Zaterdagochtend las ik op de twitter-wall van Brussels minister Alain Maron het volgende: "#Transmigranten, zonder huisvesting, worden sterk blootgesteld aan de pandemie van het #coronavirus. Een verblijfsoplossing was dringend noodzakelijk!" Die triomfantelijk aangekondigde oplossing neemt in Brussel twee vormen aan: een Brusselse hostel stelt 120 bedden ter beschikking en opvangcentrum Porte d'Ulysse verwelkomt nu zowel overdag als 's nachts 350 mensen. Sindsdien vorderden ook de gemeentes Etterbeek en Vorst hotels op en voorzien het Rode Kruis, Samusocial en Artsen zonder Grenzen samen in zo'n 184 bedden voor mensen zonder eigen onderkomen die kampen met coronasymptomen.

Dat is natuurlijk allemaal goed nieuws - grotendeels te danken aan de bewonderenswaardige inzet van privépersonen en NGO's. Maar wat betekenen die paar honderd plaatsen wanneer er de afgelopen dagen in Brussel sprake was van duizenden mensen die geen dak boven het hoofd hebben en door hun leefomstandigheden erg vatbaar zijn voor het coronavirus?

Solidariteit wordt selectief ingevuld wanneer het gaat over mensen die de staat niet als burgers erkent.

Op vrijdag 13 maart, een dag voor de federale maatregelen van kracht werden om de spreiding van het coronavirus in België tegen te gaan, waarschuwde Dokters van de Wereld al dat deze maatregelen volstrekt niet zijn aangepast aan de realiteit van mensen die simpelweg geen huis hebben om aan thuisquarantaine te doen. Op dinsdag 17 maart ging aanmeldcentrum Klein Kasteeltje tot nader order dicht. Wie in België asiel wil aanvragen, kan zich sindsdien niet meer registeren. Noodopvang werd niet voorzien. Organisaties als 11.11.11, Amnesty International Vlaanderen, De Liga voor Mensenrechten, Orbit vzw, het Netwerk Tegen Armoede en Vluchtelingenwerk Vlaanderen hekelden de regering die "in deze onzekere tijden kwetsbare mensen zoals asielzoekers en daklozen in de steek laat maar wel oproept naar de bevolking toe solidariteit te tonen met elkaar." Omdat er momenteel niemand kan worden uitgewezen, besliste Dienst Vreemdelingenzaken op 19 maart om 300 mensen uit gesloten centra op straat te zetten. Noodopvang werd niet voorzien. Dezelfde dag verdreef de Brusselse politie met honden mensen zonder onderkomen uit het Maximiliaanpark omdat ze het samenscholingsverbod zouden schenden. Vrijwilligers die thuis mensen te slapen leggen en helpen bij voedselbedelingen werden beboet.

Na enkele jaren onderzoek naar Europees grensbeleid en mobiliteitsmanagement, ben ik al lang niet meer verbaasd over het politieke gebrek aan realiteitszin en daadkracht wanneer het gaat over mensen die de staat niet als burgers erkent (en die dus geen aanspraak kunnen maken op burgerrechten, maar alleen maar op niet-bindende 'universele mensenrechten'). Westerse landen als België lijden op dat vlak aan een historisch onvermogen, steevast toegedekt met de vlag van het humanitarisme. De verslagen van de conferentie van Évian in 1938 spreken boekdelen. Die allereerste 'vluchtelingentop' in Europa vond plaats enkele maanden voor de Novemberpogroms van 1938, waarin honderden Joden werden vermoord en duizenden Joodse huizen, winkels, synagoges en kerkhoven werden vernield. Op de conferentie putten alle aanwezige afgevaardigden zich eerst uit om het deerniswekkende lot van de Duitse en Oostenrijkse Joden te beschrijven, om daarna haarfijn uiteen te zetten waarom precies hun land juist nu niet in staat was om vluchtelingen op te vangen. Het nazipartijblad Völkischer Beobachter kopte spottend: "Keiner will Sie haben" [Niemand wil ze hebben]. 80 Jaar later echode die krantenkop na in een zeldzaam openhartig interview dat ik had met een anonieme Europese ambtenaar werkzaam binnen Asiel en Migratie: "We no longer want those refugees. It's not 'we do not need' or 'we cannot handle', it's 'we don't want'." [We willen die vluchtelingen niet meer. Het is geen kwestie van 'niet nodig hebben' of 'niet aankunnen', maar van 'niet willen'.] De overbevolkte kampen, bilaterale akkoorden met autoritaire regimes en het gedogen van illegale terugduwoperaties vormen niet de uitwassen, maar juist de kern van ons grensregime waarin geweld en humanitarisme steevast hand in hand gaan.

