Op papier ziet het er voor informateur Paul Magnette (PS) en voor de diehardfans van een paars-groene coalitie misschien logisch uit. Zonder de CD&V heeft die coalitie amper één zetel op overschot. Dat is haast onwerkbaar, zeker in een meerderheid waar de politieke spanningen al van bij de start ingebakken zitten. Eén Open VLD'er hoeft de volgende jaren maar een tegenstem uit te brengen tegen deze of gene 'linkse' maatregel die op de korrel genomen wordt door het gros van de opiniemakers en economen in het noorden van het land, en groot applaus in de Vlaamse pers is gegarandeerd zijn deel. Hij of zij zou zich in de eigen partij zelfs incontournable kunnen maken, als het manoeuvre goed wordt aangepakt. Zo'n succes is voor meer dan één parlementslid te mooi om te laten liggen.

Vandaar de niet eens onlogische uitbreiding naar de Vlaamse democraten van CD&V. Met de twaalf Vlaamse christendemocraten erbij komt dan een veel comfortabelere meerderheid van 13 zetels, en Vlaanderen is dan op z'n minst vertegenwoordigd met 38 Kamerleden - dat is nog altijd verre van een meerderheid van de zetels in de Nederlandstalige taalgroep, maar er wordt dan ook niet meer echt 'tegen het noorden van het land in geregeerd', wat met de beperkte meerderheid van vandaag wel het geval zou zijn.

'Als we nodig zijn'

Alleen heeft zo'n toetreding van de CD&V een merkwaardige consequentie voor ongeveer de helft van alle partijen van zo'n paars-groen-oranje regering. In een onopvallende zin in een interview met Knack had SP.A'er Bruno Tobback er al op gewezen: '(Partijvoorzitter) Conner Rousseau heeft bevestigd dat wij niet zullen meedoen "om den hoop te vullen". We stappen pas mee in een coalitie als we nodig zijn én inhoudelijk het verschil kunnen maken.'

Zeker, als Vlaams Parlementslid is Tobback niet rechtstreeks betrokken bij de federale onderhandelingen, maar de ex-SP.A-voorzitter weet drommels goed waar de klepel hangt. Het gaat 'm om de woorden 'als we nodig zijn'. In een paars coalitie met de CD&V - nogmaals: met een meerderheid van 13 zetels - is de SP.A met haar negen zetels strikt gezien niet meer nodig om tot een meerderheid te komen. Dat probleem doet zich dan ook voor voor Groen (8 zetels), de Open VLD (12 zetels) en eigenlijk ook voor de CD&V zelf, die een coalitie komt depanneren die eigenlijk al in de steigers stond, zij het op net te krappe basis. De komst van de CD&V versterkt dus de eventuele coalitie-Magnette, maar verzwakt in één klap de positie van vier regeringspartijen. Pikant detail: van de vier Vláámse regeringspartijen. De drie Franstaligen - de PS met 20 zetels, de MR met 14 zetels en zelfs Ecolo met 13 zetels - hebben er geen last van. Met de CD&V erbij staan de vier mogelijke Vlaamse regeringspartijen in één klap zwakker: ze zijn wiskundig (en dus ook politiek) niet meer strikt nodig.

De komst van de CD&V versterkt de eventuele coalitie-Magnette, maar verzwakt in één klap de positie van vier Vlaamse regeringspartijen.

Het gaat om een fundamenteel mechanisme in een parlementaire democratie die bestuurd wordt door een coalitieregering. Die kan politiek slechts behoorlijk functioneren als het vertrek van een van de deelnemende partijen de regering ook daadwerkelijk laat vallen. In het geval van een regering met de CD&V erbij worden de vier Vlaamse partijen in één klap 'ontmand'. Zelfs als er één kwaad opstapt - of door andere partijen naar de uitgang wordt getergd - maakt het vertrek niets uit, en kan het kabinet na een obligate regeringscrisis de rit gewoon uitdoen.

De macht van het getal

Dat is niet zonder belang bij een regering waarin de interne politieke tegenstellingen voorlopig nog zeer groot zijn, en het kabinet alleen levensvatbaar is als er bij alle partijen de wil is om samen een aantal doelstellingen waar te maken (het 'project' van de regering) en het liefst ook om samen het einde van de ambtstermijn te halen. Maar goede wil alleen volstaat doorgaans niet. In de Wetstraat is macht vaak een beter argument dan wil, zeker als het erop aankomt tijdens politieke crisissen. In een parlementaire democratie, met haar spel van meerderheid en minderheid, komt dat altijd neer op de macht van het getal. Dat is straks nog meer dan voorheen het geval, als er over een nieuwe, aartsmoeilijke begroting gebakkeleid zal worden, en men binnen de regering afspraken moet afdwingen wie de zwaarste inspanningen zal moeten leveren, over arbeidsmarkt, milieu, klimaat of asiel, en hoe dat allemaal communautair verdeeld zal worden. Een beetje federale regeringspartij moet in cruciale discussies op een bepaald moment kunnen zeggen: 'Tot hier en niet verder.' Ook - zeg maar: zéker - in een bonte coalitieregering met mogelijk wisselende interne ad-hocbondgenootschappen.

