Joren Vermeersch, kersvers huisideoloog van de N-VA, noemt in een interview met Knack de kolonisatie ontwikkelingssamenwerking op ongekende schaal. Enkele dagen nadat tientallen Congo-onderzoekers, waaronder wijzelf, aandacht vroegen voor het wetenschappelijk werk dat in recente decennia gebeurd is rond de kolonisatie van Congo, wordt daarmee opnieuw een achterhaalde mythe over de koloniale periode bovengehaald. Vermeersch roept - overigens terecht - op het debat op een objectieve en holistische manier te voeren, maar herhaalt daarna zelf een aantal clichés die hun oorsprong hebben in koloniale propaganda en die maar weinig te maken hebben met de historische realiteit in Belgisch Congo zelf. Hij veegt daarmee decennia van historisch onderzoek van tafel. Want laat ons duidelijk zijn: in de koloniale periode was er van ontwikkelingssamenwerking geen sprake. Ook niet in de periode na de Onafhankelijke Congostaat, en al helemaal niet in het gebied van de medische zorgverlening.

Het koloniale regime heeft de Congolezen in eerste instantie ziek gemaakt, en niet genezen.

Onder het bewind van Leopold II, was het sowieso vruchteloos zoeken naar "dokters en verpleegsters die Congolese kinderlevens redden". Het "medisch apparaat" bestond op dat moment uit een handvol Engelse, Italiaanse en Belgische bacteriologen die in Congo vooral een heel nieuw wetenschapsdomein ontdekten. Zij wilden in de eerste plaats carrière maken; van zorg was amper sprake, buiten voor enkele witte legerofficieren en hun zwarte ondergeschikten.

Vermeersch roept terecht op een onderscheid te maken tussen deze periode en de latere Belgische kolonisatie. Maar hij gaat er blijkbaar van uit dat nadat de kolonie overgedragen was naar de Belgische overheid, de dokters, missionarissen en zusters in Congo de zwarte populatie wél geheel belangloos van medische zorg begonnen te voorzien. Hij lijkt daarmee het medisch beleid van Belgisch Congo als afgescheiden en onafhankelijk van haar politiek-economische sfeer te zien. Dit is een onhoudbare visie op hoe zorg in de context van de Belgische kolonisatie werkte. Ja, er waren dokters actief in Belgisch Congo en ja, er werden medische voorzieningen gebouwd. Maar dit betekent niet dat gezondheidszorg een publiek goed was. De idee dat medische zorg voor iedereen en altijd beschikbaar moest zijn, was onbestaand.

De bezorgdheid om de gezondheid van de lokale bevolking reikte vaak maar zover als haar economisch potentieel. De koloniale overheid begon pas te investeren in gezondheidszorg toen aan het einde van de Vrijstaatperiode de bevolking zo begon af te nemen dat de economische machine dreigde stil te vallen. Dit was in grote mate te wijten aan de slaapziekte, die door het loodzware koloniale regime aan het begin van de twintigste eeuw tot een ware epidemie was uitgegroeid. Medische zorg in de daaropvolgende decennia spitste zich vooral toe op inentingscampagnes tegen deze ziekte. Mobiele teams van dokters en verplegers trokken door voornamelijk West-Congo om op korte tijd zoveel mogelijk Congolezen te behandelen voor slaapziekte, met als hoofddoel het redden van de koloniale economie.

Dát, en dus niet het belangeloos medische zorg verlenen aan eender wie die daarom vroeg, was lange tijd de hoofdtaak van de arts in Belgisch Congo. Met een gebroken been moest je niet bij zo'n slaapziektepost aankloppen. Integendeel, mensen die pijnlijke inentingen weigerden, werden er wel al eens met zweepslagen toe gedwongen - we zien het ontwikkelingswerkers nu toch niet zo makkelijk doen. Bedrijven als Union Minière ontwikkelden een medische component, maar die was enkel voor hun eigen arbeiders bestemd.

