Hugo Lamon

‘Is de kelk tot op de bodem geledigd?’

Hugo Lamon Advocaat

Jurist Hugo Lamon staat stil bij de belangrijkste elementen in het verslag van de Hoge Raad voor de Justitie over het seksueel misbruik in de kerk. Vrijdag is er een nieuwe hoorzitting van de parlementaire onderzoekscommissie.

Gisteren maakte de Hoge Raad voor de Justitie zijn verslag bekend over het “bijzonder onderzoek Kelk” rond het seksueel misbruik in de kerk. Het gerechtelijk onderzoek is na veertien jaar nog altijd niet afgerond, zodat de Hoge Raad zich daarover ook nog niet kan uitspreken maar toch nu reeds de lange duurtijd betreurt. Het onderzoek kwam er nadat de televisiereeks “Godvergeten” op Canvas werd uitgezonden.

“Zowel in de documentaire als in de marge daarvan hebben advocaten van burgerlijke partijen zware kritiek geuit op het verloop van het onderzoek ‘Kelk’. Het vertrouwen van een gedeelte van de bevolking in Justitie bleek ernstig geschokt te zijn”, lezen we op de eerste bladzijde van het rapport. Het zijn ook die bekommernissen die werden onderzocht.

Het hele rapport is te raadplegen op de site van de Hoge Raad voor de Justitie.

Het rapport bevat een gedetailleerd en goed gedocumenteerd feitenverloop van dat gerechtelijk onderzoek. Er werden daarvoor diverse personen gehoord die daar van nabij bij betrokken waren. Omdat het over gebeurtenissen van jaren geleden gaat waarschuwt de Hoge Raad voor de zogenaamde “hindsight bias” of “achteraf fout”, de neiging om gebeurtenissen die zich uiteindelijk hebben voorgedaan als (meer) voorspelbaar te beschouwen dan op het ogenblik dat deze gebeurtenissen zich nog niet hadden voorgedaan (p. 2).

Het grote publiek maakt kennis met de operatie ‘Kelk’ wanneer op 24 juni 2010 grootschalige huiszoekingen plaatsvinden, onder meer ook in het aartsbisschoppelijk paleis. De televisiebeelden, met archiefdozen die uit het raam worden gekieperd en onderaan ter hoogte van een vrachtwagen worden opgevangen, zijn in het collectief geheugen gegrift.

De vraag hoe het kwam dat daar televisiecamera’s bij aanwezig waren is niet onderzocht, maar het lijkt wél vast te staan dat het Parket-Generaal vooraf niet op de hoogte was van de huiszoeking. “Uit het onderzoek van de HRJ blijkt dat er onvoldoende werd gecommuniceerd binnen het Openbaar Ministerie, minstens van zodra het parket op de hoogte was, wat aantoont dat er een onvoldoende samenwerking was tussen de procureur des Konings en het Parket-Generaal” (p. 21). De samenwerking met bepaalde media verliep dus blijkbaar vlotter.

De Hoge Raad neemt er ook nota van dat de procureur-generaal “uit voorzorg een multiconfessioneel team van magistraten samenstelde om de rechtsgeldigheid van de huiszoekingen te beoordelen” (p 21). Is de filosofische voorkeur van ieder magistraat dan gekend en betekent dit dat deze ook de oordeelsvorming beïnvloedt? De godsdienstige voorkeur van een magistraat is in ons land maar een wrakingsgrond wanneer concrete elementen doen twijfelen aan de onpartijdigheid van de magistraat. Is dat samenstellen van een multiconfessioneel team dan een aanwijzing dat er al een concrete vorm van partijdigheid was of is het net andersom?

Dan blijft de vraag of er op die “bevriende” magistraten druk is uitgeoefend door de kerk. De hoge Raad weet het niet. ”Volgens sommigen heeft de katholieke overtuiging van sommige magistraten mogelijk een rol gespeeld in de beslissingen die werden genomen, waarbij voornamelijk wordt gedacht aan leden van het Parket-Generaal. Volgens anderen heeft de vrijzinnige overtuiging van sommige magistraten (en ook rechercheurs) mogelijk een rol gespeeld in de beslissingen die werden genomen, waarbij voornamelijk wordt gedacht aan de korpschef van het parket. Volgens nog anderen kunnen de hierboven aangehaalde beslissingen die tijdens het onderzoek werden genomen niet anders worden verklaard dan dat de kerk daar een hand in heeft gehad” (p. 51-52). De Hoge Raad neemt zelf geen standpunt in en stelt dan maar dat mogelijke druk vanwege de kerk “noch bewezen noch uitgesloten kan worden” (p.52).

Over het lot van die 931 archiefdozen (die werden teruggeven aan de kerk) is veel te doen geweest, maar de Hoge Raad komt tot de conclusie dat de raadslieden van de burgerlijke partijen de inhoud hebben kunnen inkijken (p. 29). De Hoge Raad onderzocht ook of er “clandestiene zittingen” geweest zijn van de KI. “Het houden van ‘clandestiene zittingen’, in de zin van geheime zittingen, is door het onderzoek van de HRJ niet aangetoond. De HRJ stelt wel vast dat de burgerlijke partijen niet zijn opgeroepen, wat hen onder meer heeft verhinderd deel te nemen aan het debat” (p.49). Over de interpretatie van die vaststelling wordt er nu al hevig debat gevoerd.

De Hoge Raad bevestigt dat er processtukken uit het dossier werden gehaald en dat dit tot spanningen heeft geleid tussen de magistraten, maar dat dit alles “vooralsnog geen verdere gevolgen heeft gehad voor de strafprocedure omdat de ontbrekende stukken in kopie werden opgevraagd (en gevoegd) en de KI heeft geoordeeld dat de procedure regelmatig is” (p. 42). Processtukken die verdwijnen, hoe kan zoiets? “De vaste griffier van de onderzoeksrechter (…) was tevens de levenspartner van de procureur des Konings (…) Diezelfde griffier bleef (…) tijdens haar zwangerschapsverlof het kabinet van de onderzoeksrechter bezoeken en nam blijkbaar stukken uit het dossier meer naar huis om deze te inventariseren. Dit is problematisch omdat er ondertussen een andere griffier was aangewezen om haar te vervangen. (…) Het risico op beïnvloeding werd daardoor verhoogd” (p. 65). Gaat het om een ijverige griffier of is ze als “levenspartner” ingezet als onderdeel van een magistratenoorlog? De Hoge Raad twijfelt. Zeker is dat justitie mensenwerk is.

De Hoge Raad wijst er op dat er onmiskenbaar druk werd uitgeoefend op het onderzoek. Zo stelt de HRJ vast dat zowel de advocaat van de kerk als de advocaat van de slachtoffers “stelselmatig kopies van de brieven die zij naar de onderzoeksrechter of naar andere actoren stuurden, ook verstuurden naar anderen die bij de te nemen beslissing als dusdanig niet betrokken waren of hiervoor niet bevoegd waren, zoals de federale procureur, de procureur-generaal en de minister van justitie” (p. 52). Is dat niet wat vreemd in het licht van het beroepsgeheim of toch verantwoord in het licht van het algemeen belang?

De kelk is nog niet geledigd en het eindpunt van het debat is nog niet in zicht.

Hugo Lamon is advocaat en lawfluencer. Hij blogt regelmatig op Jubel.be.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content