Filosofe Katrien Devolder: ‘Varkens inzetten voor orgaanproductie is minder stuitend dan voor vleesproductie’

© John Angerson
Dirk Draulans
Dirk Draulans Redacteur bij Knack
Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

De grens van het mens-zijn wordt verlegd. De wetenschappelijke topvakbladen Nature en Science rapporteren geregeld over opmerkelijke experimenten. Zo werden menselijke hersencellen ingeplant in de hersenen van rattenembryo’s om te kijken hoe ze zich delen en gedragen. Er zijn embryo’s gemaakt die bestaan uit een mengeling van cellen van apen en mensen. En sinds een jaar mogen onderzoekers experimenteren met menselijke embryo’s van meer dan twee weken oud – vroeger moesten die na dag dertien worden gedood.

De goegemeente weet niet altijd wat ze ervan moet denken. Een bevoorrecht waarnemer is de Vlaamse filosofe Katrien Devolder, al zeven jaar verbonden aan de prestigieuze universiteit van Oxford. Ze doctoreerde op de ethiek van het gebruik van menselijke embryonale stamcellen voor onderzoek – stamcellen zijn oercellen die in principe tot om het even welke andere lichaamscel kunnen uitgroeien.

De voordelen van technologische ontwikkeling wegen lang niet altijd op tegen het belang van dierenwelzijn.

Was u voorstander van die verlenging van de duur voor experimenten met menselijke embryo’s?

Katrien Devolder: Een embryo kan tot minstens 28 dagen geen pijn voelen en heeft geen bewustzijn, dus zie ik geen fundamentele bezwaren om er zo lang mee te experimenteren als het om de juiste redenen gebeurt. Maar we moeten rekening houden met de maatschappelijke context. Als mensen er problemen mee hebben, moeten we dat erkennen en in dialoog gaan. We hebben tijd om erover na te denken, want het is nog niet mogelijk om embryo’s in laboratoriumomstandigheden zo lang in leven te houden.

Wat zijn ‘juiste redenen’ om met embryo’s te experimenteren?

Devolder: Er kan bekeken worden hoe cellen zich delen en ontwikkelen. Dat kan nuttig zijn in de strijd tegen kanker, een ziekte die vooral een kwestie van ontspoorde celdeling is. Er kan onderzocht worden hoe miskramen kunnen worden vermeden – ze zijn dikwijls een gevolg van fouten in de embryonale ontwikkeling. Hoe verder we een embryo laten uitgroeien, hoe meer we leren over wat er mis kan gaan.

Wetenschappers construeren zelf zogenaamde embryoïden uit stamcellen. Maakt dat ethisch een verschil met echte embryo’s?

Devolder: Om embryonale stamcellen te verzamelen, moeten toch wat embryo’s worden gedood, wat voor veel mensen een probleem is. Het antwoord op de vraag of een synthetisch embryo anders mag worden behandeld dan een echt embryo hangt voor een groot deel af van hoever het kan uitgroeien. Als dat op hetzelfde niveau kan als een gewoon embryo, maakt het ethisch geen verschil of het al dan niet door wetenschappers uit stamcellen werd gemaakt.

Het onderzoek van chimeren – mengelingen van cellen van twee soorten – is een hot topic. Is het ook ethisch aanvaardbaar?

Devolder: Er is geen eenvoudig antwoord op die vraag. Een voorbeeld. Er loopt onderzoek naar de kweek van menselijke organen in varkens, om ze later te transplanteren naar mensen. Daarvoor worden chimeren van mensen en varkens gebruikt. Hoe ‘menselijker’ die organen zijn, hoe makkelijker een mensenlichaam ze aanvaardt. Aangezien er een chronisch tekort aan donororganen voor zwaar zieke mensen is, wordt er gezocht naar dit soort alternatieven. Alleen word je dan met enkele issues geconfronteerd. Zo moeten de menselijke cellen die in varkensembryo’s worden ingeplant genetisch gemodificeerd worden, om te vermijden dat de afweer van de varkens ze afstoot voor ze een aanzet van orgaan hebben gevormd. Dat kan voor veel mensen al een stap te ver zijn.

