‘Vlaamse identiteit’ (deel 1): historicus Rolf Falter fileert de zoektocht naar een vaderlands gevoel

© Belga
Rolf Falter
Rolf Falter Historicus, auteur en hoofd van het Bureau van het Europees Parlement in België.

De tv-serie ‘Het verhaal van Vlaanderen’ beroert de gemoederen. Historicus Rolf Falter zet een stap achteruit en stelt prikkelende vragen. Zoals: welk Vlaanderen bedoelt u in hemelsnaam?

Er waart een spook door Vlaanderen, het spook van de Vlaamse identiteit. Tweemaal in evenveel maanden is het eerder contemplatieve milieu van de Vlaamse historici opgeschrikt door heftige polemieken. De eerste begin november, over de Vlaamse canon. De andere, begin januari, over de tv-reeks Het verhaal van Vlaanderen. Academici grepen, tussen twee papers in, naar de pen om de Vlaamse regering – en vooral de partij van minister-president Jan Jambon (N-VA) daarin – aan te klagen. Die zou al te gul uit de breed meanderende Vlaamse subsidiestromen graaien om het verleden van deze contreien een Vlaamse identiteit aan te naaien.

Waarop professor Emmanuel Gerard, de voorzitter van de canoncommissie, heftig ontkende dat hij en zijn collega’s ‘Vlamingen avant la lettre’ wilden creëren. Tom Waes, de omnipresente verteller van Het verhaal, affirmeerde stellig: ‘Ik denk niet dat de reeks de Vlaamse identiteit bevordert.’

Helaas was er geen houden meer aan. Plots levert de geschiedenis van deze contreien, zij het vooral op nieuwsluwere dagen, gesneden koek voor media-interviews en talkshows waarvan sommigen vermoeden dat ze het intellectuele debat stofferen.

Een zelfbewust Vlaanderen

Geen rook zonder vuur nochtans, zo wisten wijze boeren in het mythische Vlaanderen al. En dus brandt het wel degelijk op pagina zestien van het tweehonderdveertien pagina’s (214!) tellende Vlaamse regeerakkoord van 2019. Het gaat om deze passage uit het hoofdstuk onder de schijnbaar zelfbewuste titel ‘Een zelfbewust Vlaanderen’: Een gedeelde samenleving is maar mogelijk als onze jonge generaties beseffen vanwaar we komen. Het is essentieel dat we de Vlaamse identiteit complexloos kunnen beleven, onder meer via gedeelde symbolen. Tegen die achtergrond vragen we aan een groep onafhankelijke experts om op wetenschappelijke basis een Canon van Vlaanderen op te stellen. Het gaat om een lijst van ankerpunten uit onze Vlaamse cultuur, geschiedenis en wetenschappen, die zowel in het onderwijs als in het kader van inburgeringstrajecten ter ondersteuning gebruikt worden. We kijken ook uit naar een museum dat onze Vlaamse geschiedenis en cultuur voor het brede publiek ontsluit. Ook de VRT draagt bij aan de Vlaamse identiteit.

Vadertje Staat gaat de ‘jonge generaties’ (die we achter slot en grendel hebben verstopt tijdens covid) eens leren wat ze moeten beleven.

Elke rechtgeaarde mens met een beetje hersencellen moet op z’n minst glimlachen bij zo veel gecondenseerd paternalisme en gecomprimeerde woordenkramerij in amper zes hoekige volzinnen. Vadertje Staat gaat de ‘jonge generaties’ (die we achter slot en grendel hebben verstopt tijdens covid) eens leren wat ze moeten beleven, welke symbolen ze gaan verspreiden.

