Oswald Van Ooteghem, een Oostfronter waar links niet van wil weten

Oswald Van Ooteghem © Foto: Archief Vlaams Parlement Copyright Belga
Walter Pauli

Vandaag vindt in Lochristi de uitvaart plaats van de 98-jarige Oswald Van Ooteghem, een van de allerlaatste Oostfronters – de Vlamingen die (vooral) bij de Waffen-SS  tijdens de Tweede Wereldoorlog vochten aan de zijde van de Duitsers.

Vorige week was er ineens enige opschudding in het Vlaams Parlement. Bij de korte rouwhulde voor het overleden oud-parlementslid Oswald Van Ooteghem besliste de verzamelde linkse oppositie – Vooruit, Groen en PVDA – om het halfrond te verlaten. Op de groene fractieleider Björn Rzoska en zijn partijgenoot Johan Danen na wilden de progressieve verkozenen niet deelnemen aan de huldiging van een man die tijdens de Tweede Wereldoorlog met de nazi’s had gecollaboreerd in de strijd om het oostfront. Nochtans is de figuur van Oswald Van Ooteghem even interessant en zelfs concreter (én dubbelzinniger) om een debat op te zetten over de Vlaamse geschiedenis en onze omgang ermee dan het meer theoretische debat over de Vlaamse canon.

Geen mens is verantwoordelijk voor de familie waarin hij werd geboren: in het geval van Oswald Van Ooteghem is het wel zeer duidelijk dat de uitgesproken Vlaams-nationale en nationaalsocialistische gezindheid van zijn ouders de visie van hun zoon sterk hebben bepaald. Vader Herman Van Ooteghem (1899-1962) was een adept van de meest radicale variant van de Vlaamse Beweging. Al in 1937 vertrouwde niemand minder dan Staf De Clercq, de Leider van het Vlaams Nationalistisch Verbond (VNV), aan deze Herman Van Ooteghem de leiding en uitbouw toe van de zogenaamde Grijze Brigade (later Werfbrigade). Tijdens de Tweede Wereldoorlog zou deze groep van kleur van hemd én van naam veranderen en werd het de beruchte Zwarte Brigade. Staf De Clercq noemde hen zijn ‘keurkorps’ van ‘politieke soldaten in dienst van ons Diets ideaal.’

Vanaf 1939 werd een huisvriend van de Van Ooteghems, de radicale advocaat Reimond Tollenaere, de nieuwe chef van deze geüniformeerde VNV-militie. Herman Van Ooteghem moest een stapje terugzetten maar bleef Tollenaeres eerste adjunct: zijn nieuwe titels varieerden van ‘Stafoverste’ over ‘Brigade Inspecteur’ tot ‘Heerbanleider’. In de VNV-publicaties werd Van Ooteghem sr geëerd als de eerste leider van ‘flinke mannen’ die ‘zo menigmaal de straten hebben vrijgevochten en van het communistische janhagel gezuiverd.’ In maart 1939 werd vader Van Ooteghem thuis gearresteerd, nadat hij en zijn troepen in Edingen voor incidenten hadden gezorgd. Hij vloog voor drie maanden in de cel. In ‘Vlaanderen in uniform’ wordt expliciet vermeld dat de Grijze Brigade/Werfbrigade/Zwarte Brigade ‘trachtte in de geest van de Duitse Sturmabteiling (SA) zich uit te bouwen en te organiseren.’  

