Waarom Bart De Wever het zwaarder te verduren zal hebben dan Jean-Luc Dehaene

Bart De Wever verwees in de Kamer naar de prestaties van ex-premier Jean-Luc Dehaene (CD&V). Klopte hij zich niet wat voorbarig op de borst? © Belga
Walter Pauli

In zijn toespraak voor de Kamer verwees eerste minister Bart De Wever (N-VA) naar zijn verre voorganger Jean-Luc Dehaene, die zijn land ook door een besparingsoperatie moest loodsen. Maar historische vergelijkingen hebben één ding gemeen: ze kloppen nooit helemaal.

Uitgerekend op de eerste dag dat BDWde biografie waarin auteur Tom De Smet het punt maakt dat Bart De Wever behept is met de idee wat zijn plaats in de geschiedenisboeken zal zijn – in de winkelrekken ligt, houdt de eerste minister een toespraak die bol staat van de historische verwijzingen. Naar Jean-Luc Dehaene bijvoorbeeld, die in 1995 de verkiezingen won met de slogan ‘De tocht is moeilijk, de gids ervaren’.

Bart De Wever heeft één aspect uit het oog verloren: de timing. Dehaene was twee opeenvolgende regeerperiodes premier, van 7 maart 1992 tot 12 juli 1999. Pas bij de ‘tussentijdse verkiezing’ in 1995 lanceerde hij zijn slogan van de tocht en de gids. De Wever staat daar pas bij de volgende verkiezingen in 2029, als zijn regering niet eerder valt.

Ook De Wever geeft zichzelf overigens twee regeerperiodes tijd, tien jaar dus. (Hij moet natuurlijk nog opnieuw premier kunnen worden in 2029: het lijkt haast een detail, maar dat is het uiteraard niet.) Dehaene moest het, met kortere regeerperiodes van vier jaar, redden in maximaal acht jaar. En dat deed hij.

Bart De Wever zal die twee extra jaren goed kunnen gebruiken, want de omstandigheden zijn vandaag veel moeilijker dan toen.

Het enige voordeel dat Bart De Wever heeft, is dat zijn startpositie veel beter is. Dehaene moest in 1992 België binnen de zogenaamde Europese Economische en Monetaire Unie (EMU) kunnen loodsen: tegen 1996 – later werd dat 1997 – mocht het deficit niet hoger liggen dan 3 procent van het bnp. Dat kon maar door een bijzonder grote, volgehouden inspanning, want toen Dehaene in maart 1992 het bestuur van het land in handen kreeg, bedroeg het tekort 7,5 procent.

Dat naar de huidige normen zeer hoge tekort was al een ‘succes’. Dehaenes voorganger en partijgenoot Wilfried Martens had de hele jaren 1980 uitzonderlijk hard bespaard: het Belgische begrotingstekort had in 1981 een piek van 16 procent bereikt. Die opstoot was het gevolg van het absolute laxisme van de beruchte PS-begrotingsminister Guy Mathot. ‘Het gat in de begroting is er vanzelf gekomen en zal dus wel vanzelf verdwijnen’, zei hij. Niet dus.

Toen Dehaene in 1992 het bestuur van het land in handen kreeg, bedroeg het tekort 7,5 procent van het bnp. De Wever vertrekt met een deficit van 5,4 procent vanuit een betere positie.

Mathot had de steun van de socialistische vakbond ABVV, met name van voorzitter Georges Debunne, die elke ‘sociale afbraak’ afwees. Tegen die retoriek konden ook de socialistische partijen niet op. Daarom besloten de christendemocraten tot een coalitiewissel: de socialisten vlogen uit de regering, de liberalen mochten er weer bij. Zo begon een tijd van bijna twintig jaar vaak pijnlijk besparen door de christendemocratische premiers Martens en Dehaene. Vanaf 1988 trouwens opnieuw met de socialisten aan boord. Die hadden zich intussen neergelegd bij een aantal economische wetmatigheden.

