Stijn Bruers

‘Discriminatie van dieren is een morele illusie’

Stijn Bruers Moraalfilosoof en voorzitter van Effectief Altruïsme België.

‘Onze zintuigen zijn niet altijd te vertrouwen. Maar hoe zit het met onze intuïties en morele oordelen over goed en slecht?’ vraagt moraalfilosoof Stijn Bruers, die stelt dat ook die laatste niet altijd te vertrouwen zijn.

We kennen allemaal optische illusies. Je ziet twee horizontale lijnstukken met pijlpunten aan de uiteinden. Het lijnstuk met de naar buiten wijzende pijlpunten lijkt korter, maar in werkelijkheid zijn de twee lijnstukken even lang. Onze zintuigen zijn niet altijd te vertrouwen. Maar hoe zit het met onze intuïties en morele oordelen over goed en slecht? Kunnen we ze altijd vertrouwen? Nee, we zijn vatbaar voor morele illusies. Dit zijn spontane, intuïtieve morele oordelen die zeer hardnekkig zijn, maar die onze diepste morele waarden schenden. Ze leiden ons af van een rationele, authentieke ethiek, van wat we echt belangrijk vinden.

Een heel ernstige morele illusie is speciesisme, de discriminatie van niet-menselijke dieren. We hebben het spontane oordeel dat mensen belangrijker zijn dan dieren. De optische illusie van de twee lijnstukken kan dienst doen als metafoor. De twee horizontale lijnen komen symbolisch overeen met de morele waarden van bijvoorbeeld een varken en een peuter. Hoe langer de lijn, hoe meer waarde het lijnstuk heeft. De pijlpunten corresponderen met de moreel irrelevante eigenschappen, zoals lichaamskenmerken, intelligentie of genetische verwantschap. Het lijkt alsof een mens meer waard is dan een varken, maar dat is een illusie. Hoe weten we dit?

Ten eerste kunnen we de pijlpunten, de moreel irrelevante eigenschappen uitwissen. Dan zie je dat beide lijnstukken even lang zijn. En wat blijft er over van het varken en het kind? Hun moreel relevante eigenschappen: hun gevoelens, hun welzijn. Op dat vlak zijn beide individuen gelijk.

Of we kunnen een ander hulpmiddel gebruiken: we kunnen een meetlat van het ene lijnstuk naar het andere verplaatsen. In de ethiek hebben we een gelijkaardig hulpmiddel: empathie of inlevingsvermogen. Dit stelt ons in staat om van positie te wisselen, om ons in de positie van iemand anders te verplaatsen. We kunnen ons inleven in een varken en een peuter, en dan merken we dat een gevoel of voorkeur voor het varken even belangrijk is als een gevoel of voorkeur voor de peuter.

Dit brengt ons bij een belangrijke aanwijzing hoe we morele illusies kunnen vermijden: we moeten alle ongerechtvaardigde of ongewenste willekeur vermijden. Bij discriminatie worden naar willekeur individuen uitgesloten en minder goed behandeld. De slachtoffers van discriminatie wensen niet zo nadelig behandeld te worden. Discriminatie is dus een ongewenste willekeur. Het idee om ongewenste willekeur te vermijden is een perfect tegengif tegen morele illusies.

(Lees verder onder het artikel.)

Waarom is de discriminatie van dieren willekeurig? Kijk naar de biologische classificatie. Je kunt die classificatie voorstellen als een kast met een tiental laden. De onderste lade bevat de etnische groepen, ondersoorten of rassen. Een racist zou die onderste lade openschuiven en daarin een geprivilegieerde etnische groep aanwijzen. Een lade hoger is die van de soorten. Een speciesist opent die lade, kiest daarin de mensensoort, en zegt dat enkel de wezens behorende tot die soort rechten verdienen. Maar de kast bevat nog hogere laden. Wij behoren tot de soort van mensen, maar ook tot de familie van mensapen, de orde van primaten, de klasse van zoogdieren, de stam van gewervelde dieren, enzovoort.

We zijn net zo goed zoogdieren als mensen. Dus waarom zouden we de negende lade openen en naar de soort van mensen wijzen en verklaren dat alleen die individuen basisrechten krijgen? Waarom wijzen we niet naar andere soorten in die lade? Waarom openen we geen andere lade, een andere biologische categorie zoals de klassen? Bij het kiezen van de lade en de groep in die lade, volgen we geen regels, dus die keuzes zijn willekeur. En die willekeur is ongewenst voor de uitgeslotenen die we discrimineren.