Kunnen we varkens wel gebruiken als orgaanfabriekjes voor de mens?

Devolder: Dat is een tweede issue. Maar als je ziet hoe miljarden varkens in vleesfabrieken worden gekweekt als voedsel voor de mens, lijkt de inzet van varkens als orgaandonoren me minder stuitend. Orgaanproductie lijkt me essentiëler dan vleesproductie. Varkens zijn trouwens intelligente dieren, wat het ethisch allemaal nog moeilijker maakt. De manier waarop wij varkens vandaag behandelen, is hoogst problematisch.

Zouden we door de nieuwe technieken varkens nog

meer gaan instrumentaliseren?

Devolder: Inderdaad. Daarom moeten we andere manieren zoeken om het tekort aan donororganen op te vangen. Maar zolang die er niet zijn, is het aanvaardbaar om de experimenten met varkens voorzichtig en onder strikte voorwaarden voort te zetten.

‘We zouden proefdieren medicatie moeten geven om te vermijden dat ze afzien.’
‘We zouden proefdieren medicatie moeten geven om te vermijden dat ze afzien.’ © John Angerson

Er zijn hersencellen van mensen in apenembryo’s ingeplant. Moet dat?

Devolder: Die experimenten gebeuren vooral om te kijken hoe menselijke cellen zich in embryo’s gedragen. Maar ook die embryo’s laat men niet verder ontwikkelen. Het zou wel problematisch worden, mocht men zulke embryo’s laten uitgroeien tot apen, die dan voor een deel menselijke hersencellen zouden dragen.

Er zullen vast wetenschappers zijn die het in stilte zullen proberen.

Devolder: Dat valt te vrezen, ja. Maar het betekent niet dat we het moeten goedkeuren.

Een van de argumenten om hersencellen van apen en mensen in embryo’s te mengen is dat het onderzoek van organoïden van menselijke hersenen – klompjes mensenhersenen in laboratoriumschaaltjes – onvoldoende resultaten oplevert.

Devolder: Dat mag geen reden zijn om het dan zomaar in apen te gaan proberen. Medische experimenten met apen liggen nu al zo gevoelig dat ze op veel plaatsen in de wereld worden afgebouwd. Apen verdienen meer respect dan ze krijgen. De voordelen van technologische ontwikkeling wegen lang niet altijd op tegen het belang van dierenwelzijn.

Zou je een aap met wat menselijke hersencellen als deels menselijk kunnen beschouwen, en moet je hem dan ook zo behandelen?

Devolder: Je moet de manier waarop we een mens of dier behandelen niet laten afhangen van de vraag tot welke soort hij of zij behoort. Belangrijker zijn kenmerken zoals het vermogen om pijn te voelen, of cognitieve mogelijkheden. Chimeren vervagen de grenzen tussen soorten, maar die zijn sowieso onduidelijk.

U hebt zich toegelegd op ethische kwesties rond het genetisch manipuleren van vee. Waar gaat dat over?

Devolder: Het gaat onder meer over de vraag of genetische modificatie gebruikt mag worden om varkens resistent te maken tegen bepaalde ziektes. Je moet dat geval per geval bekijken om te vermijden dat technologie ook hier ingeschakeld wordt om dieren nog meer te instrumentaliseren als dingen die louter nuttig zijn voor de mens.

Met genetisch knip-en-plakwerk kun je muizen maken die uitsluitend nakomelingen van één geslacht krijgen. Een droom voor legkippenkwekers, die niets aan haantjes hebben.

