De loonnorm staat weer volop in de belangstelling. Aan vakbondszijde voert men actie tegen de opgelegde loonnorm die vrije loononderhandelingen in de weg staan. Aan werkgeverszijde is men ook niet altijd te vinden voor de overheidsingrepen, maar is men wel voorstander van een loonmatiging. Dit laatste wordt ook gevolgd door vele economen, zoals Stijn Baert, die de loonnorm zien als een instrument om de loonkosten te beperken en zo onze concurrentiepositie te vrijwaren en jobs te behouden.

Wat hier echter ontbreekt zijn de onbedoelde of perverse effecten van het gebrek aan loonsverhogingen namelijk de dynamiek die ontstaan is op de extralegale voordelen en die een steeds grotere plaats innemen in de lonen van werknemers. Voor sommige zal dit bovenop de lonen worden gegeven, maar voor vele anderen zal dit in de plaats van een loonsverhoging komen.

Hoe gaan we om met de toenemende ongelijkheid inzake extralegale voordelen?

In België bestaat er een uniek systeem waarbij er tweejaarlijks een loonnorm wordt vastgelegd die bepaalt in hoeverre de gemiddelde loonkost van een onderneming mag stijgen gedurende deze periode. Dit is ingevoerd in 1996 ter vrijwaring van de internationale concurrentiepositie van België. Voor de jaren 2021-2022 heeft de regering, nadat er geen akkoord bereikt werd door de sociale partners zelf, deze maximale marge van de loonkostenevolutie vastgelegd op 0,4%.

Aangezien dergelijke gecentraliseerde looncoördinatie de loononderhandelingen beperkt, zien de lokale vakbonden en werkgevers extralegale voordelen als een manier om niet-loongerelateerde voordelen te voorzien voor werknemers. Het feit dat vele van deze voordelen zijn vrijgesteld van belastingen of lagere belastingen met zich meebrengen in vergelijking met lonen stimuleert het gebruik ervan.

Deze ontwikkeling zal wellicht echter de huidige ongelijkheid op de arbeidsmarkt niet doen afnemen, maar eerder versterken. In tegenstelling tot sociale voordelen die verdeeld worden via de staat, worden extralegale voordelen verdeeld via de arbeidsmarkt. Het herverdelingsprincipe is niet dezelfde en extralegale voordelen kunnen ongelijk verdeeld worden over de arbeidsmarkt. Extralegale voordelen zijn immers sterk ingebed en dus onderhevig aan arbeidsmarktdynamieken binnen en tussen sectoren die vormgeven aan de macht die vakbonden hebben in de onderhandelingen. Zo werden er reeds grote verschillen gecreëerd in extralegale voordelen tussen werknemers afhankelijk van de sector waar men werkt, de grootte van het bedrijf, en de functie of status van de werknemer. In traditioneel sterke sectoren zoals de chemische sector kunnen vakbonden gebruik maken van hun sterke onderhandelingspositie om de winsten in de sector om te zetten in genereuze extralegale voordelen bovenop de lonen. In andere sectoren zoals de logistische sector staan vakbonden in een zwakkere positie om te onderhandelen over eventuele bijkomende voordelen.

Sinds de crisis in 2008 zijn de loonmarges zeer klein geworden en werd de loonnorm strikter toegepast, waardoor de sociale partners meer hebben ingezet op extralegale voordelen in onderhandelingen. De hernieuwde interesse in extralegale voordelen voor werkgevers is echter vooral gedreven om kosten te verlagen (via lagere belasting op voordelen dan lonen) en om flexibiliteit te verhogen (via variabele verloning). In de logistieke sector komt dat erop neer dat onderhandelingen worden gevoerd om extralegale voordelen te bieden in plaats van loonsverhogingen. Zelfs in de voedingssector, een sector met een lange vakbondstraditie, zijn vakbonden vaak mee moeten gaan met het 'netto'-verhaal van werkgevers in plaats van bruto loonsverhogingen om jobverlies of koopkrachtverlies van de werknemers tegen te gaan.

