Knack onderzoekt: welk advies geven leerkrachten aan de volgende minister van Onderwijs?

© Getty Images

Niemand weet beter waar ons onderwijs tekortschiet dan de vrouwen en mannen die elke dag voor de klas staan. Toch hebben zij het gevoel dat ze amper worden gehoord. Daarom vroeg Knack twintig Vlaamse leerkrachten om de toekomstige minister van Onderwijs alvast advies te geven: waar moet zij of hij straks dringend werk van maken?

Politici, pedagogen, psychologen, orthopedagogen, economen: iedereen heeft tegenwoordig een mening over de gebreken van het Vlaamse onderwijs. Zeker nu steeds duidelijker blijkt dat de kwaliteit achteruitgaat. Veel minder aandacht wordt besteed aan de inzichten van de vrouwen en mannen die dag na dag ergens in Vlaanderen voor de klas staan. Als zij al eens aan de alarmbel trekken in een blog of open brief, dan worden ze in veel gevallen weggezet als behoudsgezinde brompotten. Zelfs toen kort voor de verkiezingen uit een rapport van het Rekenhof bleek dat veel leerkrachten zich zorgen maken over de gevolgen van het M-decreet, waardoor nu ook kinderen met speciale onderwijsnoden naar een gewone school mogen gaan. ‘Dat is geen wetenschappelijk onderzoek, maar louter de mening van leerkrachten’, klonk het uit verschillende hoeken.

In de lagere school denk ik aan klassen met maximaal achttien leerlingen aan wie twee leerkrachten lesgeven.

Kathleen Vervaet, zorgcoördinator in het lager onderwijs

Die mening kan nochtans tellen. Niemand staat dichter bij het Vlaamse onderwijs dan juffen en meesters, leraressen en leraren. Elke dag weer zien zij waar het systeem faalt en kinderen uit de boot dreigen te vallen. ‘Na twintig jaar weet ik perfect wat er misloopt, en ik kan ook wel een paar haalbare oplossingen verzinnen’, zei een lerares Frans vorige maand na afloop van Knacks Grote Verkiezingsdebat over onderwijs. ‘Maar niemand zit op mijn mening te wachten. Mijn directeur niet, onze onderwijskoepel niet en de politiek al helemaal niet.’ Knack wel, en dus vroegen we twintig leerkrachten uit het kleuter-, lager en secundair onderwijs waar de volgende Vlaamse minister van Onderwijs dringend werk van moet maken.

Veruit de grootste bezorgdheid blijkt het niveau van jonge leerkrachten te zijn. ‘Van sommige studenten die hier stage komen lopen, hoop ik dat ze nooit voor de klas zullen staan’, zegt Els Janssens, onderwijzeres in het basisonderwijs. Biologieleraar Carl Desmyter, die ook mentor van beginnende leerkrachten is, heeft de instroom de voorbije decennia danig zien veranderen. ‘Vroeger waren het de stérkste leerlingen die aan het eind van de middelbare school voor een loopbaan in het onderwijs kozen’, zegt hij. ‘Vandaag beginnen jonge mensen eerder aan de lerarenopleiding omdat andere richtingen niet lukken.’ Volgens veel van de leerkrachten met wie we spraken, is de lat in de lerarenopleidingen daardoor aanzienlijk verlaagd. ‘Tegenwoordig krijgen we stagiairs uit een derde bachelor die niet in staat zijn om zelfstandig een les uit te werken, didactisch noch inhoudelijk’, zegt Desmyter. ‘Toch krijgen ze een paar maanden later hun diploma.’

Onder hun niveau

Geen wonder dat zo veel leerkrachten pleiten voor een hervorming van de lerarenopleiding. Al zouden sommigen ook graag zien dat de instroom beter wordt bewaakt. Niet alleen door jongeren die de capaciteiten en motivatie missen om voor de klas te staan op andere gedachten te brengen, maar vooral door sterke leerlingen duidelijk te maken dat een carrière in het onderwijs ook iets voor hen kan zijn. Uit getuigenissen van verschillende leerkrachten blijkt dat leerlingen uit de zwaarste aso-richtingen vaak wordt afgeraden om te kiezen voor een educatieve bacheloropleiding, waarmee ze les kunnen geven in het basisonderwijs of de eerste jaren van het secundair onderwijs. Dat zou ‘onder hun niveau’ zijn.

De vertegenwoordigers van Katholiek Onderwijs Vlaanderen en het onderwijs van de Vlaamse Gemeenschap (GO!), aan wie we de suggesties van ons leerkrachtenpanel voorlegden, beamen dat de kwaliteit van de lerarenopleiding samenhangt met het niveau van de instroom. ‘De studenten in de opleidingen komen niet langer uit álle bevolkingsgroepen’, zegt Lieven Boeve, directeur-generaal van Katholiek Onderwijs Vlaanderen. ‘Het zou goed zijn om de instroom te verruimen. Zo moet er in het lager onderwijs behalve voor bachelors ook plaats zijn voor masters. Maar evengoed voor mensen met een ander diploma die leraren kunnen bijstaan en zorgen voor meer handen in de klas.’

Verkeerde verwachtingen

Om gemotiveerde, sterke mensen aan te trekken, moet het lerarenberoep volgens ons panel een pak aantrekkelijker worden gemaakt. Opvallend daarbij is dat niemand pleit voor meer loon, maar wel voor meer prestige en minder stress. Verhalen over de hoge werkdruk schrikken veel jonge mensen af, waardoor de lerarenschaarste nog groter wordt. In januari waren er in Vlaamse en Brusselse scholen liefst 1500 openstaande vacatures voor leerkrachten. Het blijkt ook erg moeilijk om een vervanger te vinden als iemand langere tijd uitvalt. Vooral voor praktijklessen, wiskunde en Frans. Dat werk wordt dan over de collega’s verdeeld, waardoor zij het nog drukker krijgen. Er is dus dringend behoefte aan meer onderwijzend personeel. Zeker omdat er tegen 2028 elk jaar 5000 tot 7000 extra leraren nodig zullen zijn.

Tegenwoordig krijgen we stagiairs uit een derde bachelor die niet in staat zijn om zelfstandig een les uit te werken, didactisch noch inhoudelijk.

Carl Desmyter, leraar biologie

Een bijkomend probleem is dat nogal wat jonge leerkrachten na een tijd weer afhaken. In het secundair onderwijs stopt bijna de helft al binnen de vijf jaar. ‘Vaak komt dat doordat ze met de verkeerde verwachtingen aan de job zijn begonnen’, zegt Kristien Dewulf, coachingleerkracht in het buitengewoon lager onderwijs. ‘Ze komen hier aan met het idee dat ze alleen maar zullen lesgeven, en schrikken van alles wat er verder bij komt kijken.’ Dat weten ze bij het GO! maar al te goed. ‘Veel startende leerkrachten ervaren een grote praktijkschok’, zegt gedelegeerd bestuurder Raymonda Verdyck. ‘Dat zou voor een deel kunnen worden opgelost door tijdens de opleiding meer in te zetten op duaal leren, waarbij leerlingen de helft van hun opleidingstijd op de werkvloer doorbrengen. Zo maken ze kennis met de brede schoolpraktijk, en met de diversiteit van de leerlingen in onze scholen.’

De realiteit is volgens ons panel dat beginnende leerkrachten al te vaak voor de leeuwen worden geworpen. Een betere begeleiding van jonge collega’s noteert hoog op de prioriteitenlijst. Er zijn er zelfs die vinden dat ze tijdens hun eerste schooljaren alleen samen met een ervaren collega voor de klas zouden mogen staan. Geef beginnende collega’s vooral geen volledige opdracht, is een andere suggestie. Zo krijgen ze ademruimte en kan de vrijgekomen tijd voor extra opleidingen of stages worden benut.

Heel wat starters haken ook af omdat een vaste benoeming lang uitblijft. In afwachting daarvan hebben ze geen werkzekerheid en moeten ze vaak pendelen tussen verschillende scholen, wachtend tot een vastbenoemde collega met pensioen gaat. Bijna de helft van onze leerkrachten pleit voor de afschaffing van de vaste benoemingen. En niet alleen om jonge collega’s meer kansen te geven. ‘Vastbenoemd is soms synoniem met vastgeroest’, zegt Tamara Gielen, leerkracht verzorging in het bso. ‘Onze job bestaat uit veel meer dan lesgeven alleen. Hij vergt ook engagement binnen het team, aan vergaderingen deelnemen, het schoolfeest plannen. Sommige vastbenoemde collega’s vullen hun job minimaal in, en er is niemand die daar iets tegen kan beginnen.’

