Patrick Luyten

‘Laten we de echt belangrijke vragen in de war on drugs toch ook maar stellen’

Patrick Luyten Hoogleraar Klinische Psychologie (KU Leuven)
Paul Van Deun Klinisch psycholoog en voorzitter van de Vereniging voor Alcohol en andere Drugproblemen (VAD)
Herwig Claeys Medewerker Zorggroep Zin
Tom Decorte Hoogleraar criminologie en lid van het burgercollectief Smart on Drugs

‘De harde vragen in de war on drugs  worden opnieuw vakkundig vermeden’, schrijven vier experts nu het debat over drugs opnieuw oplaait na aanhoudend geweld in Antwerpen.

De war on drugs is nu echt uit de hand aan het lopen. Er is niet alleen de dreiging van een aanslag op de minister van Justitie, Vincent van Quickenborne. Er is ook een constante stroom van aanslagen op woningen van mensen die op een of andere manier betrokken zijn bij de illegale drugstrafiek in ons land, waarbij nu ook een onschuldig kind van 11 jaar tragisch om het leven is gekomen.

De roep om harde politieacties klinkt nu luid, er wordt zelfs openlijk aangegeven dat het leger moet tussenkomen. De harde vragen in de war on drugs worden echter opnieuw vakkundig vermeden: Waarom gebruiken mensen immers roesmiddelen? En vooral: hoe kunnen we zorgen dat minder mensen roesmiddelen nodig hebben? Pas dan zal de war on drugs zichzelf opheffen.

Roesmiddelen als zelfmedicatie

Laten we eerst met die gebruiker beginnen. Roesmiddelen worden gebruikt in alle lagen en segmenten van de bevolking, en dat komt omdat ze positieve effecten hebben voor de gebruiker. Niet alle gebruikers kampen met of veroorzaken problemen.

Een minderheid wel. Het gaat hierbij om een relatief kleine groep van de populatie. Schattingen lopen uiteen, maar zo’n 1 tot 5% van de (jong)volwassenen gebruikt op regelmatige basis illegale roesmiddelen (cannabis, cocaïne, xtc, …). Uit studies blijkt duidelijk dat vroege negatieve levensgebeurtenissen, zoals emotionele en fysieke verwaarlozing, misbruik en mishandeling, tot 70% en meer van druggebruik verklaren.

En er is ook een duidelijke dosis-response relatie tussen dergelijke vroege negatieve levenservaringen en middelengebruik: hoe meer misbruik en verwaarlozing, hoe problematischer druggebruik wordt. Mensen met een ernstige traumageschiedenis beginnen vroeger middelen te gebruiken, gebruiken ook sneller illegale middelen en drugs die een groter gevaar voor de gezondheid inhouden. Bovendien hangt dergelijk druggebruik vrijwel steeds samen met gevoelens van depressie, angst, kwaadheid en leegte. Kort door de bocht: roesmiddelen zijn vooral een vorm van zelfmedicatie: ze worden gebruikt om gevoelens van psychische pijn, minderwaardigheid, doelloosheid en hopeloosheid te dempen.

(Lees verder onder het artikel.)

Zullen we daarom wat meer middelen inzetten op preventie van misbruik en mishandeling? De bron van druggebruik droogleggen behelst niet het aanpakken van dealers op straat, handelaars of drugsbaronnen in Zuid-Amerika. Het gaat om het wegnemen van de behoefte aan roesmiddelen. Dat zal wellicht nooit volledig kunnen: er bestaat geen menselijke samenleving waarin er geen roesmiddelen gebruikt worden. Maar problematisch gebruik kunnen we echt wel sterk terugdringen: niet door deze gebruikers te straffen, of te stigmatiseren en te vingerwijzen voor de gewelddadigheden van de illegale drugshandelaren, maar door het inzetten op preventie en op het breder beschikbaar en toegankelijk maken van psychologische zorg.

Er heerst immers nog heel veel schaamte, angst en wantrouwen om de stap naar de hulpverlening te zetten. Dat is vooral het geval bij problematische druggebruikers. Studies tonen overduidelijk aan dat mensen met een verslavingsproblematiek er erg lang over doen om hulp te zoeken voor hun probleem. Velen zoeken nooit professionele hulp. We moeten daarom in de eerste plaats inzetten op laagdrempelige hulp. Cijfers uit Vlaanderen tonen aan dat vooral online hulp maakt het mogelijk voor mensen met drugproblemen om volledig anoniem aan de slag te gaan met hun probleem en daarbij ook de steun te ervaren van lotgenoten. De angst, schaamte en wantrouwen ten opzichte van hulpverleners zijn immers vaak zo groot bij mensen dat ze de broodnodige steun en begrip eerder vinden bij andere gebruikers. Ook daar dienen we dus op in te zetten: geef een centrale rol aan ex-gebruikers in de aanpak van problematisch roesmiddelengebruik. Ook het decriminaliseren van bezit en gebruik zal ertoe leiden dat méér mensen hulp zullen zoeken voor hun druggerelateerde problemen.

Psychologische factoren zijn slechts een deel van de verklaring voor druggebruik. Biologische factoren kunnen eveneens een rol spelen, maar ook maatschappelijke trends. Dit brengt ons wellicht tot de meest pijnlijke vraag in de War on Drugs: hoe komt het dat prevalentie van misbruik en verwaarlozing van kinderen en jongeren ook in onze ‘moderne en vooruitstrevende’ maatschappij nog zo hoog is? Waarom kampt een blijkbaar groeiende groep van jongeren en jongvolwassenen met gevoelens van doelloosheid aan de ene kant en voelen ze steeds meer de druk om te presteren aan de andere kant?

(Lees verder onder het artikel.)

Hier ligt een belangrijke taak voor iedereen die betrokken is bij de vormgeving van onze maatschappij: van ouders tot jeugdclubs, bedrijven en politici. Zij kunnen allen bijdragen aan een meer inclusieve maatschappij. Polarisering, radicalisering en een steeds groter wordende klemtoon op persoonlijk succes lijken weinig zoden aan de dijk te brengen. Toch zie je weinig anders als je de krant openslaat of het nieuws bekijkt. Het verhogen van het zogenaamde sociaal kapitaal in een maatschappij is wel een vruchtbare piste. Met sociaal kapitaal bedoelt men de aanwezigheid van kenmerken als vertrouwen, gelijkheid, samenwerking, wederkerigheid en goedheid in een maatschappij.

Dit is geen flauwe geitenwollen praat: wetenschappelijk onderzoek heeft genoegzaam aangetoond dat er een sterke relatie is tussen sociale ongelijkheid, armoede, vertrouwen in anderen en fysieke en geestelijke gezondheid. Zo kan bijvoorbeeld een structurele ondersteuning bieden aan alleenstaande moeders met jonge kinderen op termijn meer zoden aan de dijk zetten dan groots opgezette drugpreventiecampagnes. We moeten daarom dringend met andere wapens gaan vechten. Dat klinkt misschien minder stoer, maar het is wel doeltreffender.

Prof dr Patrick Luyten, Hoogleraar Klinische Psychologie, Faculteit Psychologie en Pedagogische Wetenschappen, KU Leuven en University College London, UK.

Herwig Claeys, medewerker Zorggroep Zin en projectverantwoordelijke OnlinePsyHulp.be.

Paul Van Deun, Verslavingstherapeut. Auteur Het Gekaapte Brein, verslavingsgedrag beter begrijpen.

Prof dr Tom Decorte, hoogleraar criminologie, Faculteit Recht en Criminologie, Universiteit Gent.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content