Uw moeder is een Japanse, maar u groeide op in Waregem. Dat kan tellen als cultuurschok.
...

Uw moeder is een Japanse, maar u groeide op in Waregem. Dat kan tellen als cultuurschok. Alex Koo: Mijn West-Vlaamse vader heeft lang in Japan gewoond. Om een lang verhaal kort te maken: hij was een priester, werd in de jaren zeventig als missionaris uitgestuurd en... is verliefd geworden. Thuis in Waregem waren we een heel muzikaal gezin. Mijn moeder heeft me vanaf mijn vijfde piano leren spelen. Ze merkte algauw dat ik heel snel vooruitgang maakte, waardoor ze me al na enkele maanden op privéles stuurde. Vandaar ging het naar de muziekschool en het conservatorium van Kortrijk. Welke plaat heeft dan de deur naar de jazz geopend? Koo: (snel)Soul Station van saxofonist Hank Mobley. Zo eerlijk, zulke mooie melodieën, en het swingde als de pest! Toen wist ik: ik wil niet langer stukjes van andere mensen spelen. Die kwaliteiten in het werk van Mobley zijn nog altijd een leidraad voor me. Er wordt in de jazz soms te veel geïntellectualiseerd. Van Kortrijk ging het naar de conservatoria van Amsterdam, Kopenhagen en New York. U schopte het tot jazzdocent aan New York University. Koo: Ik had een toelatingsaanvraag naar NYU gestuurd, met een paar filmpjes van me. Dankzij Vlaamse en Nederlandse beurzen kon ik het hoge inschrijvingsgeld betalen, maar het dagelijkse leven in New York is natuurlijk ook ontzettend duur, dus ik had een probleem. Toen kwam het bericht: 'Zou u bereid zijn om les te geven in onze bachelorafdeling?' Ik schrok me rot. Vorig jaar maakte u met uw derde album, Appleblueseagreen, een grote sprong. Met trompettist Ralph Alessi en tenorist Mark Turner had u de crème van New York achter u. Wat overtuigde hen om met u te spelen? Koo: We hebben een vergelijkbare nonchalance. Die intellectualisering waarover we het hadden: veel Amerikanen willen daar ook niet van weten. Daarnaast mors ik met energie. Goesting, daar draait het om. Het vakblad Downbeat noemde het album 'schokkend origineel'. Je zou van minder verkrampen als je aan een opvolger begint. Koo: Helemaal niet. Dat artikel voelde als een bevrijding. Met zulke druk kan ik heel goed om. Wanneer ik speel met mensen naar wie ik opkijk, voel ik géén zenuwen. Dus ook niet met Ralph Alessi en drummer Attila Gyarfas. Voor de nieuwe plaat, Identified Flying Object, werkten we ontzettend snel. Eén dag om de composities eens te bekijken, en tegen het eind van de tweede dag stond alles erop. Deze plaat klinkt heel anders dan de vorige. Ja, er zijn mooie composities, maar ook veel improvisatie en soundscapes. Stilistisch gaapt er een kloof tussen u en de meeste Belgische jazzbands. U staat dichter bij... Koo: (onmiddellijk) Bram De Looze! Precies. Koo: Bram is een grote inspiratie. Wat zeg ik, ik aanbid hem een beetje. Maar daarbuiten? Ik zie heel wat Vlaamse rockjazzgroepen voorbijkomen die ik als luisteraar wel cool vind, maar waar ik mij als pianist minder in kan vinden. Een piano heeft ruimte nodig. En ik wil kunnen spelen met de timing. Timing is de heilige graal, maar als je dat tegenwoordig hardop durft te zeggen, noemen ze je een jazznazi. Terwijl het zo simpel is. Het draait om frictie, om achteroverleunen en pushen. Het innerlijke ritme van de mens, dat wil ik horen.