In dat bijzonder martiale milieu groeide Oswald Van Ooteghem (1924-2022) dus op als kind en puber. Hij noemde zijn vader ‘mijn held.’ Oswald was tien jaar oud toen zijn ouders hem lieten aansluiten bij het Algemeen Vlaamsch Nationaal Jeugdverbond (AVNJ), vanaf juli 1941 werd dat de Nationaal-Socialistische Jeugd Vlaanderen (NSJV). Op foto’s uit die tijd valt niet te kijken naast de rijzige, markante figuur van Oswald Van Ooteghem, of het is als leider marcherend langs zijn ‘Schaar’ van AVNJ-Gent, of later als voorman van het NSJV-trommelkorps. De bedoeling van het AVNJ/NSJV was om ‘het Germaanse stambewustzijn op te wekken en te strijden voor de grootheid en de welvaart van de Dietse volksgemeenschap.’ Men ‘bekampt alle vijandige machten, of het partijen, loges, klassen of geldmachten zijn.’ Het AVNJ-NSJV streefde naar ‘een nationaalsocialistische opvoeding der jeugd’ en ‘kent geen schipperen of halveren. Het kent alleen de rechte Noorse lijn. Het haat al het kleine zieldorre en burgerlijke.’ In die middens beleefde de opgroeiende Oswald Van Ooteghem zijn wonderjaren.

Al zingend marcheren

Tijdens de Tweede Wereldoorlog kozen de Vlaams-nationalistische middens waarin De Van Ooteghems actief waren resoluut voor de collaboratie met nazi-Duitsland. Het hoogtepunt moest de Duitse inval in de Sovjet-Unie worden in 1941, en de verhoopte snelle inname van Moskou. Oswald Van Ooteghem was nog altijd maar zestien jaar oud – eigenlijk te jong voor de legerdienst – maar hij diende zich toch aan in het selectielokaal, de socialistische ‘Feestzaal Vooruit’ in Gent. Er waren duizenden vrijwilligers, maar de Duitsers selecteerden slechts een eerste groep van 405 Vlamingen. De boomlange Van Ooteghem was erbij. In optocht en onder algemeen applaus van het publiek – zo luidde het toch in de herinneringen van Oswald zelf – trok het eerste Vlaamse contingent Oostfronters al zingend naar het Noordstation in Brussel.

Het valt historici op hoe gekleurd die herinneringen soms waren – andere ooggetuigen vertelden immers hoe stil en haast vijandig het Belgische publiek toekeek op die zingende en marcherende jongens en mannen die zich al hele soldaten waanden en niet wisten welk lot ze tegemoet traden. ‘Mijn moeder was heel verdrietig toen ik vertrok, dat kun je je wel voorstellen, maar we waren een militant gezin en mijn vader begreep het dus.’, zei Van Ooteghem.

De grote man van dat ‘Vlaams Legioen’ was huisvriend Reimond Tollenaere. In de eigen VNV-kringen stelde men Tollenaere graag voor als de leidende officier van de Vlamingen aan het Oostfront. In werkelijkheid had hij de graad van SS-Untersturmführer– Tollenaere was dus slechts een onderluitenant. Het illustreert de echte positie van de Vlaamse Oostfronters in het Duitse leger. Toch was er geen gebrek aan grootspraak en ambitie. Tollenaere schreef bij het vertrek van de eerste Oostfronters: ‘Vlaanderen heeft binnenkort misschien voor het eerst in eeuwen zijn eigen soldaten. Vlaamse jongens onder leiding van Vlaamse officieren, zullen op de Russische steppe strijden onder de Vlaamse vlag, het bewijs van de wil om te vechten voor ons volk. Als we nu bewijzen dat we bereid zijn om het bolsjewisme te bestrijden als gemeenschappelijke Europese vijand, hebben we later, wanneer we het nieuwe Europa uitbouwen, een stem die we kunnen laten horen. We moeten een gelijkwaardige plaats voor Vlaanderen in Europa eisen.’ Tollenaere had dus een Vlaanderen voor ogen dat gelijkwaardig zou zijn aan Duitsland – dream on. Dat Vlaanderen zou ook even radicaal moeten zijn als de nazi’s. Dus hield Tollenaere ook voor: ‘De jood behoort niet tot ons volk. Sentimentaliteit mag geen rol spelen.’ De feiten moesten nog volgen.