Bij de onderwijsnetten geloven ze niet dat de afschaffing van de vaste benoemingen veel zou oplossen. ‘Het probleem is veeleer de invulling ervan’, denkt Boeve. ‘Werkzekerheid mag geen alibi zijn om achterover te leunen. Een vaste benoeming biedt leerkrachten houvast waardoor ze in hun job nieuwe uitdagingen kunnen aangaan.’ Ook Verdyck ziet eerder soelaas in andere maatregelen. ‘Zoals een betere organisatie van de school’, zegt ze. ‘Meer zekerheid en betere werkomstandigheden zijn zowel voor beginnende leerkrachten als voor zij-instromers (mensen die van buiten het onderwijs komen, nvdr) noodzakelijk.’

Enorme papierberg

Ook de hoge werkdruk schrikt veel jonge mensen af. Daar kan ons panel best begrip voor opbrengen. ‘Vandaag moet een leerkracht differentiëren, persoonlijke feedback geven, verschillende werkvormen gebruiken en dan ook nog eens zorgen dat de bijbehorende administratie in orde is’, zegt geschiedenisleraar Gerd Van de Kauter. ‘En dat moet allemaal passen binnen evenveel uren als in de tijd dat het onderwijs er nog helemaal anders uitzag.’

Hoe dat moet worden verholpen? Door de administratieve taken binnen de perken te houden, vinden de meesten. Vorig jaar bleek uit een groot tijdsbestedingsonderzoek dat de Vrije Universiteit Brussel op verzoek van Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) uitvoerde dat Vlaamse leerkrachten maar 60 à 70 procent van hun werktijd besteden aan lesgeven, verbeteren, lesvoorbereidingen maken, teamoverleg en oudercontact. De rest van de tijd gaat onder meer op aan administratie en de organisatie van de schoolorganisatie.

Sommige vastbenoemde collega’s vullen hun job minimaal in, en er is niemand die daar iets tegen kan beginnen.

Tamara Gielen, leerkracht verzorging in het bso

Sommige leerkrachten zien een rechtstreeks verband tussen de steeds grotere papierberg en de vernieuwingsdrang van de onderwijskoepels. Al die nieuwe ideeën en opdrachten vergen veel voorbereiding en moeten achteraf ook nog eens gerapporteerd en geëvalueerd worden. Drie van hen pleiten zelfs voor het afschaffen of deels fuseren van de koepels. ‘De vernieuwingsdrang wordt in de hand gewerkt door de concurrentie tussen de koepels, die elkaar de loef proberen af te steken met nieuwe leerplannen’, klinkt het. ‘Bovendien slorpen die aparte structuren ontzettend veel middelen op.’

De grenzen van inclusie

Net als de onderwijsnetten hopen veel leerkrachten dat de nieuwe Vlaamse minister van Onderwijs het M-decreet zal aanpassen. Allemaal staan ze achter het basisidee dat kinderen met speciale noden in het gewone onderwijs terecht moeten kunnen, maar op het terrein zien ze het fout lopen. ‘De uitvoering van het M-decreet zit scheef’, zegt kleuterjuf Ingrid Mellebeek. ‘Via een zogenaamd Ondersteuningsnetwerk krijgen we elke week twee à drie uur bijstand in de klas, maar dat is veel te weinig. Sommige M-decreet-kinderen hebben een permanente omkadering nodig.’

Daarbij komt nog dat niet alleen leerlingen die via het M-decreet bij hen in de klas zijn beland extra aandacht nodig hebben. Een leerkracht bso somt de samenstelling van een van haar klassen op: twee leerlingen met een autismespectrumstoornis, drie met dyslexie, twee die zich na de middag niet meer kunnen concentreren omdat ze met een lege boterhammendoos naar school komen, eentje dat zwaar lijdt onder de vechtscheiding van haar ouders, drie met ADHD en dan nog een paar die amper kunnen spellen. Vooral leerkrachten uit het tso en het bso geven aan dat zo’n klas te veel is voor één mens. ‘Als je al die leerlingen zorg op maat biedt, blijft er geen tijd over voor de rest’, klinkt het. En ook opvallend vaak: ‘Daar zijn wij niet voor opgeleid.’

Er zijn dus duidelijk grenzen aan differentiatie. Zeker als het niveau tussen de leerlingen in een klasgroep mijlenver uiteen ligt, zoals in het bso geregeld het geval is. Voor een groot deel van ons panel zou er in dat geval meer dan één leerkracht voor de klas moeten staan. Er gaan zelfs stemmen op om co-teaching overal in het onderwijs in te voeren. Anderen zien eerder heil in kleinere klasgroepen. Of allebei. ‘In de lagere school denk ik aan klassen met maximaal achttien leerlingen aan wie twee leerkrachten lesgeven’, zegt Kathleen Vervaet, zorgcoördinator in het lager onderwijs. Maar zelfs dan zullen nog niet alle leerlingen in het gewone onderwijs terechtkunnen, denken velen.

Onze leerkrachten mogen het over het algemeen dan opvallend met elkaar eens zijn, de onderwijsnetten delen niet altijd hun analyse en nog minder de oplossingen die ze voorstellen. Veel zal afhangen van wie straks de bevoegdheid onderwijs krijgt in de Vlaamse regering. ‘Of het een man of vrouw wordt, maakt me niet uit. Zelfs de politieke kleur is van ondergeschikt belang’, zei de lerares Frans nog na het onderwijsdebat van Knack. ‘Als hij of zij maar iets van ons wil leren. Mensen iets aanleren is uiteindelijk wat we het beste kunnen.’

Els Janssens: ‘Wie wil er nu nog onderwijzer worden?’

Els Janssens (klasleerkracht, basisschool).
Els Janssens (klasleerkracht, basisschool).

1. Verlaag de werkdruk.

1. Onze job moet worden opgewaardeerd. In mijn tijd werd er in het eerste jaar van de normaalschool flink aan de boom geschud: de zwakke studenten gingen eruit. Dat gebeurt nu niet meer. De algemene instroom is zo zwak dat men zich geen schifting meer kan veroorloven. Wie wil er nu nog onderwijzer worden? Vaak jongeren die eerst een andere studiekeuze hebben gemaakt, mislukken en dan maar voor onderwijzer gaan.

2. Verminder het papierwerk.

De tijd die we in administratief werk stoppen, gaat ten koste van onze eigenlijke opdracht: lesgeven. Die papierdruk hangt samen met de nooit aflatende vernieuwingsdrang. Het ene jaar volg je een bijscholing over de Activerende Directe Instructie, nauwelijks heb je wat je hebt geleerd in je lesvoorbereidingen verwerkt of er komt al een nieuwe golf aanrollen met de Expliciete Directe Instructie. Geen wonder dat veel collega’s met burn-outverschijnselen worstelen.

3. Breid het aantal zorguren uit.

In een klas van 25 leerlingen heb je gegarandeerd een aantal hoogbegaafden, een of meer ADHD’ers, en wellicht ook nog een stuk of wat kinderen met dyslexie of dyscalculie. Ik ben een groot voorstander van differentiatie in de klas, maar zo kan het niet verder.

Kristien Dewulf: ‘Jonge collega’s hebben verkeerde verwachtingen’

Kristien Dewulf (coachingleerkracht, buitengewoon basisonderwijs).
Kristien Dewulf (coachingleerkracht, buitengewoon basisonderwijs).

1. Leid jonge leerkrachten beter op.

Vandaag is de taak van een leerkracht veel meer dan alleen maar onderwijzen, maar de lerarenopleiding bereidt jonge mensen daar niet op voor. Ik zeg niet dat ze allemaal autismedeskundige of psycholoog moeten zijn, maar ze moeten wel genoeg kennis hebben om bepaalde signalen op te vangen.

2. Zet meer dan één leerkracht voor de klas.

Het is achterhaald om vandaag nog alleen voor een klas te staan. Bij ons op school gebeurt dat nooit meer. Ook in het gewone onderwijs zou co-teaching de norm moeten worden. Zo krijgen beginnende leerkrachten de kans om van ervaren collega’s te leren.

3. Open meer secundaire autismescholen.

Veel kinderen met autisme zitten op hun plaats in het reguliere onderwijs. Maar er zijn er ook die dat op cognitief vlak niet aankunnen en niet genoeg zelfinzicht hebben om daar te functioneren. In de lagere school zijn er in het buitengewoon onderwijs nog genoeg plaatsen voor hen, maar in het secundair zijn er lange wachtlijsten. Sommige jongeren zitten daardoor noodgedwongen jarenlang thuis.

Els Janssens: ‘Wie wil er nu nog onderwijzer worden?’

Els Janssens (klasleerkracht, basisschool).
Els Janssens (klasleerkracht, basisschool).