Zeker, een jaar geleden dacht de N-VA tijdens de Marrakeshcrisis de macht van het getal te laten spelen, maar omdat de verkiezingen 'nabij' waren, verkoos men om de gevallen regering-Michel in lopende zaken te laten. En vervolgens strompelde niet alleen de regering verder, maar werd ook de politieke besluitvorming kreupel: een parlementair stelsel zonder werkbare regering is gehandicapt.

De geschiedenis van de (te) kleine regeringspartijen is een somber verhaal.

Would be-meerderheidspartijen die in een coalitie stappen waarin in elke ernstige crisis wiskundig geen rekening met hen gehouden hoeft te worden, moeten goed beseffen waaraan ze beginnen. De geschiedenis van de (te) kleine regeringspartijen is een somber verhaal. Tussen 1988 en 1991 was er bijvoorbeeld de regering (Wilfried) Martens-VIII: een rooms-rood kabinet aangevuld met de gematigde Vlaams-nationalisten van de Volksunie (VU). Ook zonder de 16 VU-zetels hadden de vier klassieke regeringspartijen in de toenmalige Kamer (212 zetels) een comfortabele meerderheid van 134 zetels. Toen de VU in de aanloop naar de verkiezingen een communautair geladen rel uitlokte over wapenleveringen van FN Herstal, mocht de VU beschikken: de rest van de regering deed (nog even) door.

Het avontuur liep voor niemand goed af, zeker niet voor de Vlaamse meerderheidspartijen - die verloren op 21 november 1991 allemaal een pak stemmen (aan het VB). Voor de Volksunie was het verlies desastreus: de partij verloor meer dan een derde van haar Kamerzetels (van 16 naar 10) en zakte onder de tienprocentgrens. Met andere woorden: de kleine regeringspartij die boven haar gewicht probeerde te boksen en electoraal garen hoopte te spinnen uit een zelfuitgelokte crisis verloor in werkelijkheid zó veel stemmen en zetels dat ze in een existentiële crisis terechtkwam, die uiteindelijk zou leiden tot haar verkruimeling. En tot de geboorte van de N-VA.

IJdele hoop

Minstens even erg is het als de grote meerderheidspartijen op een bepaald ogenblik van oordeel zijn dat de 'kleintjes' zich al te veel hebben misdragen: dan worden ze gewoon naar de uitgang geduwd. Dat gebeurde zelfs in de 'gezellige vriendenclub' die de paars-groene regering-Verhofstadt I (1999-2003) beoogde te zijn.

Ook in dat kabinet waren de tegenstellingen tussen rechts en links in werkelijkheid veel groter en scherper dan wat velen zich herinneren. Niet zozeer de PS, maar Ecolo werkte als een lap op een stier in de Vlaamse publieke opinie, en Groen dreigde na een tijd meegesleurd te worden in die negatieve spiraal. Toen mobiliteitsminister Isabelle Durant (Ecolo) zich in het dossier van de nachtvluchten voor zowat alle andere regeringspartijen onmogelijk had gemaakt, 'verliet' Ecolo de regering-Verhofstadt. In werkelijkheid werd de partij onvriendelijk bedankt voor bewezen diensten. Dat gebeurde op 5 mei 2003, minder dan twee weken voor de verkiezingen van 18 mei.

Eigenlijk hadden de groenen voldoende zetels (20) om de regering-Verhofstadt (94 zetels op 150) op de valreep te laten vallen, maar Agalev (zo heette Groen toen) koos eieren voor zijn geld en volgde Ecolo níét naar de oppositie, waardoor de regering toch in staat was om in jubelstemming naar de stembus te trekken. De groenen betaalden dat late vertrek dubbel. Agalev haalde de kiesdrempel niet, verloor 9 zetels en verdween uit de Kamer - tot 2007, zo zou blijken. Ecolo viel van 11 zetels terug tot 4.

Wie met de grote jongens politiek wil bedrijven, moet zorgen dat hij zelf sterk genoeg is om tijdens het boksen de anderen pijn te doen. Anders rest er weinig anders dan, in de woorden van Tobback, 'den hoop te vullen'. In de doorgaans ijdele hoop dat de kiezer uiteindelijk wel mild en begrijpend zal zijn.