Doodsangsten

Die waren overigens brutaal, wreed en bloederig genoeg. Het Vlaams Legioen (vanaf 1943 ‘Sturmbrigade Langemarck’) werd ingezet bij de belegering – de uithongering dus – van Leningrad. De Vlamingen voerden vooral gevechten in de achterhoede tegen partizanen. Daarbij moet geen tekening gemaakt worden: wie vocht tegen partizanen, bekampte vooral de burgerbevolking. Als ze daarover na de oorlog al ondervraagd werden, deden de Oostfronters er vooral het zwijgen toe. Ook in eigen rangen vielen al snel de eerste doden. Onder hen niemand minder dan Reimond Tollenaere. Hij kwam al in januari 1942 om door slecht gemikt artillerievuur van de Spaanse bondgenoten. Van Ooteghem: ‘Ik had hem een paar dagen voor zijn dood nog gezien, het was ijskoud toen, ongeveer 40 graden onder nul. Hij zei me: “Oswald, houd moed.” Ik ging naar Podberesje, een triest dorpje, waar Tollenaere in een voorlopig graf was gelegd en ik sprak met de grafdelver. Ik voelde me misselijk.’

Dat zou de kern van de herinneringen blijven van de Oostfronters: het vreselijke gevaar waarin de Vlamingen permanent verkeerden, de martelingen die ze vreesden, de doodsangsten die ze uitstonden, de ontberingen, de bitterste kou, de vuilste ziektes en kwetsuren, de doden die ze voortdurend moesten begraven. In die getuigenissen bleef de context – de inval van de nazi’s – van secundair belang, alsof het haast verwaarloosbaar was. De bikkelharde omstandigheden, het eigen lijden en het voortdurende ongemak verantwoordde blijkbaar de eigen daden.

Van Ooteghem zag veel kameraden en zelfs enkele van zijn beste vrienden sneuvelen. Kamiel De Wilde uit Stekene stierf tijdens een Russische hinderlaag, volgens Van Ooteghem waren diens laatste woorden: ‘Zeg tegen mijn moeder dat haar zoon voor Vlaanderen gestorven is.’ Die heroïsche uitleg was toen vaste prik. Op het doodsprentje van Kamiel De Wilde dat zijn eigen familie in Vlaanderen liet uitdelen, stond: ‘Keer ik niet meer terug, wat geeft het mij? Groot wordt het Vaderland, Dietschland wordt vrij.’ Het diende allemaal om de eigen fierheid te dienen en om het mateloze verdriet te maskeren. Van Ooteghem zelf zei later dat de familie van De Wilde hem na de oorlog is komen opzoeken om de omstandigheden te vernemen van diens dood, ‘behalve zijn moeder’.

Joden

Want de werkelijkheid was natuurlijk droeviger, bloediger, dodelijker en helemaal niet verheven. Oswald Van Ooteghem zelf raakte drie keer gewond: blijkbaar waren het vrij ernstige verwondingen, maar tegelijk waren die kwetsuren ook nooit echt fataal. Het werd niet met zo veel woorden gezegd, maar de kans is groot dat de jonge Van Ooteghem voor zichzelf al vrij snel de rekening maakte dat het geen kunst is om in een oorlog te sterven, maar dat het veel meer inspanningen – en verstand – kost om te overleven. Hij werd begin 1943 aangesteld als oorlogscorrespondent of Kriegsberichter. Dat was ook best gevaarlijk, maar doorgaans toch minder dodelijk dan het lot van de kameraden die naar de voorposten werden gestuurd. Van Ooteghem werd door échte soldaten wel eens uitgescholden voor ‘Halbsoldat’ – dus geen echte soldaat.