Nu zullen ervaren politici je aanmanen om dergelijke alinea’s niet al te ernstig te nemen. Bij het schrijven van regeerakkoorden liggen nooit de standaarden op tafel waarmee je de Nobelprijs literatuur kunt ambiëren. Bovendien blijkt zo’n geschreven overeenkomst vooral een ritueel, met geringe nutswaarde. Het opzet van de doorwrochte en in langdurige en moeizame onderhandelingen gevlochten tweehonderdveertien pagina’s (214!) is aan de achterban te tonen dat er gevochten is voor alle dada’s die daar leven. In dit geval was het eentje van de N-VA, en dus hebben de twee andere coalitiepartners, CD&V en Open VLD, waarschijnlijk gedacht: dit schaadt ons niet, dit kunnen we hen gunnen, in ruil daarvoor poneren we elders een van onze dada’s. Zo gaat dat. Achteraf lezen weinigen die tekst nog, tenzij occasioneel eens bij een regeringscrisis in de vaak vergeefse hoop dat het geschreven woord uitsluitsel kan brengen bij een hoogoplopende ruzie.

Overigens kun je bij deze passage ook opmerken dat wie de behoefte voelt om nadrukkelijk de noodzaak aan zelfbewustzijn te promoten, meteen ook toegeeft dat het er maar zwakjes voorstaat. Het gaat anno 2023 dus niet goed met het spontane Vlaamse zelfbewustzijn. Zeg dat de N-VA het zelf heeft toegegeven.

Cirkelredeneringen in de canon

Maar goed, daarmee staat de ‘Vlaamse identiteit’ weer op de politieke agenda. Het debat is te leuk en te uitdagend om het niet aan te gaan. Bovendien kan het zelfs nuttig zijn, vooral dan toch vanwege de vraag van wat het doel en het nut van geschiedenis is, en hoe je dat vertaalt in (al dan niet noodzakelijk) onderricht voor onze kinderen.

Tien jaar geleden deed ik zelf een poging om een post-nationale geschiedenis van België te schrijven (België, een geschiedenis zonder land, uitgegeven bij De Bezige Bij). De bedoeling was via het incorporeren van de Franse, Spaanse, Nederlandse, Britse en Duitse versies van wat zich in deze contreien afspeelde, los te komen van de nationalistische predestinaties (Belgisch of Vlaams) waarmee het verhaal van ons verleden te lange tijd beladen was. Ik wilde, zoals ik toen schreef, geschiedenis vertellen als ‘chaos in actie, over een verleden zonder grenzen.’ Geschiedenis dus als aaneenschakeling van vooral toevalligheden.

Dat leverde me toen, in een discussie bij de Nederlandse omroep VPRO, de pertinente vraag op of geschiedenis niet altijd gekneed moet worden naar de inzichten van het heden, omdat ze anders irrelevant zou zijn. Nog zeven jaar eerder had ik me immers ook in de Nederlandse canondiscussie gemengd. Het had me geërgerd dat men er bezig leek te zoeken naar wat de Nederlandse identiteit had gemaakt, vanuit de impliciete logica dat die er altijd was geweest. Zo had men, in een eerste vingeroefening in de krant NRC, het door de Vikingen verwoeste Dorestad (aan de Lek, niet zo ver van Utrecht) als belangrijkste stad uit de Karolingische tijd aangeduid, en als vermoord gezwegen over Aken, Karel de Grotes eigen machtscentrum, omdat het nog geen vijf kilometer buiten de hedendaagse Nederlandse grenzen ligt. Net zoals men in de vele opstanden in Romeins Gallië die van Julius Civilis sublimeerde, enkel en alleen omdat hij Bataaf was (iets wat enigszins is herhaald in Het verhaal van Vlaanderen met keizer Carausius, omdat hij als Menapiër zou zijn geboren).

Nederland kende een historisch-nationalistische opflakkering na de moorden op Pim Fortuyn en Theo van Gogh, en de verwwerping van de Europese grondwet.

Men was er dus vanuit het hedendaagse staatkundige Nederland aan het opsommen wat essentieel is voor de geschiedenis van Nederland. Dat draaide onvermijdelijk op cirkelredeneringen uit, zeker voor de geschreven geschiedenis voor het jaar 1000, een periode waarin nergens al sprake is van Nederland of Vlaanderen. Ik weet die historisch-nationalistische opflakkering toen aan de identiteitscrisis van Nederland, na de moorden op Pim Fortuyn (2002) en Theo van Gogh (2004) en de verwerping van de Europese grondwet in een referendum (2005). Ik voegde er, achteraf bekeken te overmoedig, aan toe: ‘In Vlaanderen, waar ik dit schrijf, durft men aan zo’n canondiscussie zelfs niet te beginnen. De identiteitscrisis is er nog groter dan in Nederland.’ Uiteindelijk is de Nederlandse discussie, onder leiding van historisch letterkundige Frits van Oostrom, naar rustiger vaarwater geleid, al zijn wel wat vraagtekens gebleven.

