Nature Communications, een befaamd wetenschappelijk vakblad, publiceerde op 17 november 2020 een artikel van Bedoor AlShebli en collega's, dat veel ophef veroorzaakte op sociale media.

De auteurs onderzochten een grote dataset van publicaties met een computerprogramma en kwamen tot verbazingwekkende vaststellingen: Jonge vrouwelijke onderzoekers zijn meer gebaat met een mannelijke promotor (leider van het onderzoek). Promotoren, vooral vrouwen, zouden meer voordeel halen uit het aanwerven van mannelijke eerder dan vrouwelijke doctoraatstudenten of junior postdocs. En, zo stelt het artikel, het huidige diversiteitsbeleid dat vrouwelijk mentorschap stimuleert, vormt een hindernis voor de toekomstige carrière van vrouwelijke academici.

Dat zijn heel straffe conclusies. Maar ze zijn ook verfoeilijk omdat het gevoerde onderzoek van het AlShebli-team tal van fouten bevat, zowel wat betreft het ontwerp van de studie, de gebruikte methoden, als de interpretatie van de gegevens.

De studie vertrekt van foute veronderstellingen, wat ongehoord is in rigoureus uitgevoerd wetenschappelijk onderzoek. Zo gaan AlShebli en co ervan uit dat de eerste auteur van een publicatie altijd de jonge student-onderzoeker is en de laatste coauteur steeds de promotor. Het artikel gebruikt systematisch de term mentorschap, terwijl het in feite gaat over co-auteurschap, wat leidt tot een vervalst beeld van de resultaten. De rol van de mentor die zijn/haar doctoraatsstudent ondersteunt en begeleidt, is zoveel meer dan de coauteur van een artikel.

Vasthouden aan foute vooroordelen, verarmt de wetenschap.

Een tweede veronderstelling stelt het aantal citaties van een publicatie gelijk aan de kwaliteit van mentorschap. De kwaliteit van een promotor wordt hierdoor herleid tot het aantal keren dat hij/zij genoemd wordt in andere studies. Dat is een flagrant fout uitgangspunt. Vandaag de dag wordt onderzoekskwaliteit gemeten aan de hand van meerdere parameters zoals ook het verwerven van onderzoeksfinanciering, uitgenodigde lezingen, internationale samenwerking, de vertaling van het onderzoek naar de praktijk en op vele plaatsen ook het welzijn van de doctoraatsstudenten op de werkvloer. De KU Leuven publiceerde enkele jaren geleden al een charter van een goede promotor. Dat charter stelt dat de promotor een stimulerende, coördinerende en evaluerende rol vervult en dat hij of zij ervoor moet zorgen dat de doctoraatsstudent voldoende vaardigheden of "transferable skills" moet verwerven die nuttig zijn voor de verdere loopbaan binnen of buiten de academische wereld. Het aantal citaties is absoluut geen weergave van goed promotorschap.

Niet enkel zijn de vertrekpunten van de studie fout, maar ook de gebruikte methode faalt. Als men dan toch absoluut onderzoek wil voeren dat de kwaliteit van mannelijke en vrouwelijk onderzoekers vergelijkt, is het van cruciaal belang dat men het geslacht van deze onderzoekers ook kent. Hiertoe gebruikte AlShebli en co een onbetrouwbare app, Genderize.io, die zich baseert op de voornaam van de auteur. De auteurs geven zelf aan dat deze app het geslacht niet kon bepalen voor ruim 47% van de ingevoerde auteursnamen. Dat betekent dus dat bijna de helft van de publicaties niet werd onderzocht.

Daar blijft het niet bij. Amper 167 onderzoekers uit de 2.000 bevraagden in een steekproef (nauwelijks 1% dus) stuurden een antwoord in, en bijna de helft daarvan beweerde amper begeleiding te hebben gekregen van de laatste auteurs op hun publicatie.

In het artikel strekt de datum van de eerste publicatie van de jonge onderzoeker zich uit over een periode van 1897 tot 2013. Iedereen weet dat er in het jaar 1897 weinig vrouwen werkzaam waren in de academische sector. Het artikel berekent ook het effect van promotoren die meer dan 200 jaar geleden leefden. Het lijkt ons volstrekt belachelijk om citaties en andere effecten uit deze periode te vergelijken tussen mannen en vrouwen. Volgens sommige grafieken lijken wetenschappers ook nog 116 jaar te leven na hun eerste publicatie. Prof Daniel Weeks (U. Pittsburgh) bekritiseerde fel de statististische onjuistheden en de ontbrekende gevens in het AlShebli artikel.

Hoewel Nature Communications open access is, wat betekent dat de auteurs verplicht zijn om al hun data en methoden openbaar te maken, ontbreekt ook de gebruikte software code voor een aantal gegevens. Als gevolg hiervan kunnen anderen de studie niet overdoen, wat essentieel is in wetenschappelijk onderzoek.