Wat in zijn lotgevallen onderbelicht blijft, is dat hij als Kriegsberichter natuurlijk méér zag dan de gemiddelde frontsoldaat van wat achter de linies gebeurde. Wat wist hij van de uitroeiing van de Joden? De meeste Oostfronters ontkenden na verloop van tijd de Holocaust niet, maar zelf hadden ze er natuurlijk nooit iets van gezien of geweten. Dat is de vaste riedel en die komt ook terug telkens Oswald Van Ooteghem terugblikt op zijn eigen leven. In minstens één geval is dat moeilijk vol te houden. Net als andere Vlaamse Kriegsberichter bezocht Oswald Van Ooteghem ergens in 1943 het getto van Lemberg (in het Duits), Lwów (in het Pools van die dagen) of Lviv (in het Oekraïens van vandaag). In dat getto werden vanaf 1941 bijna 160.000 joden samengebracht, om vervolgens te worden gedeporteerd, vooral naar het concentratiekamp van Belzec. Vanaf 1942 werden de overblijvers in de stad zelf vermoord en uitgeroeid – vaak in samenwerking met Oekraïense collaborateurs. Een collega van Oswald Van Ooteghem schreef aan een Vlaamse vriendin: ‘We hebben ook Lemberg bezocht. Je weet wel, de stad der gruweldaden.’ Blijkbaar was de kennis van de gruwel in deze kringen gemeengoed. Van Ooteghem zelf bezocht de stad ook en schreef er in januari 1944 een verslag van in het blad De SS-Man: ‘Na den middag bollen we in het station van Lemberg binnen. Zigeunerwijven lopen op hun blote voeten, met wiegende heupen en in de veelkleurige lompen gehuld over de straat. De Joden zijn God-zij-dank in getto’s samengebracht zodat het uitroeien van hun streken en hun invloed ook langzaam maar zeker voorwaarts gaat.’

Totterdood

Toen de oorlog in de nadagen van 1944 en zeker het voorjaar van 1945 ten einde liep, werd Oswald Van Ooteghem nog deelgenoot van een paar van de schandaligste bladzijden uit de sowieso al navrante geschiedenis van de Vlaamse collaboratie. In dat laatste oorlogsjaar riepen de nazi’s zelfs oude mannen en veel te jonge knapen onder de wapens. Op dat moment woonden in Duitsland veel gevluchte Vlamingen en hun gezinnen – dat was dus de hardste, zwartste kern van de collaboratie. Hun verantwoordelijken hadden zelfs een soort ‘operetteregering in ballingschap’ opgericht: de Vlaamse Landsleiding. Deze Vlamingen konden niet achterblijven en in potsierlijk Vlaams-Duits beval de Vlaamse Landsleiding de ‘Kriegseinsatz der Vlaamsche Jeugd’. De klassen van 1928 en 1929 werden gemobiliseerd. Het ging dus om tieners die nog 16 of 17 jaar oud moesten worden. Die werden in veel te grote uniformen gestoken, slecht bewapend en onder leiding van een paar officieren naar het oosten van Duitsland gevoerd om daar de Russische overmacht alsnog af te stoppen. Een van de bevelvoerende officieren was Oswald van Ooteghem, juist twintig jaar oud.

De jongens zelf waren enthousiast: ze hadden thuis nooit iets anders gekend dan propaganda. Hun ouders waren – leken – fier op het ultieme engagement van hun zonen.  Zo vertrok het ‘jeugdbataljon Langemarck’ naar het front. De infame Jef Van de Wiele, het zelfverklaarde Hoofd van de Vlaamse Landsleiding, reisde zijn soldaatjes na om hen in een laatste rede nog moed in te pompen, en deed dat in de vorm van een verhaaltje over een vlinder die maar één dag leefde en dan stierf. Vervolgens vertrok Van de Wiele. Van Ooteghem wist hoe laat het was: ‘Ze zijn te jong om sigaretten te mogen roken maar oud genoeg om te sterven.’