Jan Jambon
Jan Jambon. © Belga Image

De ‘Vlaemsche tael’

Centraal blijft de impliciete vraag naar de hedendaagse relevantie van geschiedenis, zeker als die hoofdzakelijk op toevalligheden berust. Ze is ook aan de orde in andere domeinen. Vandaag zijn we ons, beter dan twintig jaar geleden, ervan bewust hoezeer racisme en vrouwendiscriminatie deel uitmaken van ons Europese verleden (en ongetwijfeld ook van dat van andere continenten). Het kan zeker geen kwaad om bij het schrijven over dat verleden meer aandacht te hebben voor die invalshoeken, en inderdaad vast te stellen dat gegevens daarover in het verleden te snel onder de mat verdwenen, eerder onbewust dan bewust. Maar geschiedschrijving vereist ook het streven naar objectiviteit over hoe mensen in hun tijd die discriminaties aanvoelden, en hoe dat in hun tijd wel of niet algemeen als kwaad werd gepercipieerd. Wie es eigentlich gewesen ist, zo luidde de maxime van Leopold von Ranke, twee eeuwen geleden de aartsvader van de moderne geschiedschrijving. Anders gaat men raaskallen, en het verleden kneden naar de eigen inzichten, zoals in elke propere dictatuur.

Laten we de oefening dus ook maar eens doen met de ‘Vlaamse identiteit’, nu ze toch zo nadrukkelijk op de debattafel ligt. Wie daarover begint, moet eerst het terminologieprobleem bemeesteren. De staatskundige term ‘Vlaanderen’, zoals we die nu hanteren en die slaat op het gebied tussen De Panne en Kinrooi, is een creatie van de jaren 1830. Hendrik Conscience ligt er onvrijwillig aan de basis van, door in 1838 als zoon van een Fransman, in het Antwerps opgevoed, een oud verhaal van het graafschap Vlaanderen tot een succesroman te maken: de Leeuw van Vlaanderen.

De eerste, eentalige Franstalige regering van België strooide kwistig met belastinggeld om de zwakke Vlaamse identiteit te versterken. Net zoals Jan Jambon.

De term ‘Vlaemsche tael’ voor alle varianten van het Nederlands die in de Zuidelijke Nederlanden werden gebruikt, dateert al van Jan Frans Willems, voor 1830 dus. Maar doordat Conscience daar, vooral in zijn vlammende inleiding tegen de discriminatie van de ‘Vlaemsche tael’ vol voor ging, en de varianten als ‘Nederduytsch’ en ‘Nederlandsch’ negeerde, werden door het succes van zijn werken de termen ‘Vlaams’ en ‘Vlaanderen’ de geaccepteerde benamingen voor de Nederlandstalige provincies van het nieuwe België. Die wilde men, uit afkeer voor de verdreven Nederlanders, toch al niet langer als ‘Nederlandstalig’ omschrijven.

De nieuwe koning Leopold en zijn regering – inbegrepen de uit Saint-Quentin afkomstige en in Luik opgegroeide Antwerpse gouverneur Charles Rogier – deelden, eentalig in het Frans, kwistig subsidies uit aan de versterking van die Vlaamse literatuur en cultuur. Ze waren zelf Nederlandsonkundig, maar hun doel was tegenover de altijd wat te gretig ogende zuiderbuur te affirmeren dat België meer was dan een van nature Franstalig gebied. Zoals Jan Jambon vandaag, strooiden ze manna uit onze belastingen uit om een nog zwakke identiteit te versterken die hen aan hun inkomen hielp. Vlaanderen speelt, in dit land van heerlijke paradoxen, wel vaker een verkleinde versie van België, zonder dat te willen toegeven.

