Architectuur is onroerend erfgoed, en het Vlaams Architectuurinstituut (VAi) verdient lauweren voor de wijze waarop het daar in deSingel in Antwerpen mee omgaat. De Ultima-bekroning voor het VAi betreft echter roerend erfgoed. Weinigen weten dan ook dat de vroegere boekentoren van de stadsbibliotheek in de Parochiaanstraat bij de Meir tjokvol bouwkundige documenten en maquettes zit. Samen vormen ze het geheugen van onze architectuurgeschiedenis en ruimtelijke ontwikkeling, beheerd door het VAi. Dat wil zeggen dat nagenoeg alles wat de gebouwde omgeving van de provincie Antwerpen kan documenteren tussen 1800 en vandaag, er aanwezig en raadpleegbaar is door zowel experten als door leken.
...

Architectuur is onroerend erfgoed, en het Vlaams Architectuurinstituut (VAi) verdient lauweren voor de wijze waarop het daar in deSingel in Antwerpen mee omgaat. De Ultima-bekroning voor het VAi betreft echter roerend erfgoed. Weinigen weten dan ook dat de vroegere boekentoren van de stadsbibliotheek in de Parochiaanstraat bij de Meir tjokvol bouwkundige documenten en maquettes zit. Samen vormen ze het geheugen van onze architectuurgeschiedenis en ruimtelijke ontwikkeling, beheerd door het VAi. Dat wil zeggen dat nagenoeg alles wat de gebouwde omgeving van de provincie Antwerpen kan documenteren tussen 1800 en vandaag, er aanwezig en raadpleegbaar is door zowel experten als door leken. In 2012 verbreedde het Architectuurarchief Provincie Antwerpen (APA) zijn terrein tot Vlaanderen en Brussel. Bij de integratie van de collectie in 2018 in het VAi, kreeg het archief officieel een landelijke missie. Samen met de verdere ontwikkeling van de publiekswerking, de dienstverlening en de complete digitalisering van het archief is dit een herculestaak die niet zonder onverschrokkenheid kan worden aangepakt. In die zin is de Ultima voor roerend erfgoed eigenlijk een aanmoedigingsprijs voor VAi-directeur Sofie De Caigny (43) en collectiebeheerder Dirk Laureys (56). Tijdens ons gesprek in de toren, waarbij ze elkaar naadloos aanvullen in de bespreking van drie exemplarische archiefstukken, vragen ze bijzondere aandacht voor bouwideeën die alleen op papier zijn gezet, voor architectuur die nooit tot de canon doordrong en voor een inspirerend voorbeeld van een pril moderne meester zoals Eduard Van Steenbergen in de aanpak van hedendaagse hete hangijzers als dorpskernverdichting, het einde van de verkavelingslogica, hoogbouw, laagbouw en vormen van cohousing. Huis hoek Kipdorpvest-Leysstraat, Antwerpen Ontwerp van Frans Van Dijk, 1899. 'We waren bijzonder blij dat we een restantje van het archief van de gerenommeerde architect Frans Van Dijk konden verwerven. Zo'n negentiende-eeuws archief is namelijk zeldzaam. Dit dossier bestaat uit een vijftal tekeningen van een belangrijk gebouw in Antwerpen, losse stukjes die we moesten laten restaureren. Dit soort tekeningen wordt door hedendaagse architecten opnieuw heel erg gewaardeerd. De tegenover elkaar liggende zusterwoningen werden op het moment van de verbreding van de Leysstraat in 1898 ingebracht door Van Dijk en Ernest Dieltiens. Vier gevels van de Leysstraat werden recent gerestaureerd door het bureau van Barbara Van der Wee. Ze zijn in eclectische stijl opgetrokken, met zeer kwaliteitsvol materiaal, oog voor detail en ook voor de trompe-l'oeil: een aantal elementen zijn effectief in 3D, andere zijn in faux marbre.Een groot probleem bij winkelstraten als de Meir (en, aansluitend, de Leysstraat, nvdr.) is dat de gelijkvloerse verdieping uit winkels bestaat en de verdiepingen erboven leegstaan. In tegenstelling tot wat de beschermde gevels doen vermoeden, waren de negentiende-eeuwse interieurs eigenlijk eenvoudig en niet zo bijzonder. Ze waren dan ook niet beschermd. AG Vespa, het stadsontwikkelingsbedrijf dat die panden in handen had, besloot om ze opnieuw te ontwikkelen. De architecten van het bureau Bovenbouw Architectuur hebben appartementen gemaakt van wat oorspronkelijk afzonderlijke huizen waren, beneden zijn het winkels gebleven. Ze hebben de gevels en ook de tekeningen heel goed bestudeerd en trokken de trompe-l'oeil door tot in de interieurs, zodanig zelfs dat die nu cohenter zijn met de gevels dan in de negentiende eeuw. De panden hadden zelfs geen parket maar de typische plankenvloeren, witgekalkte muren en schouwen met elementen, maar die trompe-l'oeil van de gevels zat er niet in, het spel met kleuren en licht, verschillende materialen en marmers. De hedendaagse architect was zo gefascineerd door dat spel, dat hij het naar binnen doortrok. Zo maakte hij een gat in de originele schouwen, waarop in de negentiende eeuw vaak een spiegel stond, zodat je je nu afvraagt of je een spiegelbeeld of een doorzicht ziet. Exterieur en interieur worden plots heel nauw op elkaar betrokken.' Zeemanshuis, Antwerpen Ontwerp van Victor Blommaert, 1932. 