De Vlaamse knapen werden in stellingen gelegd aan het riviertje de Ucker, waar ze zich in individuele mangaten verschansten. De Russen bestookten hen met hun superieure artillerie vanop afstand putje per putje. De jongen die erin zat, werd aan stukken geschoten. Dan volgde de aanval. Een getuige: ‘Met afgrijzen dacht ik aan het ogenblik dat de Sovjets onze stellingen gingen bespringen en met hun door merg en been dringende ‘Hoezee’-gebrul onder onze jongens een ware slachting zouden aanrichten. Gehinderd door stof en kruitdamp en het gebrek aan de nodige verbindingen in de loopgrachten geraakten kleine groepen jongens geïsoleerd. Zij vochten ieder voor zichzelf: dat alleen is het ergste wat een soldaat kan overkomen. Is men alleen, dan bekruipt u de doodsangst.’ Uiteindelijk vormde Oswald Van Ooteghem een zogenaamde ‘Kampfgruppe Oswald’ met de laatste twintig jongens. Weer kwam de overlever boven in Van Ooteghem. Zijn Kampfgruppe kampte helemaal niet meer, behalve om zich een weg terug te banen richting het westen, honderden kilometers als het moest, weg van de Russen.

Oswald Van Ooteghem dook onder in Zuid-Duitsland, nam er een valse naam aan (‘Hans Richter’) en verwijderde met een scheermesje zijn SS-tatoeage. Hij trad in het huwelijk met een Duitse vrouw, werkte als technisch tekenaar en was bezig een nieuw en anoniem leven op te bouwen, eventueel in Zuid-Amerika. Dat veranderde toen zijn moeder hem bij een bezoek overtuigde naar Vlaanderen terug te keren. Hij deed dat, werd in 1949 veroordeeld tot drie jaar gevangenis en moest zijn straf uitzitten in de Nieuwe Wandeling in Gent. Daar deelde hij de cel met zijn tot levenslang veroordeelde vader en met niemand minder dan Hendrik Elias, de opvolger van Staf De Clercq als leider van het VNV. Na één jaar kwam Oswald in 1950 vrij.

Opportunistisch

Toen begon dus eigenlijk de tweede helft van het leven van de toen 26-jarige Oswald Van Ooteghem. Een leven dat haast niet anders kon dan één lange herinnering zijn aan dat eerste relatief korte stuk. Hij werd opnieuw politiek actief, ditmaal bij de Vlaams-nationalistische Volksunie (VU). Toen het radicale Vlaams Blok (nu Vlaams Belang) zich in 1978 afscheurde, bleef Van Ooteghem toch bij de VU. Toen die VU in 2001 helemaal uiteenviel, koos hij voor de N-VA, waar hij tot vorig jaar nog gezien werd op de familiedag van die partij. Hij bleef als VU-parlementslid ijveren voor amnestie voor oud-collaborateurs, maar was zeker geen houwdegen van de radicale rechterzijde. Zo diende Oswald Van Ooteghem in 1986 een parlementaire motie in tégen de bouw van een mogelijke vijfde kerncentrale in Doel: de nucleaire ramp in Tsjernobyl dat jaar had hem overtuigd van de hoge veiligheidsrisico’s van kernenergie. De oud-SS’er had zich voorbeeldig ingepast in de nieuwe democratische politieke realiteit.

Oud-VU’ers herinneren hem zich als een Vlaamse variant van de klassieke Engelse gentleman: onberispelijk gekleed, fijn snorretje, ringen (meervoud) aan de vingers; als een levensgenieter ook, zoals dat heet, vaak ook gezien in ‘gezelschap’, een aangename causeur en als het over de oorlog ging, slaagde hij er wonderwel in om zijn eigen historicus te zijn: niets ontkennen, maar feitelijk terugblikken op hoe het geweest was. Volgens Jonathan Trigg was ‘zijn stem krachtig, hij was het gewend dat naar hem geluisterd werd.’