Zoals professor Wim Moesen begin dit jaar in Knack zei: ‘De regeringen-Martens V en VI hebben toen, met volmachten, het begrotingstekort jaarlijks met gemiddeld 1,1 procent van het bbp verminderd. Dat is veel meer dan de 0,47 procent die we nu moeten verminderen als we het traject van zeven jaar mogen volgen, en zelfs minder dan de 0,71 procent als we het vierjarig traject opgelegd krijgen. En dat in veel moeilijkere omstandigheden. (…) De werkloosheidsgraad bedroeg toen 12 procent, nu nog niet de helft daarvan.’

Vergeleken met Martens en Dehaene, vertrekt De Wever vanuit een comfortabele positie. Ook hij moet binnen de vier jaar naar een tekort van 3 procent, maar hij vertrekt van een deficit van (voorlopig) 5,4 procent van het bnp. De inspanning die hij van het land, en dus vooral van zijn burgers, vraagt, is ‘slecht’ twee derde van de 7,5 procent waarvoor Dehaene stond.

Tot daar het goede nieuws voor De Wever. Op ongeveer alle andere vlakken zit hij in een slechtere positie. Een overzicht.

1. Politieke versnippering

Dehaene leidde een vierpartijencoalitie die terug te voeren was tot twee politieke families: christendemocraten en socialisten. Hun mensbeeld, hun relatie met het middenveld, hun kijk op de welvaartstaat was hoewel verschillend toch gelijkaardig. Dehaene zelf was gepokt en gemazeld in de christelijke arbeidersbeweging. De vier coalitiepartners hervormden samen het sociale systeem, zonder het te willen afbreken. Zo werd er een gezondheidsindex ingevoerd – de index bleef dus bestaan, maar zonder dat bijkomende taksen op bijvoorbeeld sigaretten en alcohol de index naar boven duwden en de loonkosten sneller zouden doen stijgen. Ook de socialisten verdedigden dat.

De Wever leidt een vijfpartijencoalitie die versnipperd is over víér politieke families: Vlaams-nationalisten, liberalen, socialisten en (voormalige) christendemocraten. Zoals de socialistische vicepremier Frank Vandenbroucke onlangs in Knack zei: ‘Andere regeringspartijen hebben niet alleen andere opvattingen, maar zelfs een ander mensbeeld dan het onze.’ Dat denkt men bij de MR en N-VA trouwens ook over Vooruit. De Wever ‘steunt’ dus op een coalitie die veel heterogener is dan die van Dehaene.

2. Militaire dreiging

Op 9 november 1989, een kleine drie jaar voor Dehaene eerste minister werd, viel de Berlijnse Muur. Al op 3 oktober 1990 werd Duitsland weer één. Tussen augustus 1991 en december 1991 viel de Sovjet-Unie uiteen. Toen Dehaene premier werd, was de grote militaire dreiging uit het Oosten ineens verdwenen en stond de eigen Europese club sterker dan ooit.

De plotse veiligheid en stabiliteit lieten Dehaene toe om zijn defensiebudget fors af te bouwen. In 1990 bedroeg de Belgische bijdrage aan de NAVO nog 4,66 miljard dollar. In 1995 kon Dehaene dat laten zakken tot 3,42 miljard dollar, in 1998 zelfs tot 3,33 miljard dollar. In 1990 bedroeg het bedrag voor Defensie 10,812 miljard frank (2, 6 miljard euro). In 1999 was dat gezakt tot 8,428 miljard frank (2,09 miljard euro) – zonder inflatie –, een besparing van zo’n 20 procent.

Op 24 februari 2022, een kleine drie jaar voor Bart De Wever eerste minister werd, viel Rusland Oekraïne binnen. De wereld, Europa inbegrepen, is veel instabieler dan in de tijd van Dehaene. Net als alle NAVO-landen verbindt België zich ertoe meer te investeren in ‘defensie’. Dit jaar gaat het om een stijging van 4 miljard euro van het budget voor landsverdediging, zodat België de NAVO-doelstelling – om minstens 2 procent van hun bbp uit te geven aan defensie – haalt. Het document ‘Strategische Visie Defensie 2025’ gaat ervan uit dat dat budget de komende jaren nog zal stijgen, al heeft de regering de concrete cijfers nog niet afgeklopt. En dat zet natuurlijk alle andere uitgavenposten van de federale overheid extra onder druk.

