Terwijl het leerplichtonderwijs een speerpunt is in de campagne wordt over hoger onderwijs nauwelijks een woord gerept. Nochtans kent ook het hoger onderwijs grote uitdagingen die antwoorden verdienen. De Vlaamse student zit vandaag in steeds in vollere aula's, met meer studenten per docent en minder begeleiding. Hij kreeg, onder de Vlaamse regering-Bourgeois een hogere factuur maar minder waar voor zijn geld. Bovendien stokt de democratisering, en vinden vele jongeren uit kansengroepen de weg naar het hoger onderwijs niet. We verliezen talent, en dreigen kwaliteit te verliezen door aanhoudende onderinvesteringen. Willen we de kwaliteit hoog houden en de instroom democratisch, dan dringen noodzakelijke investeringen en een aanpassing van het huidige financieringssysteem zich op.

Het is een boutade dat onze grijze cellen de grondstof zijn van onze kenniseconomie, en dat daarin investeren dus rendeert. Elke euro geïnvesteerd in hoger onderwijs verdient zichzelf zes keer terug. Dit lijkt niet te zijn doorgedrongen tot de vorige Vlaamse Regering met N-VA, Open VLD en CD&V, integendeel. Structurele besparingen en desindexeringen zorgen de voorbije jaren voor substantieel minder inkomsten bij de universiteiten en hogescholen. Het budget van instellingen hoger onderwijs per student daalde de laatste vijf jaar met 1000 euro, zo berekende de krant De Tijd. Het aantal studenten per docent steeg in die tijd gemiddeld van 22 naar 27.

Hoger onderwijs komt in deze campagne nauwelijks aan bod: extra investeringen zijn nochtans broodnodig.

De besparingen werden deels gecompenseerd met een verhoging van het inschrijvingsgeld, eensklaps, met maar liefst 43%, of een stijging van 619 naar 890 euro. Maar om de drastische besparingen te compenseren is een verhoging naar 1.240 euro nodig, berekende de hogeschoolraad. Dat is onbespreekbaar voor Groen, want zonder een robuust systeem van studiebeurzen wordt de drempel voor kansengroepen ongetwijfeld nog hoger.

Nu al komt slechts 5,75% van de studenten in het hoger onderwijs uit laaggeschoolde gezinnen. Nochtans maakt die groep 18% van de bevolking uit. Kinderen van hooggeschoolde ouders hebben zes keer meer kans om hogere studies te doen. Instellingen worden vandaag nauwelijks aangemoedigd om daar een actief beleid rond te voeren.

Vergeet niet dat Vlaanderen globaal een veel lagere toename kent van hooggeschoolden dan gemiddeld in de landen van de OESO. We hebben te weinig hoogopgeleiden om van onze regio een kennisregio te maken. Er moeten in onze aula's dus dringend nog studenten bijkomen wil Vlaanderen de trein van de innovatieve kenniseconomie niet missen. Zwitserland streeft ernaar om in 2030 70% hoger opgeleiden te hebben. In Vlaanderen zullen we aan het huidige tempo van een wonder mogen spreken als we aan 50% hoogopgeleiden zitten. De grootste sprong kan nog gemaakt worden bij die groepen die het hoger onderwijs nu niet bereikt: jongeren uit kansengroepen of met een migratieachtergrond.

Het financieringsmechanisme voor hogescholen en universiteiten is aan herziening toe.

Het tij moet gekeerd, de besparingstsunami in het hoger onderwijs moet stoppen. Extra investeringen zijn nodig. Tegelijk is het financieringsmechanisme voor hogescholen en universiteiten aan herziening toe. De huidige inputfinanciering waarbij de eerste 60 studiepunten worden gefinancierd op basis van het werven van studenten en niet op basis van studiesucces zorgt ervoor dat instellingen worden beloond om veel studenten aan te trekken en onvoldoende om ze te begeleiden om te slagen, of om ze te heroriënteren naar andere instellingen tijdens het eerste studiejaar. De uitval en studievertraging kost de overheid, ouders en instellingen veel geld.

Na het eerste jaar worden universiteiten gefinancierd op basis van het aantal afgeleverde diploma's of via een systeem van outputfinanciering. Studenten die door hun achtergrond gemiddeld genomen, zonder extra begeleiding, hebben minder kans op slagen, en zijn financieel minder interessant voor hogescholen en universiteiten. Ze genereren een gelijk aantal middelen bij succes, maar het vraagt extra inspanningen van instellingen op vlak van studiebegeleiding, taalondersteuning en andere voorzieningen om die studenten naar succes te begeleiden. Nochtans loont het als maatschappij op langere termijn om hierin te investeren.

Bovendien ligt de nadruk voor de onderzoekscomponent van de financiering te veel op het aantal doctoraten en (internationale) publicaties. Maatschappelijk relevant onderzoek, bijvoorbeeld onderwijsonderzoek dat zich toespitst op de specifieke uitdagingen van onderwijs in een Vlaamse context, raakt minder snel internationaal gepubliceerd maar is maatschappelijk bijzonder relevant. Ook hier dringt een aanpassing zich op.

Een nieuw financieringssysteem houdt dus rekening met die parameters. Een nieuw financieringsmechanisme moet voor Groen zeker de inspanningen voor het bereiken van kansengroepen financieel beter onderbouwen. Net zoals in het kleuter-, lager en secundair onderwijs willen we studenten die aantikken op SES-indicatoren (socio-economische status) zwaarder laten wegen in de financiering. Concreet wordt daarvoor rekening gehouden met de thuistaal van de leerling, het hoogst behaalde opleidingsniveau van de moeder en het ontvangen van een studiebeurs. Voorheen had je daarvoor het aanmoedigingsfonds, dat onderwijsinstellingen ondersteunde om gelijke kansen en diversiteit te bewerkstelligen, maar dat werd in 2014 door minister Crevits afgeschaft.

Maatschappelijk relevant onderzoek ondersteunen

Via een structurele financiering op basis van SES-kenmerken willen we instellingen die doorgedreven inspanningen doen om studenten uit kansengroepen die zeker potentieel hebben om een Bachelor- of Mastersdiploma te behalen maar wiens omstandigheden dit bemoeilijkt, aanmoedigen om die groepen mee te krijgen en te laten doorstromen. Zonder de lat lager te leggen. Dat is essentieel. En dat vraagt wel degelijk meer inspanningen op vlak van begeleiding waarvoor instellingen en proffen of docenten nu, door de besparingsdruk, veel te weinig ruimte hebben.

Er zijn ook andere parameters die herzien kunnen worden. Zo zijn we er, zoals eerder vermeld, ook voorstander van om maatschappelijk relevant onderzoek beter te ondersteunen. Ook samenwerking tussen instellingen, hogescholen en universiteiten, nationaal of internationaal, moet beloond kunnen worden, willen we een concurrentiemodel in onderwijs overstijgen.

Het is een discussie voor de volgende legislatuur die nodig en fundamenteel is en raakt aan de essentie van het hoger onderwijs. Ze kan evenwel niet worden gevoerd in een besparingscontext. Laat ons daarover alvast heel duidelijk zijn.