Klimaatmanifestaties hebben het klimaat op de agenda gezet. Via hun roep om meer koopkracht klaagden de gele hesjes de sociale impact van klimaatmaatregelen aan. Mensen in armoede, die tijdens overlegbijeenkomsten georganiseerd door het interfederale Steunpunt tot bestrijding van armoede in dialoog gingen met verschillende actoren uit de sociale, armoede- en natuur/milieusector over de toekomst van de planeet en haar bewoners, plaatsten armoedebestrijding centraal in het duurzaamheidsbeleid. Ondertussen worden klimaat en armoede, duurzaamheid en rechtvaardigheid steeds vaker in één adem genoemd. Het tweejaarlijks Verslag 'Duurzaamheid en Armoede' van het Steunpunt tot bestrijding van armoede - gepubliceerd in december 2019 - ziet klimaat en armoede als twee kanten van eenzelfde dringende uitdaging.

Klimaat en armoede zijn twee kanten van dezelfde uitdaging die dringend aangepakt moet worden.

"Het doel dat niemand in armoede moet leven, is van fundamenteel belang, dat kan niet worden onderhandeld". Iedereen die aan het tweejaarlijkse Verslag meewerkte, is het erover eens. Toch stellen we vast dat de Europa2020 doelstelling - in België tegen 2020 het aantal personen in een situatie van armoede of sociale uitsluiting met 380.000 te verminderen - niet werd bereikt. Het aantal mensen met een monetair armoederisico is vandaag zelfs hoger dan bij de start van de systematische monitoring in 2005. Armoedebestrijding lijkt geen beleidspunt meer, laat staan een beleidsprioriteit. Met de klimaatcrisis heeft de overheid andere katten te geselen. Daarbij vergeet de overheid dat die klimaatcrisis de bestaande sociale ongelijkheden versterkt en er nieuwe creëert.

Mensen in armoede ondervinden als eersten en in grotere mate de gevolgen van klimaat- en milieuveranderingen en botsen nu reeds op de grenzen die deze veranderingen voor iedereen zullen stellen. Mensen onderaan de sociale ladder zijn bijvoorbeeld meer blootgesteld aan vervuiling, zowel binnen- als buitenshuis. Ze zijn ook extra kwetsbaar voor de gevolgen ervan omdat ze vaak reeds in slechtere gezondheid verkeren. Bovendien kunnen ze zich doorgaans minder (laten) verzorgen omdat ze allerlei obstakels ondervinden om naar de dokter of het ziekenhuis te gaan, om zorg of medicijnen te betalen...

Bovendien zijn mensen in armoede beduidend minder verantwoordelijk voor de opwarming van de aarde. Hoe lager iemands inkomen, hoe lager diens consumptie en hoe kleiner diens ecologische voetafdruk. Deze 'zuinigheid' is meestal een financiële noodzaak en kan tot zulke situaties leiden dat mensen hun gezondheid en waardigheid in gevaar brengen. Wanneer een zuinig watergebruik leidt tot een hygiëneprobleem, zijn ziekte en sociale uitsluiting niet ver weg.

Mensen in armoede hebben minder hefbomen om duurzame keuzes te maken. Ze hebben onvoldoende financiële middelen om duurzaam te consumeren of slechts een beperkte handelingsruimte: slecht geïsoleerde dus slecht te verwarmen woning, geen of weinig toegang tot openbaar vervoer op het platteland dus aangewezen op een oude wagen... Hierdoor is het voor hen moeilijk, zo niet onmogelijk, om hun individuele verantwoordelijkheid op te nemen voor het milieu/klimaat. Individuele gedragsverandering wordt nochtans sterk benadrukt in het gangbare discours en in het beleid. Wanneer de structurele oorzaken van ongelijkheden zouden worden aangepakt en mensen in armoede hun rechten zouden kunnen realiseren (inkomen, huisvesting, gezondheid, onderwijs...) zouden ook zij hun verantwoordelijkheid kunnen opnemen.