De slaapziekte was de kwaal die verreweg het meeste tijd, geld en middelen vroeg van de koloniale artsen. Maar deze epidemie, die Congo gedurende decennia teisterde, was ook direct een gevolg van de kolonisatie. Niet dat de ziekte niet aanwezig was in het gebied, maar het was pas door de uitputting onder het uitbuitingsregime van de Belgen dat ze kon uitgroeien tot een epidemie die honderdduizenden Congolezen het leven kostte. De behandeling van die slaapziektepatiënten zien als een verwezenlijking van de kolonisatie of als ontwikkelingshulp, getuigt dan ook van een bovengemiddelde graad van cynisme. Het is alsof je een pyromaan zou bedanken omdat hij de brand die hij zelf aanstak, mee hielp blussen. Het koloniale regime heeft de Congolezen in eerste instantie ziek gemaakt, en niet genezen.

Missieposten en de artsen die daar soms werkten, boden meer algemene zorg aan de plattelandsbevolking. Missionarissen waren hier echter niet tot nauwelijks voor opgeleid. Het aantal professionele artsen op missieposten is heel de koloniale periode zeer beperkt gebleven - we spreken hier over 18 missiedokters voor héél Congo in 1939. Vermeersch roept het beeld op van zusters die geheel belangeloos patiënten verzorgden, maar gaat zo voorbij aan hun inherent religieuze motieven, namelijk het winnen van zieltjes. Via de zorg voor het lichaam wensten zij de ziel van de Congolezen te bereiken om hen zo te bekeren. Ziekenzorg op de missie draaide echter niet altijd zo goed uit: talloze brieven schetsen trieste en diepmenselijke verhalen over alcoholisme, incompetentie, carrièregericht haantjesgedrag en persoonlijke vetes onder artsen. Missionarissen hielden zich dan weer evenveel bezig met politieke conflicten uitvechten - met elkaar of met de overheid - als dat ze bekommerd waren om de levensomstandigheden van de lokale bevolking. In de katholieke weeshuizen waar Vermeersch naar verwijst, zaten ook al wel eens kinderen die helemaal geen wees bleken te zijn maar gewoon weggehaald waren bij hun "heidense" ouders. De Belgische overheid heeft zich voor dit soort van praktijken in de context van de métissenkinderen vorig jaar al officieel geëxcuseerd.

Na de Tweede Wereldoorlog, toen België begon te vrezen voor het voortbestaan van haar "modelkolonie", begon de overheid wel meer te investeren in bredere gezondheidszorg en sociale voorzieningen zoals toegang tot drinkbaar water, om de bevolking en de internationale gemeenschap te overtuigen van de "voordelen van het kolonialisme". Pas vanaf dan begon men te praten over "ontwikkeling" in plaats van over "beschaving" of "industrialisatie". Het enige "sociale beleid" dat de Belgische overheid in Congo gevoerd heeft, situeert zich dus aan het staartje van de kolonisatie en was alweer een vernislaagje voor politieke doeleinden. Bovendien werd ze gefinancierd met Belgische terugbetalingen van Congolese oorlogsinvesteringen en leningen die de kolonie moest aangaan. "Ontwikkelingssamenwerking" in de kolonie werd in de eerste plaats dus gefinancierd door de Congolezen zélf. Segregatie bleef bovendien het devies bij de ontwikkeling van medische infrastructuur. Het was voor de kolonisator ondenkbaar dat zwart en wit eenzelfde ziekenhuis zouden delen. Het resultaat: lege "witte" ziekenhuizen en overbevolkte "zwarte". Er werd zelfs een specifieke professionele categorie uitgevonden, de 'inheemse medische assistent', om geschoolde Congolese hulpverleners toch maar zeker niet het aura van de witte arts te geven. "Samenwerking" was ver te zoeken.

Vermeersch laat zich misleiden door het koloniale beeld van de "Belgische modelkolonie" uit die periode, en projecteert dit beeld dan ook nog eens terug op de decennia ervoor. De idee dat de Belgen gezondheidszorg en educatie naar Congo gebracht hebben, is gerecycleerd uit de koloniale propaganda. Het is een mythe die in België nog altijd gretig wordt omarmd, maar die in het wetenschappelijk onderzoek naar koloniale gezondheidszorg al lang weerlegd is. Pas aan het einde van de koloniale periode kwam er iets meer oog voor het sociale, maar het gezondheidsbeleid bleef op een racistische en paternalistische leest geschoeid. Dat Vermeersch in het interview ook verschillende keren aangeeft dat we de 'goede voorbeelden' van migratie meer onder de aandacht moeten brengen, doet trouwens heel erg denken aan die laat-koloniale mentaliteit waarbij de 'meest voorbeeldige Congolezen' als 'évolué' werden aangeduid om ze te onderscheiden van andere 'achtergestelde en ongecultiveerde Congolezen'.