Op papier ziet het er voor informateur Paul Magnette (PS) en voor de diehardfans van een paars-groene coalitie misschien logisch uit. Zonder de CD&V heeft die coalitie amper één zetel op overschot. Dat is haast onwerkbaar, zeker in een meerderheid waar de politieke spanningen al van bij de start ingebakken zitten. Eén Open VLD'er hoeft de volgende jaren maar een tegenstem uit te brengen tegen deze of gene 'linkse' maatregel die op de korrel genomen wordt door het gros van de opiniemakers en economen in het noorden van het land, en groot applaus in de Vlaamse pers is gegarandeerd zijn deel. Hij of zij zou zich in de eigen partij zelfs incontournable kunnen maken, als het manoeuvre goed wordt aangepakt. Zo'n succes is voor meer dan één parlementslid te mooi om te laten liggen.Vandaar de niet eens onlogische uitbreiding naar de Vlaamse democraten van CD&V. Met de twaalf Vlaamse christendemocraten erbij komt dan een veel comfortabelere meerderheid van 13 zetels, en Vlaanderen is dan op z'n minst vertegenwoordigd met 38 Kamerleden - dat is nog altijd verre van een meerderheid van de zetels in de Nederlandstalige taalgroep, maar er wordt dan ook niet meer echt 'tegen het noorden van het land in geregeerd', wat met de beperkte meerderheid van vandaag wel het geval zou zijn.Alleen heeft zo'n toetreding van de CD&V een merkwaardige consequentie voor ongeveer de helft van alle partijen van zo'n paars-groen-oranje regering. In een onopvallende zin in een interview met Knack had SP.A'er Bruno Tobback er al op gewezen: '(Partijvoorzitter) Conner Rousseau heeft bevestigd dat wij niet zullen meedoen "om den hoop te vullen". We stappen pas mee in een coalitie als we nodig zijn én inhoudelijk het verschil kunnen maken.' Zeker, als Vlaams Parlementslid is Tobback niet rechtstreeks betrokken bij de federale onderhandelingen, maar de ex-SP.A-voorzitter weet drommels goed waar de klepel hangt. Het gaat 'm om de woorden 'als we nodig zijn'. In een paars coalitie met de CD&V - nogmaals: met een meerderheid van 13 zetels - is de SP.A met haar negen zetels strikt gezien niet meer nodig om tot een meerderheid te komen. Dat probleem doet zich dan ook voor voor Groen (8 zetels), de Open VLD (12 zetels) en eigenlijk ook voor de CD&V zelf, die een coalitie komt depanneren die eigenlijk al in de steigers stond, zij het op net te krappe basis. De komst van de CD&V versterkt dus de eventuele coalitie-Magnette, maar verzwakt in één klap de positie van vier regeringspartijen. Pikant detail: van de vier Vláámse regeringspartijen. De drie Franstaligen - de PS met 20 zetels, de MR met 14 zetels en zelfs Ecolo met 13 zetels - hebben er geen last van. Met de CD&V erbij staan de vier mogelijke Vlaamse regeringspartijen in één klap zwakker: ze zijn wiskundig (en dus ook politiek) niet meer strikt nodig.Het gaat om een fundamenteel mechanisme in een parlementaire democratie die bestuurd wordt door een coalitieregering. Die kan politiek slechts behoorlijk functioneren als het vertrek van een van de deelnemende partijen de regering ook daadwerkelijk laat vallen. In het geval van een regering met de CD&V erbij worden de vier Vlaamse partijen in één klap 'ontmand'. Zelfs als er één kwaad opstapt - of door andere partijen naar de uitgang wordt getergd - maakt het vertrek niets uit, en kan het kabinet na een obligate regeringscrisis de rit gewoon uitdoen.Dat is niet zonder belang bij een regering waarin de interne politieke tegenstellingen voorlopig nog zeer groot zijn, en het kabinet alleen levensvatbaar is als er bij alle partijen de wil is om samen een aantal doelstellingen waar te maken (het 'project' van de regering) en het liefst ook om samen het einde van de ambtstermijn te halen. Maar goede wil alleen volstaat doorgaans niet. In de Wetstraat is macht vaak een beter argument dan wil, zeker als het erop aankomt tijdens politieke crisissen. In een parlementaire democratie, met haar spel van meerderheid en minderheid, komt dat altijd neer op de macht van het getal. Dat is straks nog meer dan voorheen het geval, als er over een nieuwe, aartsmoeilijke begroting