Het graafschap

Voordien was er enkel het graafschap Vlaanderen, dat formeel tot 1795 heeft bestaan. Dat ontstond ergens in de negende eeuw als administratieve eenheid van het Frankische Rijk, met die naam. Het bestreek de huidige Belgische provincies Oost- en West-Vlaanderen, tot ongeveer 1585 ook Zeeuws-Vlaanderen. Tot pakweg de jaren 1667-’78 behoorden daar zelfs het Departement du Nord in Frankrijk en stukken van de Pas-de-Calais bij, waaronder Saint-Omer, het historische eerste centrum van het graafschap. Dat Vlaanderen hanteerde al de leeuwenvlag als symbool. Het telde ook altijd – behalve tussen 1311 en 1369 – een omvangrijk gebied waarvan het gros van de bevolking het Picardisch-Frans sprak. Zijn adel en hogere burgerij spraken en schreven doorgaans Frans, zijn geestelijkheid Latijn, en het volk, inbegrepen de lokale pastoors, varianten van het Nederlands.

Er geen rechtstreekse historische lijn te trekken van de oudste naar de recentste versie van Vlaanderen.

Het hedendaagse Vlaanderen kan zich dus qua namen beroepen op het middeleeuwse graafschap zoals het hedendaagse België zich kan beroepen op de Belgica-terminologie die de Romeinse veldheer Julius Caesar ooit lanceerde. In beide gevallen zijn de inhouden danig verschillend en is er geen rechtstreekse historische lijn van de oudste naar de recentste versie te trekken. Want het typische aan die contreien is dat we qua natie-en statievorming een veel complexere geschiedenis hebben dan die van al onze buren, inclusief het ook niet simpel ontstane groothertogdom Luxemburg. Wie naar de wortels van onze identiteit wil zoeken, zal spoedig op een bijna onontwarbaar kluwen stuiten.

Beschaving van de Lage Landen

Van Nederlanden, Vlaanderen of België is voor het jaar 1000 geen spoor. Er zijn van de langdurige Romeinse overheersing wel een aantal elementen overgebleven die later ook in dit gebied natievormend zullen werken: de taalgrens, de christelijke godsdienst, ten dele zelfs de machtsstructuren zoals het Romeins recht die zag. Vanaf de elfde eeuw ontwikkelde zich dan ten noorden van de Alpen een aparte cultuur, waaruit later datgene zal groeien wat men ‘westerse beschaving’ zal noemen. En het is het graafschap Vlaanderen dat daarin vooropging.

Waarom dat zo was, weet men nog altijd niet heel goed. Vlaanderen was een onherbergzaam, moerassig, regenachtig gebied. Maar men is er als eerste begonnen de zee terug te dringen met dijken. Dat creëerde gebieden met vrijere boeren en dankzij de schapenteelt al snel een opbloeiende textielproductie, dan steden, nieuwe machines, handel en geld, havens. De opeenvolgende graven, zelf ooit zo armzalig begonnen dat ze kerken en abdijen plunderden, begrepen goed dat er in die steden geld te rapen viel, op voorwaarde dat men het juiste evenwicht vond tussen afromen en autonomie respecteren.

Vanaf de elfde eeuw ontwikkelde zich ten noorden van de Alpen een aparte cultuur. En het is het graafschap Vlaanderen dat daarin vooropging.

Daardoor werd dat graafschap Vlaanderen, zelf vrij autonoom behorend tot het koninkrijk Frankrijk, het economische centrum van West-Europa, tegen de twaalfde, dertiende eeuw aan. Initieel in Saint-Omer en Arras, pas later in Brugge en Gent. De beurs zoals we die vandaag kennen, met haar financiële wisselmarkten zoals in Wall Street, is een Brugse uitvinding. Die economische macht leverde, zoals Karl Marx ons al leerde, ook culturele opbloei op: monumentale burgerlijke bouwwerken zoals belforten, lakenhallen en later stadhuizen; de miniatuur- en later de schilderkunst; de muziek die zou uitmonden in de polyfonie; in een latere fase het fenomenale beeldhouwwerk van Klaas Sluter.