We zien met andere woorden dat de machtsbalans tussen werkgevers en vakbonden steeds meer uit evenwicht is geraakt en extralegale voordelen hierbij steeds vaker gebruikt worden voor een gedifferentieerd HR-beleid om zo het variabele deel van het loon te verhogen en de vaste lonen te stabiliseren of verkleinen.

Dit leidt niet enkel tot ongelijkheid tussen sectoren, maar ook binnen sectoren. Zo hebben vakbonden reeds toegevingen moeten doen in de logistieke maar ook in de voedingssector zoals het aanvaarden van lagere voorwaarden met minder extralegale voordelen voor nieuw aangeworven werknemers om de rechten van huidige werknemers te vrijwaren. Dit kan nieuwe ongelijkheden binnen bedrijven creëren tussen 'oude' en 'nieuwe' werknemers of tussen 'productieve' en 'niet-productieve' werknemers, en is ook een stap in de richting van een race-to-the-bottom.

Kortom, er zijn twee aan elkaar verbonden gevaren die inherent zijn aan deze ontwikkeling. Enerzijds bestaat het risico dat extralegale voordelen niet worden gegeven bovenop de lonen, maar in plaats van loonsverhogingen. Aan de andere kant gaan lagere lonen gepaard met lagere socialezekerheidsbijdragen hetgeen op lage termijn leidt tot lagere rechten voor werknemers. En deze risico's zullen vooral gevoeld worden door mensen in een zwakkere positie op de arbeidsmarkt, degene met lage lonen, werkzaam in sectoren waar vakbonden een zwakkere positie innemen en in bedrijven waar vakbonden niet aanwezig zijn en op langere termijn geconfronteerd zullen worden met een lagere uitkering of pensioen.

Hierdoor kan er verwacht worden dat de ongelijkheid in voordelen nog meer toe zal nemen dan de loonongelijkheid. Wat doen we met deze onbedoelde, perverse effecten van een loonmatigingspolitiek?

Dorien Frans is verbonden aan het Centre for Sociological Research en Valeria Pulignano is professor Sociologie aan de KU Leuven.