'We hebben in onze collectie ook archieven van een aantal architecten die niet tot de canon behoren, maar die qua inhoud bijzonder exemplarisch zijn voor de verschillende ontwikkelingen in onze architectuurcultuur. Een van hen is Victor Blommaert, de vader van journalist Stefan Blommaert. Hij begon met een aantal kleinere architectuurprojecten, maar ontwikkelde zich later tot een belangrijk bouwhistoricus. Zijn tekeningen laten zien hoe architecten opgeleid werden in de jaren 1930, toen alle Beaux Arts- en klassieke eclectische stijlen uit de academieopleiding verdwenen en daar stilaan ook art-deco- en modernistische principes doordrongen. Docenten als Jef Huygh, Jos Smolderen en later Léon Stynen kwamen dan aan bod. Naast Blommaerts academieontwerp voor een vlieghaven op Linkeroever, hebben we zijn studie voor een zeemanshuis. Zoals bij elke academietekening het geval is, werd het huis nooit gerealiseerd. Er is een zeer mooi motto op aangebracht want studietekeningen waren per definitie anoniem. Bij een afstudeerproject moest de naam onder gesloten omslag ingediend worden. Al die dingen zijn belangrijk om te begrijpen hoe een jonge architect werd opgeleid. De tekening is modernistisch qua opzet, qua gevelontwerp: die typische langgerekte ramen, de witte bepleistering, de inbedding in het groen, de vlaggenstok die terugkomt, de kleurenstelling. Dat soort ontwerpen sloot vaak zeer sterk aan bij de actualiteit. In het begin van de jaren 1930 was er namelijk de internationale wedstrijd voor de aanleg van Linkeroever. Het onderwerp heeft Antwerpen decennialang beroerd, tot aan de afbraak van het in 1954 gebouwde Zeemanshuis van Paul Smekens en Hendrik Wittocx - nu zeven jaar geleden. Het toeval wil dat wij ook dát dossier in onze collectie hebben. Het was een torengebouw, typerend voor een naoorlogs modernisme, met een gelige baksteengevel en een paviljoentje met gebogen ramen. Wat er mooi aan was, was de inplanting. Het liet heel veel groen toe in een dichtbebouwd deel van de historische stad. Het was een typisch naoorlogse stedenbouwkundige ingreep om daar een publieke ruimte in te creëren. Nu zijn daar woningen gekomen, en een nieuw stadsdeel, weliswaar met patio's maar niet voor het brede publiek. Wanneer je zo'n iconisch gebouw, verbonden met een bepaald type bevolking, bezoekers en beweging wegneemt en vervangt door middenklassewoningen, dan haal je ook een stuk de identiteit van het stadsdeel weg. Dat heet gentrificatie. De weerstand tegen de ontwikkeling had niet alleen te maken met de kwaliteiten van het bestaande gebouw, maar ook met de betekenis in de stadsgeschiedenis van zo'n zeemanshuis bij de historische haven.' Keuken voor de woningen in de Unitaswijk Deurne, Ontwerp van Eduard Van Steenbergen, 1929. 'Dit is een niet-gerealiseerd ontwerp voor een keuken van architect Eduard Van Steenbergen uit 1929. Het is gemaakt voor een studiedag over sociale huisvesting in Luik, waar hij het heeft gepresenteerd samen met een interieur voor een slaapkamer en een woonkamer voor een sociaal huisvestingproject in de Unitastuinwijk in Deurne die hij in de jaren 1920 ontwierp. De wijk, gekoppeld aan een park, vertoont gelijkenissen met vormen van collectief wonen vandaag. Men dacht na over de wijk als een gemeenschap waarbij het doorgaand verkeer werd buitengehouden. Je ziet ook het schakelen van woningen van verschillende groottes, met grote of minder grote kamers. De tuinen grensden aan elkaar, maar je had ook doorsteken die zogezegd tot de openbare weg behoorden maar eigenlijk voor de bewoners van de Unitaswijk waren. Het is een vorm van collectief wonen die heel veel respect heeft voor de privacy. Het gaat om een vrij vooruitstrevende keuken, met stromend water en alles erop en eraan. Vernieuwend is ook dat het een standaardkeuken wil zijn. Tot begin jaren 1920 dachten weinig architecten na over keukeninrichting. Bovendien was de keuken vooral de plek van de huisvouw. De verandering kwam uit de VS. Vervolgens begon in Frankfurt een vrouwelijke architect dit soort keukens te ontwerpen voor grote publieke huisvestingsprogramma's. Dat is opgepikt in heel Europa. Op de tekeningen van Mart Stam en andere belangrijke Nederlandse architecten van die periode zie je dat ze zich allemaal aan dit soort ontwerpen waagden. Ze zochten naar de meest efficiënte vorm om alle keukenverrichtingen te organiseren. Het lijkt misschien wat bric-à-brac, maar het feit dat die vrouw kan zitten voor bepaalde handelingen, of de plaats van het kookvuur, dat is allemaal weloverwogen, daar gaan ergonomische studies aan vooraf. Dit beeld van de keuken is bijna een pars pro toto van een visie op wat het familieleven moet zijn en op het huishoudelijk werk, dat nog altijd onzichtbaar hoort te zijn. Het is geen open keuken. Het is een afgesloten plek, nog altijd van de vrouw, maar het werk wordt zodanig efficiënt uitgevoerd dat zij ook buitenshuis kan gaan werken. Daar zit toch wel een emancipatorisch idee achter, en deze tekening vertelt een breed cultureel verhaal dat je ook tot vandaag de dag zou kunnen doortrekken. Je ziet bijvoorbeeld nog geen dampkappen, en het idee van de open keuken komt pas op het moment dat de technologie weer een volgende stap zet. Tegelijk met de opkomst van de rationele keuken krijg je een heel verhaal over gezelligheid maar ook hygiëne in het familieleven. Maar er blijft wel een duidelijke scheiding tussen mannelijke, meer representatieve plekken, en werkplekken voor de vrouw.'