1. Verlaag de werkdruk.

1. Onze job moet worden opgewaardeerd. In mijn tijd werd er in het eerste jaar van de normaalschool flink aan de boom geschud: de zwakke studenten gingen eruit. Dat gebeurt nu niet meer. De algemene instroom is zo zwak dat men zich geen schifting meer kan veroorloven. Wie wil er nu nog onderwijzer worden? Vaak jongeren die eerst een andere studiekeuze hebben gemaakt, mislukken en dan maar voor onderwijzer gaan.

2. Verminder het papierwerk.

De tijd die we in administratief werk stoppen, gaat ten koste van onze eigenlijke opdracht: lesgeven. Die papierdruk hangt samen met de nooit aflatende vernieuwingsdrang. Het ene jaar volg je een bijscholing over de Activerende Directe Instructie, nauwelijks heb je wat je hebt geleerd in je lesvoorbereidingen verwerkt of er komt al een nieuwe golf aanrollen met de Expliciete Directe Instructie. Geen wonder dat veel collega’s met burn-outverschijnselen worstelen.

3. Breid het aantal zorguren uit.

In een klas van 25 leerlingen heb je gegarandeerd een aantal hoogbegaafden, een of meer ADHD’ers, en wellicht ook nog een stuk of wat kinderen met dyslexie of dyscalculie. Ik ben een groot voorstander van differentiatie in de klas, maar zo kan het niet verder.

Ina Meynen: ‘Wie honger heeft, kan zich niet concentreren’

Ina Meynen (MAVO en PAV, bso).
Ina Meynen (MAVO en PAV, bso).

1. Doe iets aan de armoede.

Jaar na jaar zien we de armoede stijgen. We hebben leerlingen die met een lege maag naar school komen, in de winter zomerkleren dragen of geen bril krijgen hoewel ze er al jaren één nodig hebben. Als je honger voelt en geldzorgen hebt, kun je je onmogelijk op de les concentreren. Op school hebben we ondertussen zelf een sociale dienst opgericht om kansarme gezinnen bij te staan.

2. Maak meer middelen vrij voor zorg.

In mijn klas in het eerste jaar zijn er maar twee van de elf leerlingen die geen extra aandacht nodig hebben. In mijn eentje kan ik dat amper bolwerken. Als we willen dat veel kinderen met specifieke onderwijsnoden in het gewoon onderwijs les kunnen volgen, moet er meer dan één leerkracht voor een klas kunnen staan.

3. Maak ons beroep aantrekkelijker.

Overal in het onderwijs is er een tekort aan leerkrachten, maar in het bso is het extra moeilijk om gemotiveerde mensen aan te trekken. Zeker voor de praktijkvakken. Zij-instromers uit de privésector zijn zeldzaam, want ook daar is er een grote vraag naar goede vaklui. Het gevolg is dat zieke leerkrachten vaak niet vervangen kunnen worden, en dat soms voor lange tijd.

Kristien Dewulf: ‘Jonge collega’s hebben verkeerde verwachtingen’

Kristien Dewulf (coachingleerkracht, buitengewoon basisonderwijs).
Kristien Dewulf (coachingleerkracht, buitengewoon basisonderwijs).

1. Leid jonge leerkrachten beter op.

Vandaag is de taak van een leerkracht veel meer dan alleen maar onderwijzen, maar de lerarenopleiding bereidt jonge mensen daar niet op voor. Ik zeg niet dat ze allemaal autismedeskundige of psycholoog moeten zijn, maar ze moeten wel genoeg kennis hebben om bepaalde signalen op te vangen.

2. Zet meer dan één leerkracht voor de klas.

Het is achterhaald om vandaag nog alleen voor een klas te staan. Bij ons op school gebeurt dat nooit meer. Ook in het gewone onderwijs zou co-teaching de norm moeten worden. Zo krijgen beginnende leerkrachten de kans om van ervaren collega’s te leren.

3. Open meer secundaire autismescholen.

Veel kinderen met autisme zitten op hun plaats in het reguliere onderwijs. Maar er zijn er ook die dat op cognitief vlak niet aankunnen en niet genoeg zelfinzicht hebben om daar te functioneren. In de lagere school zijn er in het buitengewoon onderwijs nog genoeg plaatsen voor hen, maar in het secundair zijn er lange wachtlijsten. Sommige jongeren zitten daardoor noodgedwongen jarenlang thuis.

Els Janssens: ‘Wie wil er nu nog onderwijzer worden?’

Els Janssens (klasleerkracht, basisschool).
Els Janssens (klasleerkracht, basisschool).

1. Verlaag de werkdruk.

1. Onze job moet worden opgewaardeerd. In mijn tijd werd er in het eerste jaar van de normaalschool flink aan de boom geschud: de zwakke studenten gingen eruit. Dat gebeurt nu niet meer. De algemene instroom is zo zwak dat men zich geen schifting meer kan veroorloven. Wie wil er nu nog onderwijzer worden? Vaak jongeren die eerst een andere studiekeuze hebben gemaakt, mislukken en dan maar voor onderwijzer gaan.

2. Verminder het papierwerk.

De tijd die we in administratief werk stoppen, gaat ten koste van onze eigenlijke opdracht: lesgeven. Die papierdruk hangt samen met de nooit aflatende vernieuwingsdrang. Het ene jaar volg je een bijscholing over de Activerende Directe Instructie, nauwelijks heb je wat je hebt geleerd in je lesvoorbereidingen verwerkt of er komt al een nieuwe golf aanrollen met de Expliciete Directe Instructie. Geen wonder dat veel collega’s met burn-outverschijnselen worstelen.

3. Breid het aantal zorguren uit.

In een klas van 25 leerlingen heb je gegarandeerd een aantal hoogbegaafden, een of meer ADHD’ers, en wellicht ook nog een stuk of wat kinderen met dyslexie of dyscalculie. Ik ben een groot voorstander van differentiatie in de klas, maar zo kan het niet verder.

Filip Moons: ‘De indeling in aso, tso en bso is achterhaald’

Filip Moons (wiskunde, aso).
Filip Moons (wiskunde, aso).

1. Fuseer het openbaar onderwijs.

Voor het ‘staatsonderwijs’ hebben we liefst drie koepels in de aanbieding: naast het Gemeenschapsonderwijs (GO!) zijn dat het gemeentelijk onderwijs (OVSG) en het provinciaal onderwijs (POV). Alle drie hebben exact dezelfde maatschappelijke doelstellingen, waarbij de vrije keuze van het levensbeschouwelijk vak een van de bekendste speerpunten is. Die versnippering is inefficiënt en duur.

2. Schrap de termen aso, tso en bso.

De oorspronkelijke structuur van de hervorming van het secundair onderwijs was goed doordacht. Horizontaal waren er drie niveaus: één dat leerlingen moet voorbereiden op het hoger onderwijs, één om hen meteen naar de arbeidsmarkt te laten doorstromen, en één intermediair niveau. Gecombineerd met de verticale opdeling in acht onderwijsdomeinen, zoals STEM of taal en cultuur, zou het oude onderscheid tussen aso, tso en bso totaal overbodig zijn geworden. Dat het toch werd gehandhaafd, is een politiek verhaal. Wat een gemiste kans. De nieuwe richting technologische wetenschappen & engineering staat op hetzelfde niveau als economie-wiskunde. Waarom daar dan een tso-stempel op drukken? Zo wordt een hiërarchie gecreëerd die nergens op is gebaseerd.

Ina Meynen: ‘Wie honger heeft, kan zich niet concentreren’

Ina Meynen (MAVO en PAV, bso).
Ina Meynen (MAVO en PAV, bso).

1. Doe iets aan de armoede.

Jaar na jaar zien we de armoede stijgen. We hebben leerlingen die met een lege maag naar school komen, in de winter zomerkleren dragen of geen bril krijgen hoewel ze er al jaren één nodig hebben. Als je honger voelt en geldzorgen hebt, kun je je onmogelijk op de les concentreren. Op school hebben we ondertussen zelf een sociale dienst opgericht om kansarme gezinnen bij te staan.

2. Maak meer middelen vrij voor zorg.

In mijn klas in het eerste jaar zijn er maar twee van de elf leerlingen die geen extra aandacht nodig hebben. In mijn eentje kan ik dat amper bolwerken. Als we willen dat veel kinderen met specifieke onderwijsnoden in het gewoon onderwijs les kunnen volgen, moet er meer dan één leerkracht voor een klas kunnen staan.

3. Maak ons beroep aantrekkelijker.

Overal in het onderwijs is er een tekort aan leerkrachten, maar in het bso is het extra moeilijk om gemotiveerde mensen aan te trekken. Zeker voor de praktijkvakken. Zij-instromers uit de privésector zijn zeldzaam, want ook daar is er een grote vraag naar goede vaklui. Het gevolg is dat zieke leerkrachten vaak niet vervangen kunnen worden, en dat soms voor lange tijd.

