggeschoolden en jongeren als eersten -en massaal- zullen afhaken zodra ze niet meer verplicht worden ter stembus te gaan. Uit welke glazen bol zij die wijsheid vandaan halen is niet geheel duidelijk. Maar voor hen staat dat afhaken vast. Ook al moet het in de praktijk nog blijken.

Alleen: als je er van uitgaat dat in landen zonder opkomstplicht vooral laaggeschoolden en jongeren massaal wegblijven uit de kieslokalen, moet je logischerwijze erkennen dat de verontrustend sterke resultaten van extreemrechts daar alleen maar toe te schrijven zijn aan goed- of zelfs hoogopgeleide kiezers die wel degelijk 'de jaren van verstand' hebben bereikt. Pijnlijk, toch?

Nog pijnlijker wordt het wanneer je probeert te doorgronden waaróm uitgerekend laaggeschoolden en jongeren zouden afhaken. Omdat de complexe problemen van de 21ste-eeuwe samenleving hun laaggeschoolde of te jeugdig-naïeve petje te boven gaan? Lees: omdat ze eigenlijk niet rijp zijn voor de democratie - zoals destijds tal van weldenkende mensen zonder enige gêne beweerden dat deze of gene kolonie nog niet 'rijp' was voor onafhankelijkheid? Uiteraard zullen de weldenkende ondertekenaars in alle toonaarden ontkennen dat zij zoiets zouden denken. Beseffen ze dan niet dat hun 'voorspelling' ook hautain en elitair kan klinken?

Zal het aantal foertstemmen (in uiteenlopende richtingen zelfs) daarenboven niet alleen maar toenemen zolang de overheid die 'onrijpe' kiezers tegen heug en meug naar de stembus dwingt, maar verder geen enkel tastbaar bewijs levert dat ze met hen ook rekening houdt?

Na 'zwarte zondag' waarschuwde niemand minder dan Louis Tobback -onverdacht sociaaldemocraat- dat 'het niet is door de thermometer weg te gooien dat je de koorts bestrijdt'. Dat was duidelijke taal, en een heldere analyse. De koorts is slechts een symptoom, de oorzaken liggen dieper, en het zijn die oorzaken die je moet aanpakken wil je de toestand weer gezond maken. Vermoedelijk zal geen van de verontruste academici beweren dat laaggeschoolden en jongeren per definitie minder begaan zijn met de democratie. Of minder dan hun fortuinlijker, geschoolde landgenoten de behoefte voelen om hun minieme bijdrage te leveren tot 'het democratisch besluitvormingsproces'?

Misschien is het veeleer zo dat die beide categorieën -in de tientallen jaren waarin ze door hun goede herders naar de democratische schaapstal werden geleid- platweg hebben geleerd hebben dat hun minieme bijdrage er gewoon niéts toe doet?

Overigens zijn laaggeschoolden en jongeren waarachtig niet de enige kiesgerechtigden bij wie 'de politiek' zowat alle geloofwaardigheid heeft verloren. Ook dat is door wetenschappers en commentatoren van alle slag al vaak genoeg herhaald. En vooral: het verschijnsel tekent zich evenzeer af in landen waar al generaties lang géén opkomstplicht bestaat. Dat het louter afschaffen of handhaven van de opkomstplicht dat fundamentele democratie-probleem zal oplossen is een illusie. Daarvoor zijn andere, minder vrijblijvende en vooral sociaaleconomisch ingrijpende maatregelen nodig. Want het fundamentele democratie-probleem is: dat de reëel bestaande machtsverhoudingen niet worden bepaald door miljoenen kiezers, maar door een handvol miljarden-bezitters. Helaas valt daarover in het debat over de thermometer bitter weinig te horen.

Edi Clijsters is kernlid van Vlinks.