3. Privatisering

Een belangrijk deel van de operaties die Jean-Luc Dehaene doorvoerde om de overheidsfinanciën in evenwicht te krijgen, was de volledige of gedeeltelijke privatisering van overheidsbedrijven.

Reeds in 1992 begon de omvorming van de Regie voor Telegraaf en Telefoon (RTT) tot Belgacom. In de lente van 1994 volgde de privatisering van 49,9 procent van de aandelen. In zijn Memoires legt Dehaene uit dat bevoegd minister Elio Di Rupo ‘zeer voorzichtig te werk ging’: ‘Hij was overtuigd van de noodzaak van de privatisering, maar vreesde de reactie van de vakbonden.’ Daarom had Di Rupo het over een ‘strategische consolidatie met het oog op de liberalisering van de Europese markt’.

Tussen 1993 en 1999 werd de belangrijke Algemene Spaar- en Lijfrentekas (ASLK) verkocht aan de Nederlandse Fortis-groep. In dezelfde Memoires noteert Dehaene vol trots dat de verkoop van de ASLK niet minder dan 120 miljard Belgische frank (3 miljard euro) had opgebracht: ‘Meteen was de stop van de fles en lag de weg ruim open voor andere privatiseringen.’

Ook andere openbare kredietinstellingen (OKI’s), zoals de Nationale Maatschappij voor Krediet aan de Nijverheid (NMKN), het Landbouwkrediet en de Nationale Kas voor Beroepskrediet, werden verkocht. Na veel intern verzet volgde in 1996 de beursgang van het Gemeentekrediet. Daardoor kon het Franse Crédit Local de France (CLF) zich inkopen. Die fusie mondde uiteindelijk uit in Dexia.

In 1995 verkocht de regering-Dehaene 49,5 procent van de aandelen van de Belgische nationale luchtvaartmaatschappij Sabena aan Swissair. Onder de paarsgroene regering Verhofstadt I werd de hele verkoop voltooid.

Dehaene schafte in 1998 de Regie der Luchtwagen af. De nationale luchthaven van Zaventem werd ondergebracht in de nv BIAC, waarbij de federale overheid slechts 63 procent van de aandelen behield. Vandaag is BIAC grotendeels in privéhanden.

De Wever kan veel minder gebruikmaken van dergelijke operaties. Staatsbank Belfius komt als eerste in aanmerking, zoals minister van Financiën Jan Jambon (N-VA) al aangaf. Van Bpost heeft de overheid nog 51,04 procent van de aandelen in handen. En misschien durft men vroeg of laat naar verzekeraar Ethias te kijken. Daar zijn de federale overheid, het Vlaamse en Waalse Gewest de eigenaars van.

4. Andere maatschappelijk uitdagingen

Vergrijzing, migratie, klimaat: alle grote maatschappelijke uitdagingen die vandaag en in de toekomst tot belangrijkere investeren en meerkosten leiden, dateren van ná de regering-Dehaene.

Dehaene moest (en kon) daar nog geen of amper rekening mee houden. Neem bijvoorbeeld de vergrijzing, met haar sterk oplopende kosten voor pensioenen, gezondheidszorg en (voor de regio’s) welzijn. De eerste vergrijzingscommissie werd opgericht in 2001, twee jaar nadat de laatste regering Dehaene de fakkel had doorgegeven aan paars.

Klimaat was al een issue, maar in veel mindere mate dan vandaag. Het beroemde klimaatakkoord van Kyoto in 1997 focuste op broeikasgassen. Pas op de klimaattop van Parijs in 2015 werd een akkoord bereikt over de beperking van de wereldwijde stijging van de temperatuur, met (toch in theorie) sterke engagementen van de deelnemende staten. Dat gebeurde dus één jaar na het overlijden van ex-premier Jean-Luc Dehaene.

Het grootste verschil tussen Dehaene en De Wever? Dehaene had na een jaar zijn Sint-Michielsakkoord al onderhandeld, de belangrijkste en meest ingrijpende staatshervorming.

Vanaf 1992, het eerste Dehaene-jaar, begonnen de asielaanvragen te stijgen als gevolg van de Joegoslavische oorlog die een jaar voordien was uitgebroken. Die evolutie heeft zich nadien onverminderd doorgezet. De kostprijs van migratie voor de overheid – van de opvangstructuur tot het Europese buitengrenzenbeleid – is exponentieel gestegen.