De manier waarop Vermeersch het medisch aspect van het koloniale regime als ontwikkelingssamenwerking bestempelt, vertrekt vanuit het perspectief van individuele intenties en net niet van een holistische benadering. Hij stelt de optelsom van een aantal individuele artsen en religieuzen gelijk aan het systeem. Het is niet omdat er inderdaad Belgen werkzaam waren in Congo die wél inzaten met het lot van de gewone Congolezen, dat zij niet inherent deel uitmaakten van een maatschappij die op racistische principes gestoeld was, en die bijna volledig ten dienste stond van economisch gewin. Dit had een rechtstreekse impact op het gezondheidsbeleid in Belgisch Congo. Het zoeken naar 'positieve kanten' van een verleden levert zelden nieuwe inzichten op. Het impliceert een morele vraagstelling, waarbij een 'objectieve', 'genuanceerde' en 'neutrale' analyse van de historische episode al bij voorbaat in het gedrang komt. Zijn oproep is bijgevolg op zijn minst contradictoir. Het verhindert medische zorg en meer algemeen "ontwikkeling" - hetzelfde kan gezegd worden van educatie - als veelal bijproducten van politieke, economische en religieuze motieven te zien. Medische zorg in een koloniale context diende veel zaken, maar niét de belangloze (zelf)ontwikkeling van de Congolezen.

Maarten Langhendries en Reinout Vander Hulst bereiden beiden een proefschrift voor omtrent de Katholieke gezondheidszorg in België en Belgisch-Congo (1900-1965). Ze zijn verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven, en zijn de auteurs van het hoofdstuk "Gezondheidszorg: het paradepaard van de Belgische kolonisatie?" in het boek 'Koloniaal Congo. Een geschiedenis in vragen' dat recent bij Polis verscheen.