Het patroon waarmee het graafschap Vlaanderen als eerste opbloeide – indijken, vrije boeren, textielproductie, steden, handel, havens en geld, intellectuele en culturele rijkdom – verhuisde in de veertiende en vijftiende eeuw naar het naburige hertogdom Brabant, en na 1550 naar het graafschap Holland. Die beschaving van de Lage Landen heeft zo vijf eeuwen – van circa 1200 tot 1700 – de toon gezet van de westers-Europese beschaving. Nadien, na de troonsbestijging in 1689 in Londen van Nederlands stadhouder Willem III en diens Glorious Revolution, nam Engeland die fakkel over, en vanaf 1918 de Verenigde Staten.

Het belang van 1302

Er is nog een element dat we daarover moeten vermelden. In de laatste jaren van de dertiende eeuw werd de toenmalige Franse koning Filips de Schone zich ervan bewust dat hij meer dan voldoende macht in huis had om het tot dan heel autonome en vaak balorige graafschap Vlaanderen binnen zijn koninkrijk rechtstreeks onder zijn controle te brengen. Dat lukte hem ook, bijna perfect, en de annexatie leek begin 1301 onomkeerbaar. Totdat enkele banale belastingruzies in Brugge en Gent daar volksopstanden ontketenden, die resulteerden in de bekende slag van 11 juli 1302, toen het Vlaamse volksleger de Franse ruiterij in de modder deed bijten.

Het belang daarvan is vooral dat van dan af de Franse koning en de steden van Vlaanderen qua macht elkaar min of meer in evenwicht hielden. Zozeer zelfs dat ze elkaar decennia zouden bestrijden, en elkaar grondig zouden aftakelen. De notie dat Vlaamse steden qua politieke en militaire power de evenknie konden zijn van de machtigste vorst van West-Europa opende echter veel ogen. De opstanden van Gent en Brugge en de slag bij Kortrijk leerden dat het gewone volk in de steden ook zijn zeg wilde en kon verwerven in de feodale maatschappij, zoals de Florentijnse bankier Giovanni Villani toen al opmerkte.

De opstanden van Gent en Brugge en de slag bij Kortrijk leerden dat het gewone volk in de steden ook zijn zeg kon verwerven in de feodale maatschappij.

Dat kwam in eerste instantie tot uiting in tomeloze gewelddadigheid. Voor opstandige Bruggelingen, Gentenaars en Vlaamse boeren was onthoofding een vrij courante praktijk – het doet onwillekeurig denken aan de terreurstaat van de IS. Maar het voorbeeld werkte aanstekelijk: meteen in Brabant en Luik, later ook in Engeland en Frankrijk. Het Vlaamse voorbeeld maakte van steden broeihaarden van opstand, het bezorgde hen een vaste stek in standenvergaderingen. Democratie was dat nog lang niet want steden bleven, zoals in het Amsterdam van de zeventiende eeuw, oligarchieën van enkele rijke families met stevige knokploegen. Maar de filosofie van inspraak en erkenning naast koningen, heren en prelaten, van deling van de macht, leverde wel de inspiratie voor de Brabantse Blijde Inkomst van 1356, voor het Groot Privilegie van 1477, voor het Plakkaat van Verlatinghe van 1581, en zodoende ook voor de Glorious Revolution van 1689 en Jeffersons Declaration of Independence van 1776.

De Bourgondiërs

Dat is allemaal niet mis, en zelfs fraai, als historisch erfgoed van deze contreien. Alleen staatkundig lukte het niet. Het rijke en roerige graafschap Vlaanderen kwam in 1369 toch in handen van een zoon van de Franse koning, die huwde met de dochter, de enige erfgename, van de heersende graaf. Maar die zoon, Filips de Stoute, hertog van Bourgondië, was geen kroonprins. Achter de façade van getrouwheid aan de kroon van zijn familie in Parijs bouwden hij en zijn opvolgers een eigen rijkje uit rond Vlaanderen, Brabant en Holland. Lees er De Bourgondiërs. Aartsvaders van de Lage Lage Landen van Bart Van Loo nog maar eens op na.