Er was recent heel wat debat over de afschaffing van de opkomstplicht bij lokale verkiezingen. Eerst was er een alarmerende open brief van een aantal academisch gevestigde politieke wetenschappers tégen, en vervolgens wat opiniestukken pro en contra het voornemen om (althans in Vlaanderen) de opkomstplicht af te schaffen voor gemeenteraads- en provincieraadsverkiezingen.Kort nadien leek de waarschuwing van de verontruste politicologen op spectaculaire wijze bevestigd te worden. In buurland Frankrijk -waar geen opkomstplicht bestaat- kwamen voor de eerste ronde van de regionale verkiezingen maar liefst twee op drie kiesgerechtigden niet opdagen. Slechts 1 kiezer op de 3 nam nog de moeite om zijn (m/v/x) stem uit te brengen. Grof vereenvoudigd: waar de opkomstplicht verdwijnt wordt van het kiesrecht geen gebruik meer gemaakt. Is het echt zo eenvoudig?Het zou onheus zijn de eminente wetenschappers van iets anders dan goede bedoelingen te verdenken. Zij vrezen namelijk dat bij gebrek aan opkomstplicht vooral laaggeschoolden en jongeren 'hun kat zullen sturen', en dat politici en beleidsmakers dan nog minder dan voorheen zullen rekening houden met hun noden en belangen. Voorwaar een loffelijke bekommernis.Toch vallen er ook wat kanttekeningen te maken. Zo kan er bijvoorbeeld aan herinnerd worden dat de opkomstplicht destijds onder meer werd ingevoerd als een conservatieve noodgreep om na de spectaculaire vermenigvuldiging van het aantal kiezers (door de invoering van het algemeen maar nog meervoudig stemrecht in 1893) een gevreesde progressieve vloedgolf te temperen.En politiek geïnteresseerde burgers herinneren zich ongetwijfeld ook dat -bijna honderd jaar later- in 1991, na de eerste 'zwarte zondag' ettelijke achtbare lieden voorstelden om de opkomstplicht maar liever af te schaffen, zodat 'foertstemmers' voortaan rustig thuis konden blijven en het nobele democratische spel dan niet langer zouden verzieken met hun electoraal hooligan-gedrag.Ietwat cynisch zou men kunnen stellen dat die twee reacties (het invoeren versus het eventuele afschaffen van de opkomstplicht) slechts een schijnbare tegenstelling vormen, maar in werkelijkheid hetzelfde systeem-behoudende doel beogen. Generaties politici en politieke waarnemers wisten en weten immers dat, als die zogenaamde 'zwijgende meerderheid' mag thuisblijven, de electorale kansen verhogen van allerlei 'extremisten' (of althans nieuwkomers) omdat dié kunnen rekenen op een sterker gemotiveerde achterban.Maar bij het lezen van hun betoog stelde ik me de vraag welk beeld de wetenschappers eigenlijk hebben van laaggeschoolden en van jongeren? Met pontificale stelligheid 'voorspellen' zij dat laaggeschoolden en jongeren als eersten -en massaal- zullen afhaken zodra ze niet meer verplicht worden ter stembus te gaan. Uit welke glazen bol zij die wijsheid vandaan halen is niet geheel duidelijk. Maar voor hen staat dat afhaken vast. Ook al moet het in de praktijk nog blijken.Alleen: als je er van uitgaat dat in landen zonder opkomstplicht vooral laaggeschoolden en jongeren massaal wegblijven uit de kieslokalen, moet je logischerwijze erkennen dat de verontrustend sterke resultaten van extreemrechts daar alleen maar toe te schrijven zijn aan goed- of zelfs hoogopgeleide kiezers die wel degelijk 'de jaren van verstand' hebben bereikt. Pijnlijk, toch?Nog pijnlijker wordt het wanneer je probeert te doorgronden waaróm uitgerekend laaggeschoolden en jongeren zouden afhaken. Omdat de complexe problemen van de 21ste-eeuwe samenleving hun laaggeschoolde of te jeugdig-naïeve petje te boven gaan? Lees: omdat ze eigenlijk niet rijp zijn voor de democratie - zoals destijds tal van weldenkende mensen zonder enige gêne beweerden dat deze of gene kolonie nog niet 'rijp' was voor onafhankelijkheid? Uiteraard zullen de weldenkende ondertekenaars in alle toonaarden ontkennen dat zij zoiets zouden denken. Beseffen ze dan niet dat hun 'voorspelling' ook hautain en elitair kan klinken? Zal het aantal foertstemmen (in uiteenlopende richtingen zelfs) daarenboven niet alleen maar toenemen zolang de overheid die 'onrijpe' kiezers tegen heug en meug naar de stembus dwingt, maar verder geen enkel tastbaar bewijs levert dat ze met hen ook rekening houdt?Na 'zwarte zondag' waarschuwde niemand minder dan Louis Tobback -onverdacht sociaaldemocraat- dat 'het niet is door de thermometer weg te gooien dat je de koorts bestrijdt'. Dat was duidelijke taal, en een heldere analyse. De koorts is slechts een symptoom, de oorzaken liggen dieper, en het zijn die oorzaken die je moet aanpakken wil je de toestand weer gezond maken. Vermoedelijk zal geen van de verontruste academici beweren dat laaggeschoolden en jongeren per definitie minder begaan zijn met de democratie. Of minder dan hun fortuinlijker, geschoolde landgenoten de behoefte voelen om hun minieme bijdrage te leveren tot 'het democratisch besluitvormingsproces'?Misschien is het veeleer zo dat die beide categorieën -in de tientallen jaren waarin ze door hun goede herders naar de democratische schaapstal werden geleid- platweg hebben geleerd hebben dat hun minieme bijdrage er gewoon niéts toe doet?Overigens zijn laaggeschoolden en jongeren waarachtig niet de enige kiesgerechtigden bij wie 'de politiek' zowat alle geloofwaardigheid heeft verloren. Ook dat is door wetenschappers en commentatoren van alle slag al vaak genoeg herhaald. En vooral: het verschijnsel tekent zich evenzeer af in landen waar al generaties lang géén opkomstplicht bestaat. Dat het louter afschaffen of handhaven van de opkomstplicht dat fundamentele democratie-probleem zal oplossen is een illusie. Daarvoor zijn andere, minder vrijblijvende en vooral sociaaleconomisch ingrijpende maatregelen nodig. Want het fundamentele democratie-probleem is: dat de reëel bestaande machtsverhoudingen niet worden bepaald door miljoenen kiezers, maar door een handvol miljarden-bezitters. Helaas valt daarover in het debat over de thermometer bitter weinig te horen. Edi Clijsters is kernlid van Vlinks.