Terwijl de mediaan van de verblijfsduur van kinderen die met COVID-19 in het ziekenhuis opgenomen zijn drie dagen bedraagt, is die mediaan bij de totale bevolking acht dagen, meer dan dubbel zoveel dus. Bovendien maken kinderen slechts 1,6 pct van het totaal aantal gehospitaliseerde patiënten uit, terwijl ze 3 pct van de bevestigde gevallen vertegenwoordigen. Dat blijkt dinsdag uit een nieuw rapport van Sciensano naar de kenmerken van besmettingen met COVID-19 bij kinderen in België.

Het gezondheidsinstituut bracht labodata, schoolgegevens en informatie van ziekenhuisopnames samen om een beter zicht te krijgen op de impact van het nieuwe coronavirus op kinderen. De bestudeerde periode liep van 15 maart tot en met 28 juni. Toen werd bij in totaal 1.511 kinderen een positieve COVID-19-test gerapporteerd. Daarmee ligt het aantal bevestigde gevallen bij kinderen laag. Kinderen worden dan wel minder getest, maar ook als ze in de onderzochte periode wel getest werden, was het resultaat minder vaak positief dan bij volwassenen (1,8 pct tegenover 6,3 pct). Het aantal bevestigde gevallen bij kinderen was goed voor 3 pct van het totaal aantal infecties. Kinderen stonden dan weer in voor 1,6 pct van het aantal ziekenhuisopnames. Meer dan vier vijfden van die ziekenhuisopnames (81 pct) verliep zonder ernstige complicaties.

"De verblijfsduur van kinderen in het ziekenhuis was dan ook meestal kort (mediaan van 3 dagen) en lag beduidend lager dan die voor alle patiënten in de hospitaalsurveillance (mediaan van 8 dagen)", leest het rapport. Opvallend is wel dat kinderen jonger dan 3 maanden een groot deel van de hospitalisaties bij kinderen vertegenwoordigden. "Dit wordt vermoedelijk verklaard door het feit dat koorts bij deze jonge kinderen een alarmsignaal is dat snel tot het uitvoeren van een diagnostische test leidt en het feit dat een positieve test in deze leeftijdsgroep meer bezorgdheid opwekt", luidt het.

Van de Belgische gehospitaliseerde kinderen kwam 3 pct op intensieve zorgen terecht, terwijl een grote Europese studie over 8 pct sprak. Ook hier ziet Sciensano een mogelijk logische verklaring, want anders dan de Belgische studie, hield het Europees onderzoek vooral rekening met de input van gespecialiseerde pediatrische ziekenhuizen, "waardoor de beschreven ziekenhuispopulatie in die studie mogelijk ernstiger ziek was".

Wat het aantal COVID-19-gevallen op scholen betreft, heeft Sciensano weet van 378 infecties (270 bij leerlingen en 108 bij personeelsleden). Er werd "een beperkt aantal" secundaire gevallen gerapporteerd: 11 personeelsleden en 36 leerlingen werden vermoedelijk besmet na contact op school. Uiteraard was tijdens de onderzochte periode afstandsonderwijs de regel, zeker in het middelbaar onderwijs.

In het rapport schrijft Sciensano dat er nog discussie bestaat over de mate waarin kinderen bijdragen aan de verspreiding van het virus. Uit buitenlandse studies blijkt dat kinderen zelden de ziekte in hun huishouden binnenbrengen en ook op school het virus niet vaak doorgeven, maar anderzijds is in een middelbare school in Israël sprake van een grote uitbraak met 153 besmette leerlingen en 25 besmette leerkrachten. Duitse laboresultaten van 3.712 COVID-19-patiënten tonen dan weer aan dat de virale lading bij jonge kinderen niet verschilt van die bij volwassenen.

Terwijl de mediaan van de verblijfsduur van kinderen die met COVID-19 in het ziekenhuis opgenomen zijn drie dagen bedraagt, is die mediaan bij de totale bevolking acht dagen, meer dan dubbel zoveel dus. Bovendien maken kinderen slechts 1,6 pct van het totaal aantal gehospitaliseerde patiënten uit, terwijl ze 3 pct van de bevestigde gevallen vertegenwoordigen. Dat blijkt dinsdag uit een nieuw rapport van Sciensano naar de kenmerken van besmettingen met COVID-19 bij kinderen in België.Het gezondheidsinstituut bracht labodata, schoolgegevens en informatie van ziekenhuisopnames samen om een beter zicht te krijgen op de impact van het nieuwe coronavirus op kinderen. De bestudeerde periode liep van 15 maart tot en met 28 juni. Toen werd bij in totaal 1.511 kinderen een positieve COVID-19-test gerapporteerd. Daarmee ligt het aantal bevestigde gevallen bij kinderen laag. Kinderen worden dan wel minder getest, maar ook als ze in de onderzochte periode wel getest werden, was het resultaat minder vaak positief dan bij volwassenen (1,8 pct tegenover 6,3 pct). Het aantal bevestigde gevallen bij kinderen was goed voor 3 pct van het totaal aantal infecties. Kinderen stonden dan weer in voor 1,6 pct van het aantal ziekenhuisopnames. Meer dan vier vijfden van die ziekenhuisopnames (81 pct) verliep zonder ernstige complicaties. "De verblijfsduur van kinderen in het ziekenhuis was dan ook meestal kort (mediaan van 3 dagen) en lag beduidend lager dan die voor alle patiënten in de hospitaalsurveillance (mediaan van 8 dagen)", leest het rapport. Opvallend is wel dat kinderen jonger dan 3 maanden een groot deel van de hospitalisaties bij kinderen vertegenwoordigden. "Dit wordt vermoedelijk verklaard door het feit dat koorts bij deze jonge kinderen een alarmsignaal is dat snel tot het uitvoeren van een diagnostische test leidt en het feit dat een positieve test in deze leeftijdsgroep meer bezorgdheid opwekt", luidt het. Van de Belgische gehospitaliseerde kinderen kwam 3 pct op intensieve zorgen terecht, terwijl een grote Europese studie over 8 pct sprak. Ook hier ziet Sciensano een mogelijk logische verklaring, want anders dan de Belgische studie, hield het Europees onderzoek vooral rekening met de input van gespecialiseerde pediatrische ziekenhuizen, "waardoor de beschreven ziekenhuispopulatie in die studie mogelijk ernstiger ziek was". Wat het aantal COVID-19-gevallen op scholen betreft, heeft Sciensano weet van 378 infecties (270 bij leerlingen en 108 bij personeelsleden). Er werd "een beperkt aantal" secundaire gevallen gerapporteerd: 11 personeelsleden en 36 leerlingen werden vermoedelijk besmet na contact op school. Uiteraard was tijdens de onderzochte periode afstandsonderwijs de regel, zeker in het middelbaar onderwijs. In het rapport schrijft Sciensano dat er nog discussie bestaat over de mate waarin kinderen bijdragen aan de verspreiding van het virus. Uit buitenlandse studies blijkt dat kinderen zelden de ziekte in hun huishouden binnenbrengen en ook op school het virus niet vaak doorgeven, maar anderzijds is in een middelbare school in Israël sprake van een grote uitbraak met 153 besmette leerlingen en 25 besmette leerkrachten. Duitse laboresultaten van 3.712 COVID-19-patiënten tonen dan weer aan dat de virale lading bij jonge kinderen niet verschilt van die bij volwassenen.