In die zin is de oproep van overheden tot 'hartverwarmende solidariteit' onder hun burgers niet in contradictie met een gebrek aan adequaat ingrijpen ten behoeve van de mensen die niet als burgers worden erkend. De bijzonder selectieve invulling van het begrip 'solidariteit' werd me opnieuw pijnlijk duidelijk toen ik me als vrijwilliger wou aanmelden via recent gelanceerde platforms als Vlaanderenhelpt en Brusselshelps. Hoe nodig ook, de categorieën vrijwilligerswerk waarvoor ik me blijkbaar kan inschrijven, doen vooral denken aan de feelgoodacties die al enkele weken op sociale media circuleren - van balkonoperettes (waarvoor je dus eerst al een balkon moet hebben) en raamapplaus voor hulpverleners (wier werk al jaren systematisch kapot wordt bespaard) tot het delen van zelfreflectieve isolatiedagboeken (geschreven in een buitenverblijf op het platteland).

De categorie van vrijwilligerswerk die het op Brusselshelps met meer dan 500 inschrijvingen vandaag het beste doet, is het uitlaten van de honden van Brusselaars die voorlopig niet kunnen buitenkomen.

Nergens op de pagina wordt er gewag gemaakt van de mensen die vergeefs aanschoven voor een gesloten Klein kasteeltje, die uit het Maximiliaanpark werden gejaagd of uit een gesloten centrum werden gezet. Wanneer gaan we ons als burgers en overheden effectief solidair betuigen en ten volle verantwoordelijkheid nemen voor deze situatie? Of gaan we echt wachten tot ze ontploft tot de volgende humanitaire crisis? Tot we de kranten weer kunnen vullen met de verlammende, meelijwekkende beelden van het eindeloze lijden van mensen van wie we weigeren te erkennen dat ze niet om abstracte, contextloze redenen thuisloos door Brussel dolen. Van wie we weigeren te erkennen dat we onlosmakelijk met hun lot verbonden zijn, door onze koloniale geschiedenissen en de postkoloniale machtsverhoudingen die doorwerken in ons internationaal visumbeleid en ons Europees grensbeleid. Van wie we weigeren te erkennen dat zij de verliezers zijn van een structurele ongelijkheid die wij in deze tijden van 'hartverwarmende solidariteit' samen mee in stand houden.