Maar het is nog erger: een soort is niet eens goed gedefinieerd. Stel dat we met een tijdreismachine al jouw voorouders naar het heden brengen. Jullie staan naast elkaar in een lange rij. Jij staat helemaal links, daarnaast staat je moeder, je grootmoeder, je overgrootmoeder, enzovoort. Verderop in de rij zien we je voorouders die miljoenen jaren geleden leefden. Zo komen we uit bij onze overover…overgrootmoeder die pakweg 400 miljoen jaar geleden leefde. Het eerste gewervelde dier dat aan land kroop. Zij is een gemeenschappelijke voorouder van alle gewervelde landdieren, dus ook die van pakweg de kippen. We kunnen dan die rij langer maken door de stamboom af te gaan van die gemeenschappelijke voorouder naar een hedendaagse kip. Die kip staat dan helemaal rechts in de rij.

Nu kunnen we een leuk spel spelen: jij bent volledig mens en krijgt daarom mensenrechten, akkoord? Net als je moeder en je grootmoeder, akkoord? Ze behoren allemaal tot de morele gemeenschap, de individuen die rechten krijgen. Maar als we verder naar rechts opschuiven, waar eindigt dan de morele gemeenschap? Waar staat onze over…overgrootmoeder die een mens was maar wiens moeder geen mens was? We schuiven verder op, we naderen de kip, dus zeg op tijd stop! Maar nee, er is geen scherpe grens te trekken tussen mensen aan de linkerkant en niet-mensen aan de rechterkant. Net zoals er in een regenboog geen scherpe grens te trekken is tussen de kleuren rood en blauw. Alle tussenvormen tussen jou en een kip hebben ooit daadwerkelijk geleefd op deze planeet, net zoals alle kleuren tussen rood en blauw zichtbaar zijn in de regenboog. Ons idee van mensenrechten en onze keuze om kippen te eten zijn gebaseerd op het willekeurige feit dat die tussenvormen tussen ons en kippen niet meer bestaan.

(Lees verder onder het artikel.)

In een rechtenethiek begint men traditioneel met het oplijsten van alle belangrijke rechten, en dan stelt men de vraag wie die rechten krijgt. Men vertrekt van de verzameling van rechten en zoekt de verzameling van rechthebbende wezens. Dan zien we een zich uitbreidende morele gemeenschap doorheen de geschiedenis. We breiden het bereik van onze morele radar uit. Eerst worden onze stamgenoten zichtbaar, dan krijgen alle blanken en vervolgens alle mensen rechten. Maar we kunnen niet willekeurig stoppen bij de groep van mensen. De morele gemeenschap moeten we verder uitbreiden, als we ongewenste willekeur willen vermijden. Iedereen en alles moet erin worden opgenomen, zonder willekeurige uitzonderingen. Dus ook planten, rotsen, computers enzovoort. Dus ik stel voor om de tegengestelde richting te volgen: we beginnen met de voorwaarde dat alles en iedereen telt en wordt opgenomen in de morele gemeenschap, en dan gaan we na welke rechten we aan alles en iedereen willen toekennen. Die rechten zijn de grondrechten.

Een interessant grondrecht is het recht om niet tegen je wil in als middel gebruikt te worden voor de doelen van iemand anders. Jouw lichaam is van jou en niemand anders mag je lichaam gebruiken als jij dat niet wilt. Dat is je recht op lichamelijke zelfbeschikking. En iedereen en alles zou dan dit recht moeten krijgen. Ja, inclusief planten en computers. Er is geen willekeurige uitsluiting of discriminatie. Maar we kunnen dit recht van een plant niet schenden, wat we ook doen, want een plant heeft geen wil en kan dus niet tegen zijn wil in gebruikt worden. Een plant heeft ook geen besef van zijn lichaam. Voor een plant of een computer wordt dat grondrecht altijd vanzelf gerespecteerd. Dat is handig. Het recht wordt alleen belangrijk voor een voelend wezen dat een eigen wil en een besef van haar eigen lichaam heeft. Want voor een voelend wezen is het wel mogelijk dat grondrecht te schenden. Voelende wezens, waarvan wel plots, vermoedelijk zo’n 500 miljoen jaar geleden, onze eerste voorouder verscheen, zijn dus bijzonder.

Wat volgt uit deze nieuwe benadering van de rechtenethiek? Dat we niet naar willekeur de lichamen van andere voelende wezens mogen gebruiken op manieren die ze niet willen. Concreet leidt dit tot het afschaffen van slavernij en in het verlengde daarvan het afschaffen van de veeteelt, jacht en visvangst. Want daarbij worden de lichamen van voelende wezens gebruikt tegen hun wil in.

Stijn Bruers is moraalfilosoof en auteur van het boek Morele Illusies.

Partner Content