Er was ook een andere Van Ooteghem. Hij wist welk discours hij voor welk publiek moest afsteken. De Morgen typeerde hem ooit als ‘een ‘beetje opportunistisch, beetje sluw, goed inschattend wanneer het hem echt te heet onder de voeten wordt.’ Als hij weer eens sprak voor vertrouwde gezelschappen van oud-Oostfronters durfde hij de oude clichés blijven bovenhalen. Bij een bijeenkomst in de jaren tachtig met voormalige jongens uit het jeugdbataljon zei hij bijvoorbeeld: ‘Onze gedachten gaan vandaag in de eerste plaats naar onze bloedjonge kameraden die gevallen zijn voor de redding van Europa. We zijn dankbaar omdat we het nog mogen beleven: het plots herkennen, de vaste handdruk, de liefde voor Vlaanderen, de trouw aan ons ideaal.’ De trouw aan ons ideaal – wat kan dat in godsnaam betekenen?

Tot zijn laatste jaren was Van Ooteghem ervan overtuigd dat het Hitlerregime misdadig was geweest, dat hij voor een zeer foute zaak had gevochten, maar hij dacht er niet aan zich daarvoor te verontschuldigen. Het was niet gemakkelijk om in het reine te komen met het eigen verleden. Hij ging er zelf terug naar op zoek in de eindeloze vlakten van Oost-Europa, samen met De Morgen-journalist Peter-Jan Bogaert en fotograaf Stephan Vanfleteren. Zij hoorden Van Ooteghem herhalen: ‘Ja, we hebben verloren. En toen wilden we dat niet toegeven. Nog niet. Het is als in het voetbal. Je staat achter en je weet dat de strijd verloren is, maar je blijft supporteren voor je ploeg. Omdat het je ploeg is.’

Op andere momenten klonk het nog anders. Van Ooteghem had vele jaren lang een paar foto’s op zak die hij afgenomen had van een dode Rus: ‘Ik hield ze altijd bij, waar ik ook ging. Na de oorlog werd mijn vrouw het beu, om het zacht uit te drukken, omdat ik ze als amulet boven mijn bed hing en ik tegen hem sprak, tegen die Rus, elke avond weer.’ Elke avond weer. Ook het beeld van de stokoude Duitser die hem op zijn laatste vlucht tevergeefs had gesmeekt om mee te mogen, bleef Van Ooteghem achtervolgen, ‘nacht na nacht lig ik er wakker van.’

Oswald Van Ooteghem stierf in een jaar dat er opnieuw bericht moet worden over gevechten bij Charkov en Cherson – daar hebben de Oostfronters ook gevochten. In een van zijn allerlaatste teksten schreef hij nochtans: ‘Wie de lichamen van naakte en ontmande krijgsgevangenen heeft gezien met afgesneden neus en oren, wie zijn beste kameraad in het slijk van een granaattrechter heeft weten sterven, wie de verhakkelde lichamen van gekwetste en geamputeerde vrienden heeft aanschouwd, wie beleefd heeft hoe tanks in hun blinde vaart levende mensen verpletterden, wie er getuige van was dat oergezonde bloedjonge mensen, die elkaar niet kenden en elkaar niet haatten, elkaar stukschoten als stenen pijpjes op een kermis, al wie de oorlog heeft meegemaakt, kan tot geen ander conclusie komen dan dat oorlog waanzin is en het slechtste wat de mensheid kan overkomen.’ Op zijn sterfbed kreeg Oswald Van Ooteghem gelijk, helaas.

Dit artikel is onder meer gebaseerd op: Jan Vincx, Vlaanderen in Uniform, Etnika, delen 3 (1981), 4 (1982) 5 (1983), 6 (1983) en 7 (1984), Bruno De Wever, Greep naar de Macht, Lannoo, 1994; Gerard Groeneveld, Kriegsberichter, Vantilt, 2004; Pieter Jan Verstraete, Godendeemstering aan de Oder, Aspekt, 2015; Jonathan Trigg, Het testament van de Waffen-SS, 2018, Horizon,  Frank Seberechts, Vlaams soldaten en kolonisten aan het Oostfront, Polis, 2019, Rudi Massart & Jonathan Trigg, Vlaamse Jongens, Duits Front, Davidsfonds, 2021 en de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (1998-2008)

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content