Joren Vermeersch, kersvers huisideoloog van de N-VA, noemt in een interview met Knack de kolonisatie ontwikkelingssamenwerking op ongekende schaal. Enkele dagen nadat tientallen Congo-onderzoekers, waaronder wijzelf, aandacht vroegen voor het wetenschappelijk werk dat in recente decennia gebeurd is rond de kolonisatie van Congo, wordt daarmee opnieuw een achterhaalde mythe over de koloniale periode bovengehaald. Vermeersch roept - overigens terecht - op het debat op een objectieve en holistische manier te voeren, maar herhaalt daarna zelf een aantal clichés die hun oorsprong hebben in koloniale propaganda en die maar weinig te maken hebben met de historische realiteit in Belgisch Congo zelf. Hij veegt daarmee decennia van historisch onderzoek van tafel. Want laat ons duidelijk zijn: in de koloniale periode was er van ontwikkelingssamenwerking geen sprake. Ook niet in de periode na de Onafhankelijke Congostaat, en al helemaal niet in het gebied van de medische zorgverlening. Onder het bewind van Leopold II, was het sowieso vruchteloos zoeken naar "dokters en verpleegsters die Congolese kinderlevens redden". Het "medisch apparaat" bestond op dat moment uit een handvol Engelse, Italiaanse en Belgische bacteriologen die in Congo vooral een heel nieuw wetenschapsdomein ontdekten. Zij wilden in de eerste plaats carrière maken; van zorg was amper sprake, buiten voor enkele witte legerofficieren en hun zwarte ondergeschikten. Vermeersch roept terecht op een onderscheid te maken tussen deze periode en de latere Belgische kolonisatie. Maar hij gaat er blijkbaar van uit dat nadat de kolonie overgedragen was naar de Belgische overheid, de dokters, missionarissen en zusters in Congo de zwarte populatie wél geheel belangloos van medische zorg begonnen te voorzien. Hij lijkt daarmee het medisch beleid van Belgisch Congo als afgescheiden en onafhankelijk van haar politiek-economische sfeer te zien. Dit is een onhoudbare visie op hoe zorg in de context van de Belgische kolonisatie werkte. Ja, er waren dokters actief in Belgisch Congo en ja, er werden medische voorzieningen gebouwd. Maar dit betekent niet dat gezondheidszorg een publiek goed was. De idee dat medische zorg voor iedereen en altijd beschikbaar moest zijn, was onbestaand. De bezorgdheid om de gezondheid van de lokale bevolking reikte vaak maar zover als haar economisch potentieel. De koloniale overheid begon pas te investeren in gezondheidszorg toen aan het einde van de Vrijstaatperiode de bevolking zo begon af te nemen dat de economische machine dreigde stil te vallen. Dit was in grote mate te wijten aan de slaapziekte, die door het loodzware koloniale regime aan het begin van de twintigste eeuw tot een ware epidemie was uitgegroeid. Medische zorg in de daaropvolgende decennia spitste zich vooral toe op inentingscampagnes tegen deze ziekte. Mobiele teams van dokters en verplegers trokken door voornamelijk West-Congo om op korte tijd zoveel mogelijk Congolezen te behandelen voor slaapziekte, met als hoofddoel het redden van de koloniale economie. Dát, en dus niet het belangeloos medische zorg verlenen aan eender wie die daarom vroeg, was lange tijd de hoofdtaak van de arts in Belgisch Congo. Met een gebroken been moest je niet bij zo'n slaapziektepost aankloppen. Integendeel, mensen die pijnlijke inentingen weigerden, werden er wel al eens met zweepslagen toe gedwongen - we zien het ontwikkelingswerkers nu toch niet zo makkelijk doen. Bedrijven als Union Minière ontwikkelden een medische component, maar die was enkel voor hun eigen arbeiders bestemd. De slaapziekte was de kwaal die verreweg het meeste tijd, geld en middelen vroeg van de koloniale artsen. Maar deze epidemie, die Congo gedurende decennia teisterde, was ook direct een gevolg van de kolonisatie. Niet dat de ziekte niet aanwezig was in het gebied, maar het was pas door de uitputting onder het uitbuitingsregime van de Belgen dat ze kon uitgroeien tot een epidemie die honderdduizenden Congolezen het leven kostte. De behandeling van die slaapziektepatiënten zien als een verwezenlijking van de kolonisatie of als ontwikkelingshulp, getuigt dan ook van een bovengemiddelde graad van cynisme. Het is alsof je een pyromaan zou bedanken omdat hij de brand die hij zelf aanstak, mee hielp blussen. Het koloniale regime heeft de Congolezen in eerste instantie ziek gemaakt, en niet genezen. Missieposten en de artsen die daar soms werkten, boden meer algemene zorg aan de plattelandsbevolking. Missionarissen waren hier echter niet tot nauwelijks voor opgeleid. Het aantal professionele artsen op missieposten is heel de koloniale periode zeer beperkt gebleven - we spreken hier over 18 missiedokters voor héél Congo in 1939. Vermeersch roept het beeld op van zusters die geheel belangeloos patiënten verzorgden, maar gaat zo voorbij aan hun inherent religieuze motieven, namelijk het winnen van zieltjes. Via de zorg voor het