De loonnorm staat weer volop in de belangstelling. Aan vakbondszijde voert men actie tegen de opgelegde loonnorm die vrije loononderhandelingen in de weg staan. Aan werkgeverszijde is men ook niet altijd te vinden voor de overheidsingrepen, maar is men wel voorstander van een loonmatiging. Dit laatste wordt ook gevolgd door vele economen, zoals Stijn Baert, die de loonnorm zien als een instrument om de loonkosten te beperken en zo onze concurrentiepositie te vrijwaren en jobs te behouden. Wat hier echter ontbreekt zijn de onbedoelde of perverse effecten van het gebrek aan loonsverhogingen namelijk de dynamiek die ontstaan is op de extralegale voordelen en die een steeds grotere plaats innemen in de lonen van werknemers. Voor sommige zal dit bovenop de lonen worden gegeven, maar voor vele anderen zal dit in de plaats van een loonsverhoging komen.In België bestaat er een uniek systeem waarbij er tweejaarlijks een loonnorm wordt vastgelegd die bepaalt in hoeverre de gemiddelde loonkost van een onderneming mag stijgen gedurende deze periode. Dit is ingevoerd in 1996 ter vrijwaring van de internationale concurrentiepositie van België. Voor de jaren 2021-2022 heeft de regering, nadat er geen akkoord bereikt werd door de sociale partners zelf, deze maximale marge van de loonkostenevolutie vastgelegd op 0,4%. Aangezien dergelijke gecentraliseerde looncoördinatie de loononderhandelingen beperkt, zien de lokale vakbonden en werkgevers extralegale voordelen als een manier om niet-loongerelateerde voordelen te voorzien voor werknemers. Het feit dat vele van deze voordelen zijn vrijgesteld van belastingen of lagere belastingen met zich meebrengen in vergelijking met lonen stimuleert het gebruik ervan.Deze ontwikkeling zal wellicht echter de huidige ongelijkheid op de arbeidsmarkt niet doen afnemen, maar eerder versterken. In tegenstelling tot sociale voordelen die verdeeld worden via de staat, worden extralegale voordelen verdeeld via de arbeidsmarkt. Het herverdelingsprincipe is niet dezelfde en extralegale voordelen kunnen ongelijk verdeeld worden over de arbeidsmarkt. Extralegale voordelen zijn immers sterk ingebed en dus onderhevig aan arbeidsmarktdynamieken binnen en tussen sectoren die vormgeven aan de macht die vakbonden hebben in de onderhandelingen. Zo werden er reeds grote verschillen gecreëerd in extralegale voordelen tussen werknemers afhankelijk van de sector waar men werkt, de grootte van het bedrijf, en de functie of status van de werknemer. In traditioneel sterke sectoren zoals de chemische sector kunnen vakbonden gebruik maken van hun sterke onderhandelingspositie om de winsten in de sector om te zetten in genereuze extralegale voordelen bovenop de lonen. In andere sectoren zoals de logistische sector staan vakbonden in een zwakkere positie om te onderhandelen over eventuele bijkomende voordelen. Sinds de crisis in 2008 zijn de loonmarges zeer klein geworden en werd de loonnorm strikter toegepast, waardoor de sociale partners meer hebben ingezet op extralegale voordelen in onderhandelingen. De hernieuwde interesse in extralegale voordelen voor werkgevers is echter vooral gedreven om kosten te verlagen (via lagere belasting op voordelen dan lonen) en om flexibiliteit te verhogen (via variabele verloning). In de logistieke sector komt dat erop neer dat onderhandelingen worden gevoerd om extralegale voordelen te bieden in plaats van loonsverhogingen. Zelfs in de voedingssector, een sector met een lange vakbondstraditie, zijn vakbonden vaak mee moeten gaan met het 'netto'-verhaal van werkgevers in plaats van bruto loonsverhogingen om jobverlies of koopkrachtverlies van de werknemers tegen te gaan. We zien met andere woorden dat de machtsbalans tussen werkgevers en vakbonden steeds meer uit evenwicht is geraakt en extralegale voordelen hierbij steeds vaker gebruikt worden voor een gedifferentieerd HR-beleid om zo het variabele deel van het loon te verhogen en de vaste lonen te stabiliseren of verkleinen. Dit leidt niet enkel tot ongelijkheid tussen sectoren, maar ook binnen sectoren. Zo hebben vakbonden reeds toegevingen moeten doen in de logistieke maar ook in de voedingssector zoals het aanvaarden van lagere voorwaarden met minder extralegale voordelen voor nieuw aangeworven werknemers om de rechten van huidige werknemers te vrijwaren. Dit kan nieuwe ongelijkheden binnen bedrijven creëren tussen 'oude' en 'nieuwe' werknemers of tussen 'productieve' en 'niet-productieve' werknemers, en is ook een stap in de richting van een race-to-the-bottom. Kortom, er zijn twee aan elkaar verbonden gevaren die inherent zijn aan deze ontwikkeling. Enerzijds bestaat het risico dat extralegale voordelen niet worden gegeven bovenop de lonen, maar in plaats van loonsverhogingen. Aan de andere kant gaan lagere lonen gepaard met lagere socialezekerheidsbijdragen hetgeen op lage termijn leidt tot lagere rechten voor werknemers. En deze risico's zullen vooral gevoeld worden door mensen in een zwakkere positie op de arbeidsmarkt, degene met lage lonen, werkzaam in sectoren waar vakbonden een zwakkere positie innemen en in bedrijven waar vakbonden niet aanwezig zijn en op langere termijn geconfronteerd zullen worden met een lagere uitkering of pensioen.Hierdoor kan er verwacht worden dat de ongelijkheid in voordelen nog meer toe zal nemen dan de loonongelijkheid. Wat doen we met deze onbedoelde, perverse effecten van een loonmatigingspolitiek? Dorien Frans is verbonden aan het Centre for Sociological Research en Valeria Pulignano is professor Sociologie aan de KU Leuven.