Devolder: Er valt iets voor te zeggen. Mannelijke kuikentjes worden in zo’n systeem levend in vermaalmachines gegooid. Als je dat met genetisch ingrijpen kunt vermijden, boek je twee keer winst want het is ook nuttig in de strijd tegen dierenmishandeling. Maar ook hier moet je altijd het grote plaatje in het achterhoofd houden. De technologie mag niet ingezet worden om een funest systeem zoals fabrieksboerderijen in stand te houden. Het is niet alleen slecht voor het dierenwelzijn, maar ook voor het leefmilieu – kijk naar de gevolgen voor de klimaatopwarming en de stikstofoverlast. Je moet de technologie als een tijdelijke oplossing zien, als een tussenstap naar een beter systeem.

Zal het niet langer duren om de technologie te verfijnen dan om het systeem bij te sturen?

Devolder: Nee hoor, de technologie is er al grotendeels. Wetenschappers zijn ze nog wat aan het finetunen, maar de essentie is er. Het is veel moeilijker om sterke lobby’s, zoals die van de landbouw en de vleesindustrie, mee te krijgen met de manier waarop de samenleving tegenwoordig naar het gebruik van dieren in de landbouw kijkt. Je doet dat niet door technologie aan banden te leggen, wel door druk te leggen op politici opdat ze meer aandacht zouden hebben voor het leefmilieu en het dierenwelzijn.

In een van uw laatste papers vergeleek u dieren in fabrieksboerderijen met mensen op de afdeling palliatieve zorg van een ziekenhuis.

Devolder: Wij zijn bereid om het lijden van mensen op het einde van hun leven te verminderen door middel van medicatie. Maar dieren in fabrieksstallen laten we gewoon lijden. Vleeskippen in megastallen worden na zes weken al geslacht voor consumptie, terwijl ze zes jaar oud kunnen worden. In feite zijn ze vanaf hun geboorte terminaal. Ze zijn ook zo gekweekt dat ze zodanig snel groeien dat hun beenderen breken. Die dieren lijden op vele vlakken. We kunnen het leed van die dieren substantieel verminderen.

Door medicatie toe te dienen?

Devolder: Ja. Ik besef dat het verschrikkelijk klinkt, maar het is alweer een stap om te verhinderen dat het nog erger wordt. Het gaat om miljarden dieren die lijden. Ethisch is het niet meer verantwoord om dat te blijven doen. Wij hebben in ons onderzoekscentrum aan de universiteit allemaal een eed afgelegd dat we op het werk veganistisch eten, tenzij iemand echt eens vlees wil. We kunnen dus concreet iets aan de situatie doen, naast de levensomstandigheden van de dieren verbeteren.

Boeren beweren vaak dat hun dieren in stallen beter af zijn dan buiten.

Devolder: Natuurlijk zijn niet alle boeren gangsters die hun dieren niet goed verzorgen. Maar er gebeuren wel degelijk dieronvriendelijke praktijken. Dieren meteen na de geboorte weghalen bij hun moeder, bijvoorbeeld. Dieren staan ook de hele tijd binnen zonder dat ze normaal gedrag kunnen vertonen. In Engeland heb je steeds meer organische varkensboerderijen waar je de dieren door veld en bos ziet struinen. Dat ziet er toch een stuk minder problematisch uit.

© John Angerson

U schreef over de mogelijkheid om proefdieren pijnstillers te geven, zodat ze minder lijden bij experimenten. Is dat ook een tussenstap richting minder proefdieren?

Devolder: Precies. Het is een controversieel idee, waar ik eerst zelf wat van schrok. Maar als het echt niet anders kan om ze in te zetten – bijvoorbeeld in de zoektocht naar middelen tegen kanker – moet het toch mogelijk zijn om dieren pijnstillers te geven om te vermijden dat ze afzien? Als we dan toch met dieren moeten experimenteren, laten we het dan zo diervriendelijk mogelijk doen.

Valt dat praktisch uit te voeren?

Devolder: Ik ben benaderd door wetenschappers die met proefdieren moeten werken, en die geïnteresseerd zijn om het idee uit te werken. We gaan nu samen na hoe realistisch het is.