Nature Communications besliste om het artikel toch te publiceren, ondanks de felle kritiek van de peer-reviewers. Het grootste euvel in het artikel is de grote sprong vanuit de zeer wankele gegevens naar het advies aan jonge student-onderzoekers: blijf weg van vrouwelijke promotoren, want zij schaden je toekomstige carrière. Wetenschappers zijn daarom erg bezorgd over deze studie en dat is niet omdat de conclusies hun niet bevallen, zoals sommigen durven te beweren, maar omdat de boodschap die nu wordt verspreid, gebaseerd is op slordig uitgevoerd onderzoek. Artikels die voor de hand liggende methodologische flaters bevatten, zouden niet ter perse mogen gaan. Hun data zijn immers vals, falsificatie dus, een inbreuk op wetenschappelijke integriteit.

Duizenden collega's ondersteunen daarom ook de oproep van Lesley Vosshall (Howard Hughes Medical Institute, Rockefeller universiteit) aan Nature Communications om dit artikel terug te trekken. Ook het wereldberoemd onderzoeksinstituut EMBL (European Molecular Biology Laboratory) en het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) zijn scherp en vragen dat Nature Communications nu snel actie onderneemt.

Hoewel de studie enkel publicaties van jonge onderzoekers uit de VSA onderzocht, kan ook door verdere berichtgeving foute informatie breder verspreid worden. De Women in Science-beweging is geschokt over de valse beweringen zoals "blijf weg van vrouwelijke promotoren, want dit is nefast" en vreest dat deze slecht onderbouwde stellingen schade toebrengen zowel aan gevestigde vrouwelijke academici als aan jong vrouwelijk talent. Deze boodschap versterkt de diepgewortelde vooroordelen en ongelijkheden die generaties lang belemmerend waren voor vrouwen, en die nu opnieuw de loopbaankeuzes van jonge vrouwen lijken te gaan bepalen. Succesvol wetenschappelijk onderzoek zowel bij vrouwelijke als mannelijke promotoren hangt af van de aanwerving van getalenteerde jongeren, ongeacht hun geslacht.

Het steevast vasthouden aan foute vooroordelen verarmt de wetenschap, en ontmoedigt vrouwen om deel te nemen aan wetenschappelijk onderzoek. Het zijn artikels al deze die bijdragen tot de ondervertegenwoordiging van vrouwen in alle wetenschappelijke disciplines, zowel in exacte, ingenieurs en biomedische wetenschappen (STEM) als in menswetenschappen.

Liliane Schoofs is professor Biologie aan de KU Leuven en is voormalig vicerector onderzoeksbeleid.

Patrizia Agostinis is professor celbiologie aan de KU Leuven.

Gabriele Bergers is professor Oncologie aan de KU Leuven.