Van bij het begin stond het in de sterren geschreven dat dit zou botsen met de koning van Frankrijk. De Bourgondische hertogen overleefden, ruimschoots zelfs, door zoals de oude graven van Vlaanderen de Engelsen tegen de Fransen uit te spelen, en vooral door de rijkdom van de steden af te romen in ruil voor hun erkenning als partner in het bestuur. Zo konden ze ook de positie van de adel en de geestelijkheid bestendigen in de oude feodale structuren, die in de vroege veertiende eeuw nochtans gedoemd leken ten onder te gaan in het geweld van de steden. Op die manier wrikten ze ook het oude graafschap Vlaanderen los van Frankrijk.

De Bourgondische hertogen overleefden, ruimschoots zelfs, door zoals de oude graven van Vlaanderen de Engelsen tegen de Fransen uit te spelen.

In de escalatie met Parijs probeerde de machtige en rijke Bourgondische hertog Karel de Stoute anno 1475 greep te krijgen op de kroon van de Duitse keizer, door zijn dochter, alweer een enige erfgenaam, uit te huwelijken aan de zoon van de zittende keizer. Dat was een Habsburger uit Oostenrijk. Die was, zoals doorgaans bij een Duitse keizer, door de zeven keurvorsten van Duitsland verkozen omdat hij zwak en berooid genoegd was om qua macht en uitstraling niet met hen te kunnen rivaliseren (een procedé dat de Franse president en de Duitse bondskanselier vandaag nog vaak toepassen bij het designeren van de voorzitter van de Europese Commissie).

Dat huwelijk kwam tot stand net nadat Karel de Stoute sneuvelde in Nancy in 1477. Het bezorgde de Bourgondiërs een keizerstitel en de Habsburgers toegang tot de onuitputtelijke fondsen uit Vlaanderen, Brabant en Holland, als in een repetitie voor Molières veel latere Bourgeois gentilhomme (1670). Daar kwam dan, via intriges in Italië en een huwelijk in Lier in 1494, de binding met Spanje (inbegrepen de Aragonese bezittingen in Napels en Sicilië) bovenop, en het ontstaan van het wereldrijk van keizer Karel V.

De zet van keizer Karel

Dat had een geweldig verhaal van een (ongetwijfeld ook gewelddadig) imperium kunnen worden. Noteer overigens dat het Habsburgse wereldrijk alleen maar zo heet omdat het bij de cruciale opvolgingen van 1369 en 1477 de titel van de bruidegom waren die de naam van de dynastie bepaalden. Als dat was gebeurd op basis van de ingebrachte rijkdom van de door iedereen nagejaagde bruid, dan sprak de Europese geschiedenis nu van het ‘Vlaamse wereldrijk’. Het graafschap Vlaanderen bracht in 1369 aan de vierde zoon van de Franse koning, titularis van het weliswaar niet arme maar zeer agrarische Bourgondië, de rijkdom waarmee hij met grote sier zijn dynastie kon uitbouwen. Vlaanderen, Brabant en al een beetje Holland maakten het Karel de Stoute mogelijk rond 1477 de titel van Duitse keizer te kopen voor zijn nazaten.

Vlaanderen, Brabant en al een beetje Holland maakten het Karel de Stoute mogelijk om rond 1477 de titel van Duitse keizer te kopen voor zijn nazaten.

Het is een nutteloze redenering, uiteraard, waar je niets voor koopt. Ook al omdat toen keizer Karel V op het zenit van zijn macht stond, in 1547, rond hem een ordinaire familieruzie over zijn erfenis losbarstte. Karels broer Ferdinand, die het Heilig Roomse Rijk (Duitsland dus) voor hem beheerde, dwong met goed verborgen intriges voor zijn zoon de opvolging als keizer daar af. Hij deed dat door precies in te spelen op de oude reflexen van de keurvorsten om zeker geen te machtige vorst te hebben, ook al omdat Luther een groot deel van Duitsland tot het protestantisme had bekeerd dat Karel V in zijn eigen Nederlanden met ongewone hardnekkigheid bestreed.