Het is een ander debat dan dat over de wenselijkheid van dierproeven?

Devolder: Het is makkelijk om een ideale wereld te beschrijven zonder dierproeven of fabrieksboerderijen. Maar zolang die niet de realiteit is, moeten we ons inzetten om dierenleed zo veel mogelijk te verminderen.

U kwam in eerste instantie in Oxford terecht met een mandaat om te reflecteren over het concept van morele medeplichtigheid in de geneeskunde. Wat is dat?

Devolder: Het gaat om vragen die een arts voor een moreel dilemma kunnen plaatsen. Wat doe je als je gevraagd wordt de hand van een dief te amputeren in een land waar dat de straf is voor diefstal? Als je weigert, verhoog je het leed van de veroordeelde, maar als je het doet kun je van medeplichtigheid aan een onethisch strafsysteem worden beschuldigd. Iemand van Artsen Zonder Grenzen vroeg me ooit: ‘Wat zou jij doen als je geconfronteerd werd met een verkrachter die wilde weten of hij bij zijn verkrachtingen een condoom moest gebruiken?’

Wat antwoordt u dan?

Devolder: Het zijn moeilijke kwesties. Antwoorden liggen zelden voor de hand, zeker omdat wij toch eerder vanuit een theoretisch perspectief denken en niet in de praktijk staan. Er zijn geen gebruiksklare recepten voor zulke situaties.

Recent hebt u het roer omgegooid. U onderzoekt nu de filosofie van luiheid. Waarom?

Devolder:(lacht) Volgens mijn vriendin onderzoek ik daarmee vooral mezelf. Ik stelde vast dat luiheid een dominante factor in de samenleving is, maar dat er weinig onderzoek naar wordt gedaan. Als een luilak worden beschouwd, kan mensen in de problemen brengen. Zwaarlijvige mensen worden dikwijls als lui ervaren, waardoor ze minder makkelijk promotie krijgen op het werk. Hetzelfde gaat op voor zwarte mensen. Mensen met long covid of chronischvermoeidheidssyndroom worden er ook van verdacht. Wie in de tuin werkt, wordt minder lui gevonden dan wie binnen een boek leest. Wel, ik wil nadenken over manieren om het concept ‘luiheid’ te beschrijven waardoor het minder schadelijk wordt voor de samenleving.

U zoekt een bruikbare definitie?

Devolder: Dat hoort erbij. Het zal vooral een analyse zijn van het concept en hoe mensen het zien. Dikwijls heeft het te maken met een gevoel van onderpresteren. Maar we onderpresteren altijd, dus wat heb je dan nog nodig om lui te zijn? Ik vind het verbazingwekkend dat mensen zoals de Britse komiek Stephen Fry of de Amerikaanse ex-president Barack Obama als voornaamste negatieve eigenschap van zichzelf aanvoeren dat ze lui zijn. Dat is onbegrijpelijk.

Hoe pakt u zo’n onderzoek aan?

Devolder: Een eerste aanzet kan het onderscheiden van verschillende types van luiheid zijn: fysieke, cognitieve en morele. Morele luiheid maakt dat je minder voor anderen en je leefomgeving doet dan je eigenlijk zou moeten. Cognitieve luiheid maakt je vatbaar voor fake news en complottheorieën, omdat je niet genoeg moeite doet om na te denken. Maar voor veel mensen blijft luiheid beperkt tot fysieke luiheid, terwijl dat veruit de minst schadelijke vorm is. Dat patroon willen we doorbreken.

Bio Katrien Devolder

1978: geboren in Gent

2006: doctor in de filosofie (UGent)

2006-2012: postdoctoraal onderzoek (UGent)

2012-2015: assistent-professor (UGent)

2008-2015: medeoprichter van en onderzoeker aan het Instituut voor Bio-ethiek (UGent)

2015-vandaag: senior onderzoeker aan de Universiteit van Oxford

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content