Kristien Dewulf: ‘Jonge collega’s hebben verkeerde verwachtingen’

Kristien Dewulf (coachingleerkracht, buitengewoon basisonderwijs).
Kristien Dewulf (coachingleerkracht, buitengewoon basisonderwijs).

1. Leid jonge leerkrachten beter op.

Vandaag is de taak van een leerkracht veel meer dan alleen maar onderwijzen, maar de lerarenopleiding bereidt jonge mensen daar niet op voor. Ik zeg niet dat ze allemaal autismedeskundige of psycholoog moeten zijn, maar ze moeten wel genoeg kennis hebben om bepaalde signalen op te vangen.

2. Zet meer dan één leerkracht voor de klas.

Het is achterhaald om vandaag nog alleen voor een klas te staan. Bij ons op school gebeurt dat nooit meer. Ook in het gewone onderwijs zou co-teaching de norm moeten worden. Zo krijgen beginnende leerkrachten de kans om van ervaren collega’s te leren.

3. Open meer secundaire autismescholen.

Veel kinderen met autisme zitten op hun plaats in het reguliere onderwijs. Maar er zijn er ook die dat op cognitief vlak niet aankunnen en niet genoeg zelfinzicht hebben om daar te functioneren. In de lagere school zijn er in het buitengewoon onderwijs nog genoeg plaatsen voor hen, maar in het secundair zijn er lange wachtlijsten. Sommige jongeren zitten daardoor noodgedwongen jarenlang thuis.

Els Janssens: ‘Wie wil er nu nog onderwijzer worden?’

Els Janssens (klasleerkracht, basisschool).
Els Janssens (klasleerkracht, basisschool).

1. Verlaag de werkdruk.

1. Onze job moet worden opgewaardeerd. In mijn tijd werd er in het eerste jaar van de normaalschool flink aan de boom geschud: de zwakke studenten gingen eruit. Dat gebeurt nu niet meer. De algemene instroom is zo zwak dat men zich geen schifting meer kan veroorloven. Wie wil er nu nog onderwijzer worden? Vaak jongeren die eerst een andere studiekeuze hebben gemaakt, mislukken en dan maar voor onderwijzer gaan.

2. Verminder het papierwerk.

De tijd die we in administratief werk stoppen, gaat ten koste van onze eigenlijke opdracht: lesgeven. Die papierdruk hangt samen met de nooit aflatende vernieuwingsdrang. Het ene jaar volg je een bijscholing over de Activerende Directe Instructie, nauwelijks heb je wat je hebt geleerd in je lesvoorbereidingen verwerkt of er komt al een nieuwe golf aanrollen met de Expliciete Directe Instructie. Geen wonder dat veel collega’s met burn-outverschijnselen worstelen.

3. Breid het aantal zorguren uit.

In een klas van 25 leerlingen heb je gegarandeerd een aantal hoogbegaafden, een of meer ADHD’ers, en wellicht ook nog een stuk of wat kinderen met dyslexie of dyscalculie. Ik ben een groot voorstander van differentiatie in de klas, maar zo kan het niet verder.

Linda Babeliowsky: ‘Versterk de lerarenopleiding’

Linda Babeliowsky (zorgcoördinator, basisschool).
Linda Babeliowsky (zorgcoördinator, basisschool).

1. Maak werk van permanente vorming.

Scholen moeten de armslag en de middelen krijgen om leerkrachten daadwerkelijk bij te scholen, zodat ze beter gewapend zijn voor de uitdagingen van het onderwijs van vandaag en morgen. Een studiedag op tijd en stond volstaat niet, alleen langdurige opleidingstraj.ecten en interne coaching kunnen leerkrachten sterker maken.

2. Hervorm de lerarenopleiding.

De lat moet veel hoger worden gelegd. Wat mij betreft moet er een master lager onderwijs komen. Helaas vrees ik voor een omgekeerde evolutie. Door het nijpende tekort aan leerkrachten in het lager onderwijs zal de lat net verlaagd worden en zullen er nog meer leerkrachten worden afgeleverd die het moeilijk krijgen op de werkvloer. Ook in de lerarenopleiding moet worden gedifferentieerd. Studenten die bijvoorbeeld op de middelbare school veel wiskunde hebben gekregen, zouden beter een extra module muzische vorming kunnen volgen.

3. Maak het beroep aantrekkelijker voor mensen uit andere sectoren.

Toen ik na dertien jaar in de bijzondere jeugdzorg naar het onderwijs overstapte, bleek het onmogelijk om mijn anciënniteit te verzilveren. Op die manier hebben lagere scholen het natuurlijk moeilijk om zij-instromers aan te trekken.

Filip Moons: ‘De indeling in aso, tso en bso is achterhaald’

Filip Moons (wiskunde, aso).
Filip Moons (wiskunde, aso).

1. Fuseer het openbaar onderwijs.

Voor het ‘staatsonderwijs’ hebben we liefst drie koepels in de aanbieding: naast het Gemeenschapsonderwijs (GO!) zijn dat het gemeentelijk onderwijs (OVSG) en het provinciaal onderwijs (POV). Alle drie hebben exact dezelfde maatschappelijke doelstellingen, waarbij de vrije keuze van het levensbeschouwelijk vak een van de bekendste speerpunten is. Die versnippering is inefficiënt en duur.

2. Schrap de termen aso, tso en bso.

De oorspronkelijke structuur van de hervorming van het secundair onderwijs was goed doordacht. Horizontaal waren er drie niveaus: één dat leerlingen moet voorbereiden op het hoger onderwijs, één om hen meteen naar de arbeidsmarkt te laten doorstromen, en één intermediair niveau. Gecombineerd met de verticale opdeling in acht onderwijsdomeinen, zoals STEM of taal en cultuur, zou het oude onderscheid tussen aso, tso en bso totaal overbodig zijn geworden. Dat het toch werd gehandhaafd, is een politiek verhaal. Wat een gemiste kans. De nieuwe richting technologische wetenschappen & engineering staat op hetzelfde niveau als economie-wiskunde. Waarom daar dan een tso-stempel op drukken? Zo wordt een hiërarchie gecreëerd die nergens op is gebaseerd.

Ina Meynen: ‘Wie honger heeft, kan zich niet concentreren’

Ina Meynen (MAVO en PAV, bso).
Ina Meynen (MAVO en PAV, bso).

1. Doe iets aan de armoede.

Jaar na jaar zien we de armoede stijgen. We hebben leerlingen die met een lege maag naar school komen, in de winter zomerkleren dragen of geen bril krijgen hoewel ze er al jaren één nodig hebben. Als je honger voelt en geldzorgen hebt, kun je je onmogelijk op de les concentreren. Op school hebben we ondertussen zelf een sociale dienst opgericht om kansarme gezinnen bij te staan.

2. Maak meer middelen vrij voor zorg.

In mijn klas in het eerste jaar zijn er maar twee van de elf leerlingen die geen extra aandacht nodig hebben. In mijn eentje kan ik dat amper bolwerken. Als we willen dat veel kinderen met specifieke onderwijsnoden in het gewoon onderwijs les kunnen volgen, moet er meer dan één leerkracht voor een klas kunnen staan.

3. Maak ons beroep aantrekkelijker.

Overal in het onderwijs is er een tekort aan leerkrachten, maar in het bso is het extra moeilijk om gemotiveerde mensen aan te trekken. Zeker voor de praktijkvakken. Zij-instromers uit de privésector zijn zeldzaam, want ook daar is er een grote vraag naar goede vaklui. Het gevolg is dat zieke leerkrachten vaak niet vervangen kunnen worden, en dat soms voor lange tijd.

Kristien Dewulf: ‘Jonge collega’s hebben verkeerde verwachtingen’

Kristien Dewulf (coachingleerkracht, buitengewoon basisonderwijs).
Kristien Dewulf (coachingleerkracht, buitengewoon basisonderwijs).

1. Leid jonge leerkrachten beter op.

Vandaag is de taak van een leerkracht veel meer dan alleen maar onderwijzen, maar de lerarenopleiding bereidt jonge mensen daar niet op voor. Ik zeg niet dat ze allemaal autismedeskundige of psycholoog moeten zijn, maar ze moeten wel genoeg kennis hebben om bepaalde signalen op te vangen.

2. Zet meer dan één leerkracht voor de klas.

Het is achterhaald om vandaag nog alleen voor een klas te staan. Bij ons op school gebeurt dat nooit meer. Ook in het gewone onderwijs zou co-teaching de norm moeten worden. Zo krijgen beginnende leerkrachten de kans om van ervaren collega’s te leren.