gebakkeleid zal worden, en men binnen de regering afspraken moet afdwingen wie de zwaarste inspanningen zal moeten leveren, over arbeidsmarkt, milieu, klimaat of asiel, en hoe dat allemaal communautair verdeeld zal worden. Een beetje federale regeringspartij moet in cruciale discussies op een bepaald moment kunnen zeggen: 'Tot hier en niet verder.' Ook - zeg maar: zéker - in een bonte coalitieregering met mogelijk wisselende interne ad-hocbondgenootschappen.Zeker, een jaar geleden dacht de N-VA tijdens de Marrakeshcrisis de macht van het getal te laten spelen, maar omdat de verkiezingen 'nabij' waren, verkoos men om de gevallen regering-Michel in lopende zaken te laten. En vervolgens strompelde niet alleen de regering verder, maar werd ook de politieke besluitvorming kreupel: een parlementair stelsel zonder werkbare regering is gehandicapt.Would be-meerderheidspartijen die in een coalitie stappen waarin in elke ernstige crisis wiskundig geen rekening met hen gehouden hoeft te worden, moeten goed beseffen waaraan ze beginnen. De geschiedenis van de (te) kleine regeringspartijen is een somber verhaal. Tussen 1988 en 1991 was er bijvoorbeeld de regering (Wilfried) Martens-VIII: een rooms-rood kabinet aangevuld met de gematigde Vlaams-nationalisten van de Volksunie (VU). Ook zonder de 16 VU-zetels hadden de vier klassieke regeringspartijen in de toenmalige Kamer (212 zetels) een comfortabele meerderheid van 134 zetels. Toen de VU in de aanloop naar de verkiezingen een communautair geladen rel uitlokte over wapenleveringen van FN Herstal, mocht de VU beschikken: de rest van de regering deed (nog even) door. Het avontuur liep voor niemand goed af, zeker niet voor de Vlaamse meerderheidspartijen - die verloren op 21 november 1991 allemaal een pak stemmen (aan het VB). Voor de Volksunie was het verlies desastreus: de partij verloor meer dan een derde van haar Kamerzetels (van 16 naar 10) en zakte onder de tienprocentgrens. Met andere woorden: de kleine regeringspartij die boven haar gewicht probeerde te boksen en electoraal garen hoopte te spinnen uit een zelfuitgelokte crisis verloor in werkelijkheid zó veel stemmen en zetels dat ze in een existentiële crisis terechtkwam, die uiteindelijk zou leiden tot haar verkruimeling. En tot de geboorte van de N-VA.Minstens even erg is het als de grote meerderheidspartijen op een bepaald ogenblik van oordeel zijn dat de 'kleintjes' zich al te veel hebben misdragen: dan worden ze gewoon naar de uitgang geduwd. Dat gebeurde zelfs in de 'gezellige vriendenclub' die de paars-groene regering-Verhofstadt I (1999-2003) beoogde te zijn. Ook in dat kabinet waren de tegenstellingen tussen rechts en links in werkelijkheid veel groter en scherper dan wat velen zich herinneren. Niet zozeer de PS, maar Ecolo werkte als een lap op een stier in de Vlaamse publieke opinie, en Groen dreigde na een tijd meegesleurd te worden in die negatieve spiraal. Toen mobiliteitsminister Isabelle Durant (Ecolo) zich in het dossier van de nachtvluchten voor zowat alle andere regeringspartijen onmogelijk had gemaakt, 'verliet' Ecolo de regering-Verhofstadt. In werkelijkheid werd de partij onvriendelijk bedankt voor bewezen diensten. Dat gebeurde op 5 mei 2003, minder dan twee weken voor de verkiezingen van 18 mei. Eigenlijk hadden de groenen voldoende zetels (20) om de regering-Verhofstadt (94 zetels op 150) op de valreep te laten vallen, maar Agalev (zo heette Groen toen) koos eieren voor zijn geld en volgde Ecolo níét naar de oppositie, waardoor de regering toch in staat was om in jubelstemming naar de stembus te trekken. De groenen betaalden dat late vertrek dubbel. Agalev haalde de kiesdrempel niet, verloor 9 zetels en verdween uit de Kamer - tot 2007, zo zou blijken. Ecolo viel van 11 zetels terug tot 4. Wie met de grote jongens politiek wil bedrijven, moet zorgen dat hij zelf sterk genoeg is om tijdens het boksen de anderen pijn te doen. Anders rest er weinig anders dan, in de woorden van Tobback, 'den hoop te vullen'. In de doorgaans ijdele hoop dat de kiezer uiteindelijk wel mild en begrijpend zal zijn.