Bovendien worden sociale ongelijkheden door beleid vaak zelfs versterkt. Vele beleidsmaatregelen die ecologisch gedrag en duurzaam leven aanmoedigen komen - via het verlenen van subsidies en het toekennen van fiscale voordelen - meer ten goede aan de meer gegoede burgers. En maatregelen die vervuilend of energieverslindend gedrag ontraden - bijvoorbeeld de verhoogde dieselprijzen en de invoering van lage emissiezones in sommige steden - raken mensen in armoede proportioneel veel harder. Door bepaalde vervuilende zaken te verbieden zonder een betaalbaar alternatief aan te reiken, wordt de toegang tot een verwarmde woning, mobiliteit, diensten,... voor mensen in armoede nog meer beperkt.

"We mogen duurzaamheid niet zien als een zaak van specialisten. Duurzame oplossingen kunnen alleen gevonden worden als iedereen betrokken is. Mensen in armoede zijn daarenboven bevoorrechte partners omdat ze als eersten de gevolgen van klimaat- en milieuveranderingen ervaren". Om te garanderen dat ook mensen in armoede beter worden van een klimaatbeleid, is het nodig de sociale impact van klimaatmaatregelen ex-ante - dit wil zeggen vóór de in- en uitvoering van de maatregel - na te gaan en dit samen met de mensen zelf en andere actorern in de strijd tegen armoede. "Als mensen in armoede partners zijn, is het gevaar op vergissingen kleiner".

Tegelijk mag het armoedebeleid niet beperkt blijven tot het berekenen en compenseren van de impact van klimaatbeleid op mensen in armoede en hun welzijn. Armoedebestrijding moet centraal staan in het klimaat- en duurzaamheidsbeleid. Zo is het beter isoleren van woningen vandaag een dringende klimaatmaatregel, terwijl het eigenlijk gaat om een maatregel die vanuit een mensenrechtenperspectief op armoede al lang genomen had moeten worden. Kwaliteitsvolle woningen bevorderen immers de gezondheid van hun bewoners, zorgen voor minder energieverbruik en lagere facturen, voor een veilige thuishaven om naar school en werk te vertrekken, voor de creatie van nieuwe jobs .... Het is door vooruitgang te boeken in de strijd tegen armoede en sociale ongelijkheden dat een duurzame toekomst voor iedereen mogelijk wordt.

Thibault Morel en Veerle Stroobants werken bij het Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting.