3. Open meer secundaire autismescholen.

Veel kinderen met autisme zitten op hun plaats in het reguliere onderwijs. Maar er zijn er ook die dat op cognitief vlak niet aankunnen en niet genoeg zelfinzicht hebben om daar te functioneren. In de lagere school zijn er in het buitengewoon onderwijs nog genoeg plaatsen voor hen, maar in het secundair zijn er lange wachtlijsten. Sommige jongeren zitten daardoor noodgedwongen jarenlang thuis.

Els Janssens: ‘Wie wil er nu nog onderwijzer worden?’

Els Janssens (klasleerkracht, basisschool).
Els Janssens (klasleerkracht, basisschool).

1. Verlaag de werkdruk.

1. Onze job moet worden opgewaardeerd. In mijn tijd werd er in het eerste jaar van de normaalschool flink aan de boom geschud: de zwakke studenten gingen eruit. Dat gebeurt nu niet meer. De algemene instroom is zo zwak dat men zich geen schifting meer kan veroorloven. Wie wil er nu nog onderwijzer worden? Vaak jongeren die eerst een andere studiekeuze hebben gemaakt, mislukken en dan maar voor onderwijzer gaan.

2. Verminder het papierwerk.

De tijd die we in administratief werk stoppen, gaat ten koste van onze eigenlijke opdracht: lesgeven. Die papierdruk hangt samen met de nooit aflatende vernieuwingsdrang. Het ene jaar volg je een bijscholing over de Activerende Directe Instructie, nauwelijks heb je wat je hebt geleerd in je lesvoorbereidingen verwerkt of er komt al een nieuwe golf aanrollen met de Expliciete Directe Instructie. Geen wonder dat veel collega’s met burn-outverschijnselen worstelen.

3. Breid het aantal zorguren uit.

In een klas van 25 leerlingen heb je gegarandeerd een aantal hoogbegaafden, een of meer ADHD’ers, en wellicht ook nog een stuk of wat kinderen met dyslexie of dyscalculie. Ik ben een groot voorstander van differentiatie in de klas, maar zo kan het niet verder.

Annelies Bollaert: ‘Het niveauverschil in de klas is te groot’

Annelies Bollaert (godsdienst, bso en tso).
Annelies Bollaert (godsdienst, bso en tso).

1. Organiseer onderwijs op maat van elke leerling.

Het idee achter het M-decreet is prachtig, maar er schort veel aan de uitwerking. We hebben nu leerlingen die bijna privéles moeten krijgen. Praktijkleerkrachten moeten haast de hele les naast hen blijven staan omdat het te gevaarlijk is om hen alleen met een zaagmachine te laten werken. Bij mij in het derde jaar zit zelfs een jongen die niet tot tien kan tellen. Zulke leerlingen zitten hier niet op hun plaats, en ik ben niet opgeleid om hen les te geven.

2. Er zijn grenzen aan differentiatie.

De overgrote meerderheid van mijn leerlingen heeft geen getuigschrift lager onderwijs. Zij zitten samen in een klas met jongeren die in het tso zijn begonnen en uiteindelijk in het bso zijn terechtgekomen omdat ze zwaar puberen of lui zijn geweest. Zo’n enorm niveauverschil maakt differentiatie onmogelijk. Toch als je alleen voor de klas staat.

3. Maak onderwijs betaalbaar.

Veel van mijn leerlingen hebben het thuis niet breed, maar beroepsopleidingen zijn erg duur door het materiaal dat wordt gebruikt. Daar moet iets aan worden gedaan. Maar níét door scholen zomaar een maximumfactuur op te leggen, want ze moeten die dure materialen natuurlijk wel kunnen blijven gebruiken. De overheid zou financieel tussenbeide kunnen komen of, bijvoorbeeld, groepsaankopen organiseren om de prijs te drukken.

Linda Babeliowsky: ‘Versterk de lerarenopleiding’

Linda Babeliowsky (zorgcoördinator, basisschool).
Linda Babeliowsky (zorgcoördinator, basisschool).

1. Maak werk van permanente vorming.

Scholen moeten de armslag en de middelen krijgen om leerkrachten daadwerkelijk bij te scholen, zodat ze beter gewapend zijn voor de uitdagingen van het onderwijs van vandaag en morgen. Een studiedag op tijd en stond volstaat niet, alleen langdurige opleidingstraj.ecten en interne coaching kunnen leerkrachten sterker maken.

2. Hervorm de lerarenopleiding.

De lat moet veel hoger worden gelegd. Wat mij betreft moet er een master lager onderwijs komen. Helaas vrees ik voor een omgekeerde evolutie. Door het nijpende tekort aan leerkrachten in het lager onderwijs zal de lat net verlaagd worden en zullen er nog meer leerkrachten worden afgeleverd die het moeilijk krijgen op de werkvloer. Ook in de lerarenopleiding moet worden gedifferentieerd. Studenten die bijvoorbeeld op de middelbare school veel wiskunde hebben gekregen, zouden beter een extra module muzische vorming kunnen volgen.

3. Maak het beroep aantrekkelijker voor mensen uit andere sectoren.

Toen ik na dertien jaar in de bijzondere jeugdzorg naar het onderwijs overstapte, bleek het onmogelijk om mijn anciënniteit te verzilveren. Op die manier hebben lagere scholen het natuurlijk moeilijk om zij-instromers aan te trekken.

Filip Moons: ‘De indeling in aso, tso en bso is achterhaald’

Filip Moons (wiskunde, aso).
Filip Moons (wiskunde, aso).

1. Fuseer het openbaar onderwijs.

Voor het ‘staatsonderwijs’ hebben we liefst drie koepels in de aanbieding: naast het Gemeenschapsonderwijs (GO!) zijn dat het gemeentelijk onderwijs (OVSG) en het provinciaal onderwijs (POV). Alle drie hebben exact dezelfde maatschappelijke doelstellingen, waarbij de vrije keuze van het levensbeschouwelijk vak een van de bekendste speerpunten is. Die versnippering is inefficiënt en duur.

2. Schrap de termen aso, tso en bso.

De oorspronkelijke structuur van de hervorming van het secundair onderwijs was goed doordacht. Horizontaal waren er drie niveaus: één dat leerlingen moet voorbereiden op het hoger onderwijs, één om hen meteen naar de arbeidsmarkt te laten doorstromen, en één intermediair niveau. Gecombineerd met de verticale opdeling in acht onderwijsdomeinen, zoals STEM of taal en cultuur, zou het oude onderscheid tussen aso, tso en bso totaal overbodig zijn geworden. Dat het toch werd gehandhaafd, is een politiek verhaal. Wat een gemiste kans. De nieuwe richting technologische wetenschappen & engineering staat op hetzelfde niveau als economie-wiskunde. Waarom daar dan een tso-stempel op drukken? Zo wordt een hiërarchie gecreëerd die nergens op is gebaseerd.

Ina Meynen: ‘Wie honger heeft, kan zich niet concentreren’

Ina Meynen (MAVO en PAV, bso).
Ina Meynen (MAVO en PAV, bso).

1. Doe iets aan de armoede.

Jaar na jaar zien we de armoede stijgen. We hebben leerlingen die met een lege maag naar school komen, in de winter zomerkleren dragen of geen bril krijgen hoewel ze er al jaren één nodig hebben. Als je honger voelt en geldzorgen hebt, kun je je onmogelijk op de les concentreren. Op school hebben we ondertussen zelf een sociale dienst opgericht om kansarme gezinnen bij te staan.

2. Maak meer middelen vrij voor zorg.

In mijn klas in het eerste jaar zijn er maar twee van de elf leerlingen die geen extra aandacht nodig hebben. In mijn eentje kan ik dat amper bolwerken. Als we willen dat veel kinderen met specifieke onderwijsnoden in het gewoon onderwijs les kunnen volgen, moet er meer dan één leerkracht voor een klas kunnen staan.

3. Maak ons beroep aantrekkelijker.

Overal in het onderwijs is er een tekort aan leerkrachten, maar in het bso is het extra moeilijk om gemotiveerde mensen aan te trekken. Zeker voor de praktijkvakken. Zij-instromers uit de privésector zijn zeldzaam, want ook daar is er een grote vraag naar goede vaklui. Het gevolg is dat zieke leerkrachten vaak niet vervangen kunnen worden, en dat soms voor lange tijd.

Kristien Dewulf: ‘Jonge collega’s hebben verkeerde verwachtingen’

Kristien Dewulf (coachingleerkracht, buitengewoon basisonderwijs).
Kristien Dewulf (coachingleerkracht, buitengewoon basisonderwijs).

1. Leid jonge leerkrachten beter op.

Vandaag is de taak van een leerkracht veel meer dan alleen maar onderwijzen, maar de lerarenopleiding bereidt jonge mensen daar niet op voor. Ik zeg niet dat ze allemaal autismedeskundige of psycholoog moeten zijn, maar ze moeten wel genoeg kennis hebben om bepaalde signalen op te vangen.

2. Zet meer dan één leerkracht voor de klas.

Het is achterhaald om vandaag nog alleen voor een klas te staan. Bij ons op school gebeurt dat nooit meer. Ook in het gewone onderwijs zou co-teaching de norm moeten worden. Zo krijgen beginnende leerkrachten de kans om van ervaren collega’s te leren.

3. Open meer secundaire autismescholen.

Veel kinderen met autisme zitten op hun plaats in het reguliere onderwijs. Maar er zijn er ook die dat op cognitief vlak niet aankunnen en niet genoeg zelfinzicht hebben om daar te functioneren. In de lagere school zijn er in het buitengewoon onderwijs nog genoeg plaatsen voor hen, maar in het secundair zijn er lange wachtlijsten. Sommige jongeren zitten daardoor noodgedwongen jarenlang thuis.

Els Janssens: ‘Wie wil er nu nog onderwijzer worden?’

Els Janssens (klasleerkracht, basisschool).
Els Janssens (klasleerkracht, basisschool).

1. Verlaag de werkdruk.

1. Onze job moet worden opgewaardeerd. In mijn tijd werd er in het eerste jaar van de normaalschool flink aan de boom geschud: de zwakke studenten gingen eruit. Dat gebeurt nu niet meer. De algemene instroom is zo zwak dat men zich geen schifting meer kan veroorloven. Wie wil er nu nog onderwijzer worden? Vaak jongeren die eerst een andere studiekeuze hebben gemaakt, mislukken en dan maar voor onderwijzer gaan.

2. Verminder het papierwerk.

De tijd die we in administratief werk stoppen, gaat ten koste van onze eigenlijke opdracht: lesgeven. Die papierdruk hangt samen met de nooit aflatende vernieuwingsdrang. Het ene jaar volg je een bijscholing over de Activerende Directe Instructie, nauwelijks heb je wat je hebt geleerd in je lesvoorbereidingen verwerkt of er komt al een nieuwe golf aanrollen met de Expliciete Directe Instructie. Geen wonder dat veel collega’s met burn-outverschijnselen worstelen.

3. Breid het aantal zorguren uit.

In een klas van 25 leerlingen heb je gegarandeerd een aantal hoogbegaafden, een of meer ADHD’ers, en wellicht ook nog een stuk of wat kinderen met dyslexie of dyscalculie. Ik ben een groot voorstander van differentiatie in de klas, maar zo kan het niet verder.

Gerd Van de Kauter: ‘Ik overweeg een slechtere leerkracht te worden’

Gert Van De Kauter (geschiedenis en cultuurwetenschappen, aso en tso).
Gert Van De Kauter (geschiedenis en cultuurwetenschappen, aso en tso).

1. Verlaag de werkdruk.

Ik ben bang dat ik er over een paar jaar onderdoor ga. Daarom sta ik op een punt in mijn carrière dat ik overweeg om bewust een slechtere leerkracht te worden. Een verkiezingsproject opzetten, uitstappen organiseren, vragen voor de schoolquiz opstellen, bij elke evaluatie van een leerling feedback geven, naar naschoolse activiteiten gaan: allemaal dingen die ik niet hóéf te doen. Zelfs als ik de helft ervan laat vallen, kan de directie mij niet verwijten dat ik mijn werk niet doe. Dít is het gevolg van het uitputten van leerkrachten: het sociaal kapitaal gaat verloren, en we doen alleen nog wat we echt moeten doen.

2. Pak de problemen in het lager onderwijs aan.

Het secundair onderwijs dreigt het slachtoffer te worden van de problemen in het lager onderwijs. De taalvaardigheid van mijn leerlingen gaat bijvoorbeeld achteruit. Elke les zijn er wel een paar woorden waarvan ik de betekenis moet uitleggen, en zelfs leerlingen uit het aso hebben het moeilijk om een antwoord op een open vraag te formuleren. Dat komt onder meer doordat het lager onderwijs de toestroom van kinderen met extra noden moeilijk aankan, waardoor de lat vaak lager wordt gelegd.

Annelies Bollaert: ‘Het niveauverschil in de klas is te groot’

Annelies Bollaert (godsdienst, bso en tso).
Annelies Bollaert (godsdienst, bso en tso).

1. Organiseer onderwijs op maat van elke leerling.

Het idee achter het M-decreet is prachtig, maar er schort veel aan de uitwerking. We hebben nu leerlingen die bijna privéles moeten krijgen. Praktijkleerkrachten moeten haast de hele les naast hen blijven staan omdat het te gevaarlijk is om hen alleen met een zaagmachine te laten werken. Bij mij in het derde jaar zit zelfs een jongen die niet tot tien kan tellen. Zulke leerlingen zitten hier niet op hun plaats, en ik ben niet opgeleid om hen les te geven.

2. Er zijn grenzen aan differentiatie.

De overgrote meerderheid van mijn leerlingen heeft geen getuigschrift lager onderwijs. Zij zitten samen in een klas met jongeren die in het tso zijn begonnen en uiteindelijk in het bso zijn terechtgekomen omdat ze zwaar puberen of lui zijn geweest. Zo’n enorm niveauverschil maakt differentiatie onmogelijk. Toch als je alleen voor de klas staat.

3. Maak onderwijs betaalbaar.

Veel van mijn leerlingen hebben het thuis niet breed, maar beroepsopleidingen zijn erg duur door het materiaal dat wordt gebruikt. Daar moet iets aan worden gedaan. Maar níét door scholen zomaar een maximumfactuur op te leggen, want ze moeten die dure materialen natuurlijk wel kunnen blijven gebruiken. De overheid zou financieel tussenbeide kunnen komen of, bijvoorbeeld, groepsaankopen organiseren om de prijs te drukken.

Linda Babeliowsky: ‘Versterk de lerarenopleiding’

Linda Babeliowsky (zorgcoördinator, basisschool).
Linda Babeliowsky (zorgcoördinator, basisschool).

1. Maak werk van permanente vorming.

Scholen moeten de armslag en de middelen krijgen om leerkrachten daadwerkelijk bij te scholen, zodat ze beter gewapend zijn voor de uitdagingen van het onderwijs van vandaag en morgen. Een studiedag op tijd en stond volstaat niet, alleen langdurige opleidingstraj.ecten en interne coaching kunnen leerkrachten sterker maken.

2. Hervorm de lerarenopleiding.

De lat moet veel hoger worden gelegd. Wat mij betreft moet er een master lager onderwijs komen. Helaas vrees ik voor een omgekeerde evolutie. Door het nijpende tekort aan leerkrachten in het lager onderwijs zal de lat net verlaagd worden en zullen er nog meer leerkrachten worden afgeleverd die het moeilijk krijgen op de werkvloer. Ook in de lerarenopleiding moet worden gedifferentieerd. Studenten die bijvoorbeeld op de middelbare school veel wiskunde hebben gekregen, zouden beter een extra module muzische vorming kunnen volgen.

3. Maak het beroep aantrekkelijker voor mensen uit andere sectoren.

Toen ik na dertien jaar in de bijzondere jeugdzorg naar het onderwijs overstapte, bleek het onmogelijk om mijn anciënniteit te verzilveren. Op die manier hebben lagere scholen het natuurlijk moeilijk om zij-instromers aan te trekken.

Filip Moons: ‘De indeling in aso, tso en bso is achterhaald’

Filip Moons (wiskunde, aso).
Filip Moons (wiskunde, aso).

1. Fuseer het openbaar onderwijs.

Voor het ‘staatsonderwijs’ hebben we liefst drie koepels in de aanbieding: naast het Gemeenschapsonderwijs (GO!) zijn dat het gemeentelijk onderwijs (OVSG) en het provinciaal onderwijs (POV). Alle drie hebben exact dezelfde maatschappelijke doelstellingen, waarbij de vrije keuze van het levensbeschouwelijk vak een van de bekendste speerpunten is. Die versnippering is inefficiënt en duur.

2. Schrap de termen aso, tso en bso.

De oorspronkelijke structuur van de hervorming van het secundair onderwijs was goed doordacht. Horizontaal waren er drie niveaus: één dat leerlingen moet voorbereiden op het hoger onderwijs, één om hen meteen naar de arbeidsmarkt te laten doorstromen, en één intermediair niveau. Gecombineerd met de verticale opdeling in acht onderwijsdomeinen, zoals STEM of taal en cultuur, zou het oude onderscheid tussen aso, tso en bso totaal overbodig zijn geworden. Dat het toch werd gehandhaafd, is een politiek verhaal. Wat een gemiste kans. De nieuwe richting technologische wetenschappen & engineering staat op hetzelfde niveau als economie-wiskunde. Waarom daar dan een tso-stempel op drukken? Zo wordt een hiërarchie gecreëerd die nergens op is gebaseerd.

Ina Meynen: ‘Wie honger heeft, kan zich niet concentreren’

Ina Meynen (MAVO en PAV, bso).
Ina Meynen (MAVO en PAV, bso).

1. Doe iets aan de armoede.

Jaar na jaar zien we de armoede stijgen. We hebben leerlingen die met een lege maag naar school komen, in de winter zomerkleren dragen of geen bril krijgen hoewel ze er al jaren één nodig hebben. Als je honger voelt en geldzorgen hebt, kun je je onmogelijk op de les concentreren. Op school hebben we ondertussen zelf een sociale dienst opgericht om kansarme gezinnen bij te staan.

2. Maak meer middelen vrij voor zorg.

In mijn klas in het eerste jaar zijn er maar twee van de elf leerlingen die geen extra aandacht nodig hebben. In mijn eentje kan ik dat amper bolwerken. Als we willen dat veel kinderen met specifieke onderwijsnoden in het gewoon onderwijs les kunnen volgen, moet er meer dan één leerkracht voor een klas kunnen staan.

3. Maak ons beroep aantrekkelijker.

Overal in het onderwijs is er een tekort aan leerkrachten, maar in het bso is het extra moeilijk om gemotiveerde mensen aan te trekken. Zeker voor de praktijkvakken. Zij-instromers uit de privésector zijn zeldzaam, want ook daar is er een grote vraag naar goede vaklui. Het gevolg is dat zieke leerkrachten vaak niet vervangen kunnen worden, en dat soms voor lange tijd.

Kristien Dewulf: ‘Jonge collega’s hebben verkeerde verwachtingen’

Kristien Dewulf (coachingleerkracht, buitengewoon basisonderwijs).
Kristien Dewulf (coachingleerkracht, buitengewoon basisonderwijs).

1. Leid jonge leerkrachten beter op.

Vandaag is de taak van een leerkracht veel meer dan alleen maar onderwijzen, maar de lerarenopleiding bereidt jonge mensen daar niet op voor. Ik zeg niet dat ze allemaal autismedeskundige of psycholoog moeten zijn, maar ze moeten wel genoeg kennis hebben om bepaalde signalen op te vangen.

2. Zet meer dan één leerkracht voor de klas.

Het is achterhaald om vandaag nog alleen voor een klas te staan. Bij ons op school gebeurt dat nooit meer. Ook in het gewone onderwijs zou co-teaching de norm moeten worden. Zo krijgen beginnende leerkrachten de kans om van ervaren collega’s te leren.

3. Open meer secundaire autismescholen.

Veel kinderen met autisme zitten op hun plaats in het reguliere onderwijs. Maar er zijn er ook die dat op cognitief vlak niet aankunnen en niet genoeg zelfinzicht hebben om daar te functioneren. In de lagere school zijn er in het buitengewoon onderwijs nog genoeg plaatsen voor hen, maar in het secundair zijn er lange wachtlijsten. Sommige jongeren zitten daardoor noodgedwongen jarenlang thuis.

Els Janssens: ‘Wie wil er nu nog onderwijzer worden?’

Els Janssens (klasleerkracht, basisschool).
Els Janssens (klasleerkracht, basisschool).

1. Verlaag de werkdruk.

1. Onze job moet worden opgewaardeerd. In mijn tijd werd er in het eerste jaar van de normaalschool flink aan de boom geschud: de zwakke studenten gingen eruit. Dat gebeurt nu niet meer. De algemene instroom is zo zwak dat men zich geen schifting meer kan veroorloven. Wie wil er nu nog onderwijzer worden? Vaak jongeren die eerst een andere studiekeuze hebben gemaakt, mislukken en dan maar voor onderwijzer gaan.

2. Verminder het papierwerk.

De tijd die we in administratief werk stoppen, gaat ten koste van onze eigenlijke opdracht: lesgeven. Die papierdruk hangt samen met de nooit aflatende vernieuwingsdrang. Het ene jaar volg je een bijscholing over de Activerende Directe Instructie, nauwelijks heb je wat je hebt geleerd in je lesvoorbereidingen verwerkt of er komt al een nieuwe golf aanrollen met de Expliciete Directe Instructie. Geen wonder dat veel collega’s met burn-outverschijnselen worstelen.

3. Breid het aantal zorguren uit.

In een klas van 25 leerlingen heb je gegarandeerd een aantal hoogbegaafden, een of meer ADHD’ers, en wellicht ook nog een stuk of wat kinderen met dyslexie of dyscalculie. Ik ben een groot voorstander van differentiatie in de klas, maar zo kan het niet verder.

Info

Het panel dat we de voorbije weken consulteerden, bestaat uit twintig leerkrachten uit het secundair, het lager en het kleuteronderwijs in alle Vlaamse provincies. Sommigen werken in het officieel onderwijs, anderen in het vrij onderwijs.

Dit zijn ze: Linda Babeliowsky (zorgcoördinator, basisschool), Bea Bogemans (leerlingenbegeleider, aso, tso, bso), Annelies Bollaert (godsdienst, bso en tso), Carl Desmyter (biologie, aso en tso), Kristien Dewulf (coachingleerkracht, buitengewoon basisonderwijs), Tamara Gielen (verzorging, bso), Hildegarde Goubert (Engels en Nederlands, aso), Els Janssens (klasleerkracht, basisschool), Dries Heuvelmans (kleuteronderwijs), Ingrid Mellebeek (kleuteronderwijs), Lieve Mertens (docent wiskunde, lerarenopleiding), Ina Meynen (MAVO en PAV, bso), Filip Moons (wiskunde, aso), Gerd Van de Kauter (geschiedenis en cultuurwetenschappen, tso en bso), Hilke Van den Eede (klasleerkracht, basisschool), Elke Van Haver (buitengewoon basisonderwijs), Johan Van Holderbeke (buitengewoon secundair onderwijs), Dorine Van Leirberghe (klasleerkracht, basisschool) Kathleen Vervaet (zorgcoördinator, lager onderwijs), Marc Wildemeersch (algemene vakken, tso).

Gerd Van de Kauter: ‘Ik overweeg een slechtere leerkracht te worden’

Gert Van De Kauter (geschiedenis en cultuurwetenschappen, aso en tso).
Gert Van De Kauter (geschiedenis en cultuurwetenschappen, aso en tso).

1. Verlaag de werkdruk.

Ik ben bang dat ik er over een paar jaar onderdoor ga. Daarom sta ik op een punt in mijn carrière dat ik overweeg om bewust een slechtere leerkracht te worden. Een verkiezingsproject opzetten, uitstappen organiseren, vragen voor de schoolquiz opstellen, bij elke evaluatie van een leerling feedback geven, naar naschoolse activiteiten gaan: allemaal dingen die ik niet hóéf te doen. Zelfs als ik de helft ervan laat vallen, kan de directie mij niet verwijten dat ik mijn werk niet doe. Dít is het gevolg van het uitputten van leerkrachten: het sociaal kapitaal gaat verloren, en we doen alleen nog wat we echt moeten doen.

2. Pak de problemen in het lager onderwijs aan.

Het secundair onderwijs dreigt het slachtoffer te worden van de problemen in het lager onderwijs. De taalvaardigheid van mijn leerlingen gaat bijvoorbeeld achteruit. Elke les zijn er wel een paar woorden waarvan ik de betekenis moet uitleggen, en zelfs leerlingen uit het aso hebben het moeilijk om een antwoord op een open vraag te formuleren. Dat komt onder meer doordat het lager onderwijs de toestroom van kinderen met extra noden moeilijk aankan, waardoor de lat vaak lager wordt gelegd.

Annelies Bollaert: ‘Het niveauverschil in de klas is te groot’

Annelies Bollaert (godsdienst, bso en tso).
Annelies Bollaert (godsdienst, bso en tso).

1. Organiseer onderwijs op maat van elke leerling.

Het idee achter het M-decreet is prachtig, maar er schort veel aan de uitwerking. We hebben nu leerlingen die bijna privéles moeten krijgen. Praktijkleerkrachten moeten haast de hele les naast hen blijven staan omdat het te gevaarlijk is om hen alleen met een zaagmachine te laten werken. Bij mij in het derde jaar zit zelfs een jongen die niet tot tien kan tellen. Zulke leerlingen zitten hier niet op hun plaats, en ik ben niet opgeleid om hen les te geven.

2. Er zijn grenzen aan differentiatie.

De overgrote meerderheid van mijn leerlingen heeft geen getuigschrift lager onderwijs. Zij zitten samen in een klas met jongeren die in het tso zijn begonnen en uiteindelijk in het bso zijn terechtgekomen omdat ze zwaar puberen of lui zijn geweest. Zo’n enorm niveauverschil maakt differentiatie onmogelijk. Toch als je alleen voor de klas staat.

3. Maak onderwijs betaalbaar.

Veel van mijn leerlingen hebben het thuis niet breed, maar beroepsopleidingen zijn erg duur door het materiaal dat wordt gebruikt. Daar moet iets aan worden gedaan. Maar níét door scholen zomaar een maximumfactuur op te leggen, want ze moeten die dure materialen natuurlijk wel kunnen blijven gebruiken. De overheid zou financieel tussenbeide kunnen komen of, bijvoorbeeld, groepsaankopen organiseren om de prijs te drukken.

Linda Babeliowsky: ‘Versterk de lerarenopleiding’

Linda Babeliowsky (zorgcoördinator, basisschool).
Linda Babeliowsky (zorgcoördinator, basisschool).

1. Maak werk van permanente vorming.

Scholen moeten de armslag en de middelen krijgen om leerkrachten daadwerkelijk bij te scholen, zodat ze beter gewapend zijn voor de uitdagingen van het onderwijs van vandaag en morgen. Een studiedag op tijd en stond volstaat niet, alleen langdurige opleidingstraj.ecten en interne coaching kunnen leerkrachten sterker maken.

2. Hervorm de lerarenopleiding.

De lat moet veel hoger worden gelegd. Wat mij betreft moet er een master lager onderwijs komen. Helaas vrees ik voor een omgekeerde evolutie. Door het nijpende tekort aan leerkrachten in het lager onderwijs zal de lat net verlaagd worden en zullen er nog meer leerkrachten worden afgeleverd die het moeilijk krijgen op de werkvloer. Ook in de lerarenopleiding moet worden gedifferentieerd. Studenten die bijvoorbeeld op de middelbare school veel wiskunde hebben gekregen, zouden beter een extra module muzische vorming kunnen volgen.

3. Maak het beroep aantrekkelijker voor mensen uit andere sectoren.

Toen ik na dertien jaar in de bijzondere jeugdzorg naar het onderwijs overstapte, bleek het onmogelijk om mijn anciënniteit te verzilveren. Op die manier hebben lagere scholen het natuurlijk moeilijk om zij-instromers aan te trekken.

Filip Moons: ‘De indeling in aso, tso en bso is achterhaald’

Filip Moons (wiskunde, aso).
Filip Moons (wiskunde, aso).

1. Fuseer het openbaar onderwijs.

Voor het ‘staatsonderwijs’ hebben we liefst drie koepels in de aanbieding: naast het Gemeenschapsonderwijs (GO!) zijn dat het gemeentelijk onderwijs (OVSG) en het provinciaal onderwijs (POV). Alle drie hebben exact dezelfde maatschappelijke doelstellingen, waarbij de vrije keuze van het levensbeschouwelijk vak een van de bekendste speerpunten is. Die versnippering is inefficiënt en duur.

2. Schrap de termen aso, tso en bso.

De oorspronkelijke structuur van de hervorming van het secundair onderwijs was goed doordacht. Horizontaal waren er drie niveaus: één dat leerlingen moet voorbereiden op het hoger onderwijs, één om hen meteen naar de arbeidsmarkt te laten doorstromen, en één intermediair niveau. Gecombineerd met de verticale opdeling in acht onderwijsdomeinen, zoals STEM of taal en cultuur, zou het oude onderscheid tussen aso, tso en bso totaal overbodig zijn geworden. Dat het toch werd gehandhaafd, is een politiek verhaal. Wat een gemiste kans. De nieuwe richting technologische wetenschappen & engineering staat op hetzelfde niveau als economie-wiskunde. Waarom daar dan een tso-stempel op drukken? Zo wordt een hiërarchie gecreëerd die nergens op is gebaseerd.

Ina Meynen: ‘Wie honger heeft, kan zich niet concentreren’

Ina Meynen (MAVO en PAV, bso).
Ina Meynen (MAVO en PAV, bso).

1. Doe iets aan de armoede.

Jaar na jaar zien we de armoede stijgen. We hebben leerlingen die met een lege maag naar school komen, in de winter zomerkleren dragen of geen bril krijgen hoewel ze er al jaren één nodig hebben. Als je honger voelt en geldzorgen hebt, kun je je onmogelijk op de les concentreren. Op school hebben we ondertussen zelf een sociale dienst opgericht om kansarme gezinnen bij te staan.

2. Maak meer middelen vrij voor zorg.

In mijn klas in het eerste jaar zijn er maar twee van de elf leerlingen die geen extra aandacht nodig hebben. In mijn eentje kan ik dat amper bolwerken. Als we willen dat veel kinderen met specifieke onderwijsnoden in het gewoon onderwijs les kunnen volgen, moet er meer dan één leerkracht voor een klas kunnen staan.

3. Maak ons beroep aantrekkelijker.

Overal in het onderwijs is er een tekort aan leerkrachten, maar in het bso is het extra moeilijk om gemotiveerde mensen aan te trekken. Zeker voor de praktijkvakken. Zij-instromers uit de privésector zijn zeldzaam, want ook daar is er een grote vraag naar goede vaklui. Het gevolg is dat zieke leerkrachten vaak niet vervangen kunnen worden, en dat soms voor lange tijd.

Kristien Dewulf: ‘Jonge collega’s hebben verkeerde verwachtingen’

Kristien Dewulf (coachingleerkracht, buitengewoon basisonderwijs).
Kristien Dewulf (coachingleerkracht, buitengewoon basisonderwijs).

1. Leid jonge leerkrachten beter op.

Vandaag is de taak van een leerkracht veel meer dan alleen maar onderwijzen, maar de lerarenopleiding bereidt jonge mensen daar niet op voor. Ik zeg niet dat ze allemaal autismedeskundige of psycholoog moeten zijn, maar ze moeten wel genoeg kennis hebben om bepaalde signalen op te vangen.

2. Zet meer dan één leerkracht voor de klas.

Het is achterhaald om vandaag nog alleen voor een klas te staan. Bij ons op school gebeurt dat nooit meer. Ook in het gewone onderwijs zou co-teaching de norm moeten worden. Zo krijgen beginnende leerkrachten de kans om van ervaren collega’s te leren.

3. Open meer secundaire autismescholen.

Veel kinderen met autisme zitten op hun plaats in het reguliere onderwijs. Maar er zijn er ook die dat op cognitief vlak niet aankunnen en niet genoeg zelfinzicht hebben om daar te functioneren. In de lagere school zijn er in het buitengewoon onderwijs nog genoeg plaatsen voor hen, maar in het secundair zijn er lange wachtlijsten. Sommige jongeren zitten daardoor noodgedwongen jarenlang thuis.

Els Janssens: ‘Wie wil er nu nog onderwijzer worden?’

Els Janssens (klasleerkracht, basisschool).
Els Janssens (klasleerkracht, basisschool).

1. Verlaag de werkdruk.

1. Onze job moet worden opgewaardeerd. In mijn tijd werd er in het eerste jaar van de normaalschool flink aan de boom geschud: de zwakke studenten gingen eruit. Dat gebeurt nu niet meer. De algemene instroom is zo zwak dat men zich geen schifting meer kan veroorloven. Wie wil er nu nog onderwijzer worden? Vaak jongeren die eerst een andere studiekeuze hebben gemaakt, mislukken en dan maar voor onderwijzer gaan.

2. Verminder het papierwerk.

De tijd die we in administratief werk stoppen, gaat ten koste van onze eigenlijke opdracht: lesgeven. Die papierdruk hangt samen met de nooit aflatende vernieuwingsdrang. Het ene jaar volg je een bijscholing over de Activerende Directe Instructie, nauwelijks heb je wat je hebt geleerd in je lesvoorbereidingen verwerkt of er komt al een nieuwe golf aanrollen met de Expliciete Directe Instructie. Geen wonder dat veel collega’s met burn-outverschijnselen worstelen.

3. Breid het aantal zorguren uit.

In een klas van 25 leerlingen heb je gegarandeerd een aantal hoogbegaafden, een of meer ADHD’ers, en wellicht ook nog een stuk of wat kinderen met dyslexie of dyscalculie. Ik ben een groot voorstander van differentiatie in de klas, maar zo kan het niet verder.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content