Daarom splitste ‘de oude’ in 1555 zijn rijk, een ongezien feit, in de beroemde scène in het paleis op de Coudenberg, toen het grootste paleis ten noorden van de Alpen. Zijn oudste zoon Filips II werd geen keizer Filips I, maar koning Filips II van Spanje. Ferdinand bleef wijselijk weg van de ceremonie in Brussel, al werd hij later wel steevast bijgeschilderd op de vereeuwiging van het tafereel in schilderijen.

Het idee van Karel en Filips is mogelijk geweest dat de nieuwe koning van Spanje wel de rijkste en beste territoria behield (Castilië, Italië, Vlaanderen en Brabant). Op die manier zou Ferdinand militair niet kunnen overleven zonder Filips. Misschien kon die laatste in een later stadium dan alsnog keizer van Duitsland worden. Het is echter anders gelopen, omdat Filips nog meer dan zijn vader tomeloos de strijd aanging op te veel fronten tegelijk. Vorsten leefden van oorlog, zoals dictators vandaag, omdat oorlog het beste excuus blijft voor hogere belastingen en harde repressie. Daarbij deed de rest van Europa zijn uiterste best om zo’n alles dominerende heerser, zoals Karel V dat nastreefde, op het continent vermijden.

Militair niemandsland

Tegen 1640 was de Spaanse kroon failliet gevochten en was Nederland ontstaan, als het conglomeraat van veel trotse en hyperautonome steden, dat de in het graafschap Vlaanderen begonnen traditie van opstandigheid voortzette. Ditmaal hadden die steden wel de adel en de geestelijkheid politiek gemarginaliseerd, zodat alleen het kapitaal van Amsterdam en de Oranjedynastie voor enige lijn in het bestuur konden zorgen.

Tussen Frankrijk en Nederland lag voortaan een militair niemandsland. Dat was vooral omdat Nederland het niet wilde, in de eerste plaats doordat Amsterdam (nochtans een stad van veel gevluchte Antwerpenaren) Antwerpen niet wilde zien herrijzen. Vanaf 1667 hoopte de jonge en onstuimige Zonnekoning Lodewijk XIV, die het machtigste leger van Europa uitbouwde, dat hulpeloze gebied in te palmen. Maar toen hij in 1672 ook naar Nederland greep, kreeg hij eerst de Oranjes tegen zich, later ook Engeland, de Duitse keizer en de hertog en keurvorst van Brandenburg, die als beloning koning van Pruisen mocht noemen. Finaal moest Lodewijk XIV door de knieën, op de slagvelden van Beieren, Brabant en Vlaanderen. Het niemandsland, dat de Spanjaarden Flandes noemden, ging naar de andere tak van de Habsburgers en heette voortaan Les Pays-Bas Autrichiens, zoals het in de Verdragen van Rastatt (1714) en van Aken (1748) omschreven staat. Nederland heette daar Les Provinces Unies.

In 1789 bestonden heel even de onafhankelijke Verenigde Staten van België.

De Oostenrijkse Habsburgers waren vooral geïnteresseerd om hun nieuw verworven gebied, dat ze militair nauwelijks konden verdedigen, in te ruilen tegen Beieren. Dat lukte hen niet. Pas de laatste dertig jaar van hun bewind begonnen ze echt te besturen en te investeren, iets waar we vandaag nog het Koningsplein en het Warandepark in Brussel aan danken, nadat het oude grote paleis op de Coudenberg in 1731 was afgebrand. Ergens in de Verlichtingstraktaten van het laatste derde van de achttiende eeuw moet dan het gebruik ontstaan zijn om het weer opbloeiende gebied ook als Les pays belgiques te gaan omschrijven. Dat gebeurde vermoedelijk op basis van Caesars lang vergeten term Belgica, die door de humanisten en cartografen van de zestiende eeuw in hun Latijn weer was opgepoetst. De opstand die in de Oostenrijkse Nederlanden vanaf 1787 uitbrak tegen keizer-koster Jozef II, en die mislukte, leidde in 1789 heel even tot de onafhankelijke Verenigde Staten van België.

De geboorte van België

Generaal Napoleon Bonaparte, nog net geen heerser van het revolutionaire Frankrijk, sloot in 1797 in het Italiaanse Campo Formio dan toch een deal met de Oostenrijkse keizer. Die laatste kreeg toen Venetië, en stond in ruil daarvoor les provinces de la Belgique connus sous le nom Pays-Bas autrichien af, die de Fransen in 1794 toch al hadden veroverd. Toen Napoleon achttien jaar later, pal in die provinces bij Waterloo, zijn zwanenzang vond, hadden de plaatselijke notabelen – anders dan die van Den Haag – geen goed plan om op z’n minst een klein stemmetje in het kapittel van de grootmachten te verwerven. En dus schonk Engeland het niemandsland aan de herstelde Oranjedynastie, om als bondgenoot te waken over de strategische monding van Maas, Rijn en Schelde.

De Oostenrijkste keizer kreeg van Frankrijk Venetië in ruil voor de ‘Oostenrijkse Nederlanden’.

Koning Willem I dirigeerde het gebied als een annex van het trotse en protestantse Nederland, zonder al te veel zeggenschap van de bewoners. Hij cultiveerde die annex ook als wingewest voor de industriële investeringen (onder meer bij John Cockerill en de algemene maatschappij die later de Société Générale zou worden) die het familiefortuin moesten helpen herstellen. Dat was net niet genoeg voor het zich snel ontwikkelende zuiden, en al veel te veel voor het op zichzelf terugplooiende noorden. In acht weken tijd, tussen augustus en oktober 1830, viel het Verenigde Koninkrijk in tweeën, na amper een klein opstandje en slecht geïmproviseerde pogingen tot militaire repressie in Brussel en Antwerpen.

Frankrijk en Engeland wilden niet meer vechten om het niemandsland, waarvan het militaire en diplomatieke dossier zo dik was als dat van de Westelijke Jordaanoever vandaag.

België werd plots onafhankelijk, vooral omdat Frankrijk en Engeland na anderhalve eeuw niet meer wilden vechten om het niemandsland, waarvan het militaire en diplomatieke dossier inmiddels zo dik was als dat van de Westelijke Jordaanoever vandaag. Overigens hebben Londen en Parijs sindsdien nooit meer oorlog met elkaar gevoerd, ze zijn bijna altijd bondgenoten geweest. In die constellatie konden de jonge heethoofden van de revolutie van 1830, die hun recente geschiedenis goed kenden, alleen maar stomverbaasd het bewind in handen nemen. Met al hun vernieuwende ideeën joegen ze de Europese opstoten van verontwaardiging aan. Maar ze waren slim genoeg om de instemming van de almachtige en uiteraard niet Hollandsgezinde katholieke kerk af te kopen door alle priesters voortaan een wedde van de staat te geven. En om een prins uit een klein Duits hertogdommetje als uithangbord van betrouwbaarheid te aanvaarden.

In de roes van dat onverwachte succes gingen jonge Antwerpse kunstenaars, onder wie Henri Conscience, ervan dromen dat het gewone volk in een echte democratie mee moet kunnen regeren, en dus moest worden aangesproken in zijn taal. Pas in 1893 werd dat een echte politieke kwestie toen bij de invoering van het algemeen stemrecht (dan nog meervoudig en alleen voor mannen) bleek dat ruim de helft van de kiezers bestuurd werd in een taal die hen vreemd was. Vijf kwarteeuwen later, tegen 2019, was dat probleem helemaal opgelost. Maar tegen dan bleken de politieke keuzes van de kiezers in de eentalig Vlaamse en Franstalige gebieden van het land die de taalstrijd had gecreëerd, meer dan ooit uit elkaar te liggen.

Rolf Falter is historicus, gewezen journalist, politiek adviseur, docent en Europees ambtenaar. In mei verschijnt van hem ‘1302, het jaar van de mythe’, bij Lannoo.

Lees ook deel 2: hoezeer verschilt Vlaanderen in oorsprong eigenlijk van België? Wat verbindt ons? En kan een canon toch nuttig zijn?

Partner Content