Migratie leidde tot een sterke aangroei van de bevolking. Op 1 januari 2000, bij het einde van de Dehaene-periode, telde België 10.239.085 inwoners. Op 1 januari 2025, dus vlak voor het begin van de regering-De Wever, telde België 11.825.551 inwoners. Dat is een stijging met 1.586.466 personen, of 15,5 procent. België is als het ware een nieuw land geworden, en de overheden kregen er een pak nieuwe taken en verantwoordelijkheden bij, zoals het voorzien van voldoende infrastructuur. Maar goed ook, maar dat maakt ‘maatschappelijk aanvaardbaar besparen’ niet eenvoudiger.

5. Geen lokale buffer

Taken doorschuiven naar de OCMW’s – zoals zal gebeuren bij de beperking van de werkloosheid in de tijd – dreigt een boemerang te worden. De OCMW’s zullen aankloppen bij de gemeenten, de gemeenten bij de regionale overheden. Vroeger beschikten zij over de aandelen van het Gemeentekrediet. Sinds de privatiseringsoperatie-Dehaene van die bank, werd dat de nieuwe Gemeentelijke Holding. Maar in de nasleep van de bankencrisis werd de Gemeentelijk Holding in 2011 vereffend. Die buffer is dus verdwenen. Een opvolger kwam er niet.

Voor Europa is ‘België’ verantwoordelijkheid voor het geheel van de overheden, van de federale staat tot de steden en gemeenten. Die toestand voor het armlastige Brussels Hoofdstedelijk Gewest begint extra precair te worden, nu na Belfius ook andere banken als ING overwegen om de kredietlijnen dicht te draaien.

6. Nog geen staatshervorming

Begrotingsminister Vincent Van Peteghem (CD&V) wees er in de HLN-podcast Het rapport van de Wetstraat op dat de enige structurele oplossing een nieuwe financieringswet is. Dat betekent dus: een nieuwe staatshervorming.

Dat brengt ons bij misschien nog het grootste verschil tussen Dehaene en De Wever: Dehaene had na een jaar al zijn Sint-Michielsakkoord onderhandeld, de belangrijkste en meest ingrijpende van de zeven opeenvolgende staatshervormingen die er tot dusver zijn geweest. Bart De Wever staat op dat vlak nog nergens. De kans is groot dat hij zelfs niet weet waar te beginnen, want hij heeft daarvoor een twee derde meerderheid nodig. Dehaene kon daarvoor beroep doen op de groenen, maar zelfs als Ecolo en Groen hem zouden steunen, komt De Wever nog tien zetels te kort.

***

Bart De Wever verwees in zijn toespraak niet alleen naar Jean-Luc Dehaene. Hij haalde ook befaamde woorden van Winston Churchill aan: ‘This is not the end. It is not even the beginning of the end. But it is, perhaps, the end of the beginning.’

Ook die woorden sprak Winston Churchill niet uit aan het begin van de oorlogsinspanningen, maar eind 1942, na de Britse overwinning in de Tweede Slag om El Alamein. Bij het begin van zijn ambtstermijn in mei 1940, ruim twee jaar eerder, ‘beloofde’ Churchill in minstens zo beroemde toespraken de Britse bevolking nog iets heel anders. Er zou gevochten moeten worden, zei hij, en pijnloos zou het zeker niet worden. Op 13 mei 1940 klonk dat zo voor het Lagerhuis: ‘I have nothing to offer but blood, toil, tears and sweat.’

Zou dat ook voor Bart De Wever geen passender boodschap zijn geweest? Zou dat niet bescheidener zijn geweest dan zichzelf nu al, na geen jaar premierschap, te vergelijken met de ‘ervaren’ gids? Zou het voor zijn coalitie – en de stand van de staatsfinanciën – politiek niet wijzer zijn geweest om nog even te zwijgen over dat ‘einde van het begin’? Nu lijkt dat vooral uitstekend nieuws voor de vakbonden en voor iedereen die vindt dat er al voldoende is bespaard.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Expertise