lichaam wensten zij de ziel van de Congolezen te bereiken om hen zo te bekeren. Ziekenzorg op de missie draaide echter niet altijd zo goed uit: talloze brieven schetsen trieste en diepmenselijke verhalen over alcoholisme, incompetentie, carrièregericht haantjesgedrag en persoonlijke vetes onder artsen. Missionarissen hielden zich dan weer evenveel bezig met politieke conflicten uitvechten - met elkaar of met de overheid - als dat ze bekommerd waren om de levensomstandigheden van de lokale bevolking. In de katholieke weeshuizen waar Vermeersch naar verwijst, zaten ook al wel eens kinderen die helemaal geen wees bleken te zijn maar gewoon weggehaald waren bij hun "heidense" ouders. De Belgische overheid heeft zich voor dit soort van praktijken in de context van de métissenkinderen vorig jaar al officieel geëxcuseerd. Na de Tweede Wereldoorlog, toen België begon te vrezen voor het voortbestaan van haar "modelkolonie", begon de overheid wel meer te investeren in bredere gezondheidszorg en sociale voorzieningen zoals toegang tot drinkbaar water, om de bevolking en de internationale gemeenschap te overtuigen van de "voordelen van het kolonialisme". Pas vanaf dan begon men te praten over "ontwikkeling" in plaats van over "beschaving" of "industrialisatie". Het enige "sociale beleid" dat de Belgische overheid in Congo gevoerd heeft, situeert zich dus aan het staartje van de kolonisatie en was alweer een vernislaagje voor politieke doeleinden. Bovendien werd ze gefinancierd met Belgische terugbetalingen van Congolese oorlogsinvesteringen en leningen die de kolonie moest aangaan. "Ontwikkelingssamenwerking" in de kolonie werd in de eerste plaats dus gefinancierd door de Congolezen zélf. Segregatie bleef bovendien het devies bij de ontwikkeling van medische infrastructuur. Het was voor de kolonisator ondenkbaar dat zwart en wit eenzelfde ziekenhuis zouden delen. Het resultaat: lege "witte" ziekenhuizen en overbevolkte "zwarte". Er werd zelfs een specifieke professionele categorie uitgevonden, de 'inheemse medische assistent', om geschoolde Congolese hulpverleners toch maar zeker niet het aura van de witte arts te geven. "Samenwerking" was ver te zoeken. Vermeersch laat zich misleiden door het koloniale beeld van de "Belgische modelkolonie" uit die periode, en projecteert dit beeld dan ook nog eens terug op de decennia ervoor. De idee dat de Belgen gezondheidszorg en educatie naar Congo gebracht hebben, is gerecycleerd uit de koloniale propaganda. Het is een mythe die in België nog altijd gretig wordt omarmd, maar die in het wetenschappelijk onderzoek naar koloniale gezondheidszorg al lang weerlegd is. Pas aan het einde van de koloniale periode kwam er iets meer oog voor het sociale, maar het gezondheidsbeleid bleef op een racistische en paternalistische leest geschoeid. Dat Vermeersch in het interview ook verschillende keren aangeeft dat we de 'goede voorbeelden' van migratie meer onder de aandacht moeten brengen, doet trouwens heel erg denken aan die laat-koloniale mentaliteit waarbij de 'meest voorbeeldige Congolezen' als 'évolué' werden aangeduid om ze te onderscheiden van andere 'achtergestelde en ongecultiveerde Congolezen'. De manier waarop Vermeersch het medisch aspect van het koloniale regime als ontwikkelingssamenwerking bestempelt, vertrekt vanuit het perspectief van individuele intenties en net niet van een holistische benadering. Hij stelt de optelsom van een aantal individuele artsen en religieuzen gelijk aan het systeem. Het is niet omdat er inderdaad Belgen werkzaam waren in Congo die wél inzaten met het lot van de gewone Congolezen, dat zij niet inherent deel uitmaakten van een maatschappij die op racistische principes gestoeld was, en die bijna volledig ten dienste stond van economisch gewin. Dit had een rechtstreekse impact op het gezondheidsbeleid in Belgisch Congo. Het zoeken naar 'positieve kanten' van een verleden levert zelden nieuwe inzichten op. Het impliceert een morele vraagstelling, waarbij een 'objectieve', 'genuanceerde' en 'neutrale' analyse van de historische episode al bij voorbaat in het gedrang komt. Zijn oproep is bijgevolg op zijn minst contradictoir. Het verhindert medische zorg en meer algemeen "ontwikkeling" - hetzelfde kan gezegd worden van educatie - als veelal bijproducten van politieke, economische en religieuze motieven te zien. Medische zorg in een koloniale context diende veel zaken, maar niét de belangloze (zelf)ontwikkeling van de Congolezen. Maarten Langhendries en Reinout Vander Hulst bereiden beiden een proefschrift voor omtrent de Katholieke gezondheidszorg in België en Belgisch-Congo (1900-1965). Ze zijn verbonden aan de onderzoeksgroep Cultuurgeschiedenis vanaf 1750 van de KU Leuven, en zijn de auteurs van het hoofdstuk "Gezondheidszorg: het paradepaard van de Belgische kolonisatie?" in het boek 'Koloniaal Congo. Een geschiedenis in vragen' dat recent bij Polis verscheen.