Zaterdagochtend las ik op de twitter-wall van Brussels minister Alain Maron het volgende: "#Transmigranten, zonder huisvesting, worden sterk blootgesteld aan de pandemie van het #coronavirus. Een verblijfsoplossing was dringend noodzakelijk!" Die triomfantelijk aangekondigde oplossing neemt in Brussel twee vormen aan: een Brusselse hostel stelt 120 bedden ter beschikking en opvangcentrum Porte d'Ulysse verwelkomt nu zowel overdag als 's nachts 350 mensen. Sindsdien vorderden ook de gemeentes Etterbeek en Vorst hotels op en voorzien het Rode Kruis, Samusocial en Artsen zonder Grenzen samen in zo'n 184 bedden voor mensen zonder eigen onderkomen die kampen met coronasymptomen. Dat is natuurlijk allemaal goed nieuws - grotendeels te danken aan de bewonderenswaardige inzet van privépersonen en NGO's. Maar wat betekenen die paar honderd plaatsen wanneer er de afgelopen dagen in Brussel sprake was van duizenden mensen die geen dak boven het hoofd hebben en door hun leefomstandigheden erg vatbaar zijn voor het coronavirus?Op vrijdag 13 maart, een dag voor de federale maatregelen van kracht werden om de spreiding van het coronavirus in België tegen te gaan, waarschuwde Dokters van de Wereld al dat deze maatregelen volstrekt niet zijn aangepast aan de realiteit van mensen die simpelweg geen huis hebben om aan thuisquarantaine te doen. Op dinsdag 17 maart ging aanmeldcentrum Klein Kasteeltje tot nader order dicht. Wie in België asiel wil aanvragen, kan zich sindsdien niet meer registeren. Noodopvang werd niet voorzien. Organisaties als 11.11.11, Amnesty International Vlaanderen, De Liga voor Mensenrechten, Orbit vzw, het Netwerk Tegen Armoede en Vluchtelingenwerk Vlaanderen hekelden de regering die "in deze onzekere tijden kwetsbare mensen zoals asielzoekers en daklozen in de steek laat maar wel oproept naar de bevolking toe solidariteit te tonen met elkaar." Omdat er momenteel niemand kan worden uitgewezen, besliste Dienst Vreemdelingenzaken op 19 maart om 300 mensen uit gesloten centra op straat te zetten. Noodopvang werd niet voorzien. Dezelfde dag verdreef de Brusselse politie met honden mensen zonder onderkomen uit het Maximiliaanpark omdat ze het samenscholingsverbod zouden schenden. Vrijwilligers die thuis mensen te slapen leggen en helpen bij voedselbedelingen werden beboet.Na enkele jaren onderzoek naar Europees grensbeleid en mobiliteitsmanagement, ben ik al lang niet meer verbaasd over het politieke gebrek aan realiteitszin en daadkracht wanneer het gaat over mensen die de staat niet als burgers erkent (en die dus geen aanspraak kunnen maken op burgerrechten, maar alleen maar op niet-bindende 'universele mensenrechten'). Westerse landen als België lijden op dat vlak aan een historisch onvermogen, steevast toegedekt met de vlag van het humanitarisme. De verslagen van de conferentie van Évian in 1938 spreken boekdelen. Die allereerste 'vluchtelingentop' in Europa vond plaats enkele maanden voor de Novemberpogroms van 1938, waarin honderden Joden werden vermoord en duizenden Joodse huizen, winkels, synagoges en kerkhoven werden vernield. Op de conferentie putten alle aanwezige afgevaardigden zich eerst uit om het deerniswekkende lot van de Duitse en Oostenrijkse Joden te beschrijven, om daarna haarfijn uiteen te zetten waarom precies hun land juist nu niet in staat was om vluchtelingen op te vangen. Het nazipartijblad Völkischer Beobachter kopte spottend: "Keiner will Sie haben" [Niemand wil ze hebben]. 80 Jaar later echode die krantenkop na in een zeldzaam openhartig interview dat ik had met een anonieme Europese ambtenaar werkzaam binnen Asiel en Migratie: "We no longer want those refugees. It's not 'we do not need' or 'we cannot handle', it's 'we don't want'." [We willen die vluchtelingen niet meer. Het is geen kwestie van 'niet nodig hebben' of 'niet aankunnen', maar van 'niet willen'.] De overbevolkte kampen, bilaterale akkoorden met autoritaire regimes en het gedogen van illegale terugduwoperaties vormen niet de uitwassen, maar juist de kern van ons grensregime waarin geweld en humanitarisme steevast hand in hand gaan.In die zin is de oproep van overheden tot 'hartverwarmende solidariteit' onder hun burgers niet in contradictie met een gebrek aan adequaat ingrijpen ten behoeve van de mensen die niet als burgers worden erkend. De bijzonder selectieve invulling van het begrip 'solidariteit' werd me opnieuw pijnlijk duidelijk toen ik me als vrijwilliger wou aanmelden via recent gelanceerde platforms als Vlaanderenhelpt en Brusselshelps. Hoe nodig ook, de categorieën vrijwilligerswerk waarvoor ik me blijkbaar kan inschrijven, doen vooral denken aan de feelgoodacties die al enkele weken op sociale media circuleren - van balkonoperettes (waarvoor je dus eerst al een balkon moet hebben) en raamapplaus voor hulpverleners (wier werk al jaren systematisch kapot wordt bespaard) tot het delen van zelfreflectieve isolatiedagboeken (geschreven in een buitenverblijf op het platteland). De categorie van vrijwilligerswerk die het op Brusselshelps met meer dan 500 inschrijvingen vandaag het beste doet, is het uitlaten van de honden van Brusselaars die voorlopig niet kunnen buitenkomen.Nergens op de pagina wordt er gewag gemaakt van de mensen die vergeefs aanschoven voor een gesloten Klein kasteeltje, die uit het Maximiliaanpark werden gejaagd of uit een gesloten centrum werden gezet. Wanneer gaan we ons als burgers en overheden effectief solidair betuigen en ten volle verantwoordelijkheid nemen voor deze situatie? Of gaan we echt wachten tot ze ontploft tot de volgende humanitaire crisis? Tot we de kranten weer kunnen vullen met de verlammende, meelijwekkende beelden van het eindeloze lijden van mensen van wie we weigeren te erkennen dat ze niet om abstracte, contextloze redenen thuisloos door Brussel dolen. Van wie we weigeren te erkennen dat we onlosmakelijk met hun lot verbonden zijn, door onze koloniale geschiedenissen en de postkoloniale machtsverhoudingen die doorwerken in ons internationaal visumbeleid en ons Europees grensbeleid. Van wie we weigeren te erkennen dat zij de verliezers zijn van een structurele ongelijkheid die wij in deze tijden van 'hartverwarmende solidariteit' samen mee in stand houden.