Nature Communications, een befaamd wetenschappelijk vakblad, publiceerde op 17 november 2020 een artikel van Bedoor AlShebli en collega's, dat veel ophef veroorzaakte op sociale media. De auteurs onderzochten een grote dataset van publicaties met een computerprogramma en kwamen tot verbazingwekkende vaststellingen: Jonge vrouwelijke onderzoekers zijn meer gebaat met een mannelijke promotor (leider van het onderzoek). Promotoren, vooral vrouwen, zouden meer voordeel halen uit het aanwerven van mannelijke eerder dan vrouwelijke doctoraatstudenten of junior postdocs. En, zo stelt het artikel, het huidige diversiteitsbeleid dat vrouwelijk mentorschap stimuleert, vormt een hindernis voor de toekomstige carrière van vrouwelijke academici. Dat zijn heel straffe conclusies. Maar ze zijn ook verfoeilijk omdat het gevoerde onderzoek van het AlShebli-team tal van fouten bevat, zowel wat betreft het ontwerp van de studie, de gebruikte methoden, als de interpretatie van de gegevens. De studie vertrekt van foute veronderstellingen, wat ongehoord is in rigoureus uitgevoerd wetenschappelijk onderzoek. Zo gaan AlShebli en co ervan uit dat de eerste auteur van een publicatie altijd de jonge student-onderzoeker is en de laatste coauteur steeds de promotor. Het artikel gebruikt systematisch de term mentorschap, terwijl het in feite gaat over co-auteurschap, wat leidt tot een vervalst beeld van de resultaten. De rol van de mentor die zijn/haar doctoraatsstudent ondersteunt en begeleidt, is zoveel meer dan de coauteur van een artikel.Een tweede veronderstelling stelt het aantal citaties van een publicatie gelijk aan de kwaliteit van mentorschap. De kwaliteit van een promotor wordt hierdoor herleid tot het aantal keren dat hij/zij genoemd wordt in andere studies. Dat is een flagrant fout uitgangspunt. Vandaag de dag wordt onderzoekskwaliteit gemeten aan de hand van meerdere parameters zoals ook het verwerven van onderzoeksfinanciering, uitgenodigde lezingen, internationale samenwerking, de vertaling van het onderzoek naar de praktijk en op vele plaatsen ook het welzijn van de doctoraatsstudenten op de werkvloer. De KU Leuven publiceerde enkele jaren geleden al een charter van een goede promotor. Dat charter stelt dat de promotor een stimulerende, coördinerende en evaluerende rol vervult en dat hij of zij ervoor moet zorgen dat de doctoraatsstudent voldoende vaardigheden of "transferable skills" moet verwerven die nuttig zijn voor de verdere loopbaan binnen of buiten de academische wereld. Het aantal citaties is absoluut geen weergave van goed promotorschap.Niet enkel zijn de vertrekpunten van de studie fout, maar ook de gebruikte methode faalt. Als men dan toch absoluut onderzoek wil voeren dat de kwaliteit van mannelijke en vrouwelijk onderzoekers vergelijkt, is het van cruciaal belang dat men het geslacht van deze onderzoekers ook kent. Hiertoe gebruikte AlShebli en co een onbetrouwbare app, Genderize.io, die zich baseert op de voornaam van de auteur. De auteurs geven zelf aan dat deze app het geslacht niet kon bepalen voor ruim 47% van de ingevoerde auteursnamen. Dat betekent dus dat bijna de helft van de publicaties niet werd onderzocht. Daar blijft het niet bij. Amper 167 onderzoekers uit de 2.000 bevraagden in een steekproef (nauwelijks 1% dus) stuurden een antwoord in, en bijna de helft daarvan beweerde amper begeleiding te hebben gekregen van de laatste auteurs op hun publicatie. In het artikel strekt de datum van de eerste publicatie van de jonge onderzoeker zich uit over een periode van 1897 tot 2013. Iedereen weet dat er in het jaar 1897 weinig vrouwen werkzaam waren in de academische sector. Het artikel berekent ook het effect van promotoren die meer dan 200 jaar geleden leefden. Het lijkt ons volstrekt belachelijk om citaties en andere effecten uit deze periode te vergelijken tussen mannen en vrouwen. Volgens sommige grafieken lijken wetenschappers ook nog 116 jaar te leven na hun eerste publicatie. Prof Daniel Weeks (U. Pittsburgh) bekritiseerde fel de statististische onjuistheden en de ontbrekende gevens in het AlShebli artikel.Hoewel Nature Communications open access is, wat betekent dat de auteurs verplicht zijn om al hun data en methoden openbaar te maken, ontbreekt ook de gebruikte software code voor een aantal gegevens. Als gevolg hiervan kunnen anderen de studie niet overdoen, wat essentieel is in wetenschappelijk onderzoek. Nature Communications besliste om het artikel toch te publiceren, ondanks de felle kritiek van de peer-reviewers. Het grootste euvel in het artikel is de grote sprong vanuit de zeer wankele gegevens naar het advies aan jonge student-onderzoekers: blijf weg van vrouwelijke promotoren, want zij schaden je toekomstige carrière. Wetenschappers zijn daarom erg bezorgd over deze studie en dat is niet omdat de conclusies hun niet bevallen, zoals sommigen durven te beweren, maar omdat de boodschap die nu wordt verspreid, gebaseerd is op slordig uitgevoerd onderzoek. Artikels die voor de hand liggende methodologische flaters bevatten, zouden niet ter perse mogen gaan. Hun data zijn immers vals, falsificatie dus, een inbreuk op wetenschappelijke integriteit. Duizenden collega's ondersteunen daarom ook de oproep van Lesley Vosshall (Howard Hughes Medical Institute, Rockefeller universiteit) aan Nature Communications om dit artikel terug te trekken. Ook het wereldberoemd onderzoeksinstituut EMBL (European Molecular Biology Laboratory) en het Vlaams Instituut voor Biotechnologie (VIB) zijn scherp en vragen dat Nature Communications nu snel actie onderneemt.Hoewel de studie enkel publicaties van jonge onderzoekers uit de VSA onderzocht, kan ook door verdere berichtgeving foute informatie breder verspreid worden. De Women in Science-beweging is geschokt over de valse beweringen zoals "blijf weg van vrouwelijke promotoren, want dit is nefast" en vreest dat deze slecht onderbouwde stellingen schade toebrengen zowel aan gevestigde vrouwelijke academici als aan jong vrouwelijk talent. Deze boodschap versterkt de diepgewortelde vooroordelen en ongelijkheden die generaties lang belemmerend waren voor vrouwen, en die nu opnieuw de loopbaankeuzes van jonge vrouwen lijken te gaan bepalen. Succesvol wetenschappelijk onderzoek zowel bij vrouwelijke als mannelijke promotoren hangt af van de aanwerving van getalenteerde jongeren, ongeacht hun geslacht. Het steevast vasthouden aan foute vooroordelen verarmt de wetenschap, en ontmoedigt vrouwen om deel te nemen aan wetenschappelijk onderzoek. Het zijn artikels al deze die bijdragen tot de ondervertegenwoordiging van vrouwen in alle wetenschappelijke disciplines, zowel in exacte, ingenieurs en biomedische wetenschappen (STEM) als in menswetenschappen. Liliane Schoofs is professor Biologie aan de KU Leuven en is voormalig vicerector onderzoeksbeleid.Patrizia Agostinis is professor celbiologie aan de KU Leuven.Gabriele Bergers is professor Oncologie aan de KU Leuven.