Klimaatmanifestaties hebben het klimaat op de agenda gezet. Via hun roep om meer koopkracht klaagden de gele hesjes de sociale impact van klimaatmaatregelen aan. Mensen in armoede, die tijdens overlegbijeenkomsten georganiseerd door het interfederale Steunpunt tot bestrijding van armoede in dialoog gingen met verschillende actoren uit de sociale, armoede- en natuur/milieusector over de toekomst van de planeet en haar bewoners, plaatsten armoedebestrijding centraal in het duurzaamheidsbeleid. Ondertussen worden klimaat en armoede, duurzaamheid en rechtvaardigheid steeds vaker in één adem genoemd. Het tweejaarlijks Verslag 'Duurzaamheid en Armoede' van het Steunpunt tot bestrijding van armoede - gepubliceerd in december 2019 - ziet klimaat en armoede als twee kanten van eenzelfde dringende uitdaging."Het doel dat niemand in armoede moet leven, is van fundamenteel belang, dat kan niet worden onderhandeld". Iedereen die aan het tweejaarlijkse Verslag meewerkte, is het erover eens. Toch stellen we vast dat de Europa2020 doelstelling - in België tegen 2020 het aantal personen in een situatie van armoede of sociale uitsluiting met 380.000 te verminderen - niet werd bereikt. Het aantal mensen met een monetair armoederisico is vandaag zelfs hoger dan bij de start van de systematische monitoring in 2005. Armoedebestrijding lijkt geen beleidspunt meer, laat staan een beleidsprioriteit. Met de klimaatcrisis heeft de overheid andere katten te geselen. Daarbij vergeet de overheid dat die klimaatcrisis de bestaande sociale ongelijkheden versterkt en er nieuwe creëert. Mensen in armoede ondervinden als eersten en in grotere mate de gevolgen van klimaat- en milieuveranderingen en botsen nu reeds op de grenzen die deze veranderingen voor iedereen zullen stellen. Mensen onderaan de sociale ladder zijn bijvoorbeeld meer blootgesteld aan vervuiling, zowel binnen- als buitenshuis. Ze zijn ook extra kwetsbaar voor de gevolgen ervan omdat ze vaak reeds in slechtere gezondheid verkeren. Bovendien kunnen ze zich doorgaans minder (laten) verzorgen omdat ze allerlei obstakels ondervinden om naar de dokter of het ziekenhuis te gaan, om zorg of medicijnen te betalen... Bovendien zijn mensen in armoede beduidend minder verantwoordelijk voor de opwarming van de aarde. Hoe lager iemands inkomen, hoe lager diens consumptie en hoe kleiner diens ecologische voetafdruk. Deze 'zuinigheid' is meestal een financiële noodzaak en kan tot zulke situaties leiden dat mensen hun gezondheid en waardigheid in gevaar brengen. Wanneer een zuinig watergebruik leidt tot een hygiëneprobleem, zijn ziekte en sociale uitsluiting niet ver weg. Mensen in armoede hebben minder hefbomen om duurzame keuzes te maken. Ze hebben onvoldoende financiële middelen om duurzaam te consumeren of slechts een beperkte handelingsruimte: slecht geïsoleerde dus slecht te verwarmen woning, geen of weinig toegang tot openbaar vervoer op het platteland dus aangewezen op een oude wagen... Hierdoor is het voor hen moeilijk, zo niet onmogelijk, om hun individuele verantwoordelijkheid op te nemen voor het milieu/klimaat. Individuele gedragsverandering wordt nochtans sterk benadrukt in het gangbare discours en in het beleid. Wanneer de structurele oorzaken van ongelijkheden zouden worden aangepakt en mensen in armoede hun rechten zouden kunnen realiseren (inkomen, huisvesting, gezondheid, onderwijs...) zouden ook zij hun verantwoordelijkheid kunnen opnemen. Bovendien worden sociale ongelijkheden door beleid vaak zelfs versterkt. Vele beleidsmaatregelen die ecologisch gedrag en duurzaam leven aanmoedigen komen - via het verlenen van subsidies en het toekennen van fiscale voordelen - meer ten goede aan de meer gegoede burgers. En maatregelen die vervuilend of energieverslindend gedrag ontraden - bijvoorbeeld de verhoogde dieselprijzen en de invoering van lage emissiezones in sommige steden - raken mensen in armoede proportioneel veel harder. Door bepaalde vervuilende zaken te verbieden zonder een betaalbaar alternatief aan te reiken, wordt de toegang tot een verwarmde woning, mobiliteit, diensten,... voor mensen in armoede nog meer beperkt. "We mogen duurzaamheid niet zien als een zaak van specialisten. Duurzame oplossingen kunnen alleen gevonden worden als iedereen betrokken is. Mensen in armoede zijn daarenboven bevoorrechte partners omdat ze als eersten de gevolgen van klimaat- en milieuveranderingen ervaren". Om te garanderen dat ook mensen in armoede beter worden van een klimaatbeleid, is het nodig de sociale impact van klimaatmaatregelen ex-ante - dit wil zeggen vóór de in- en uitvoering van de maatregel - na te gaan en dit samen met de mensen zelf en andere actorern in de strijd tegen armoede. "Als mensen in armoede partners zijn, is het gevaar op vergissingen kleiner". Tegelijk mag het armoedebeleid niet beperkt blijven tot het berekenen en compenseren van de impact van klimaatbeleid op mensen in armoede en hun welzijn. Armoedebestrijding moet centraal staan in het klimaat- en duurzaamheidsbeleid. Zo is het beter isoleren van woningen vandaag een dringende klimaatmaatregel, terwijl het eigenlijk gaat om een maatregel die vanuit een mensenrechtenperspectief op armoede al lang genomen had moeten worden. Kwaliteitsvolle woningen bevorderen immers de gezondheid van hun bewoners, zorgen voor minder energieverbruik en lagere facturen, voor een veilige thuishaven om naar school en werk te vertrekken, voor de creatie van nieuwe jobs .... Het is door vooruitgang te boeken in de strijd tegen armoede en sociale ongelijkheden dat een duurzame toekomst voor iedereen mogelijk wordt.Thibault Morel en Veerle Stroobants werken bij het Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting.