We schrijven 2020, lente, ik pik mijn jongste, een hyperenergieke kleuter van 4,5 op in de kleuterklas. De juf was in de weer met plakband: ze maakte vakken van exact 1.5 meter op 1.5 meter. Afgebakende vakken, 1 vak per kleuter, daarbinnen diende de kleuters te blijven. Niet eruit, niet erover, geen andere kleuter erin. 's Ochtends je vakje in, en als de school klaar is: je vakje uit. Het rustige Limburgse platteland dus, lente, 2020. Kleuters, tussen 2.5 en 6 jaar. Iets met maatregelen, en draaiboeken, en -zo ontdekte ik later-, een samenleving die in paniek was.

Geen zinnig mens betwist dat maatregelen nodig zijn, maar de logica erachter is soms ver te zoeken.

Mocht dit tafereel zich, pakweg een jaartje eerder, in een ver of nabij buitenland hebben afgespeeld: het zou verontwaardigde reacties regenen en in het parlement zouden resoluties gestemd worden om dit krachtig te veroordelen. We zouden het ons in Vlaanderen niet durven of kunnen indenken, zo zou gesteld worden! Het woord kinderrechten zou vaak vallen. Terecht, zo lijkt me, want als je heel even nuchter en logisch nadenkt (en het afgelopen jaar een kleuter van nabij zag) begrijp je dat je kleuters niet een hele dag in een vak van 1.5 op 1.5 meter kan parkeren? En toch gebeurde het, lente 2020. Zonder verbijstering. Zonder resoluties. Zonder verontwaardiging. En als je het toch aandurfde om er een kritische vraag over te stellen werd je al snel in de hoek van de 'Coronaontkenners' gezet.

Een evenwichtig debat over alles in de schaduw van Corona (zoals grond- en mensenrechten, privacy, economie, ...) was, laat ons zeggen: erg moeilijk. Sinds die dag kijk ik geboeid en vaak verbaasd om me heen tijdens deze periode waarin we geconfronteerd worden met Corona. Naast de vaststelling dat sommige héél geleerde mensen héél weinig affiniteit hebben met het dagelijks leven in bijvoorbeeld een kleuterklas is er ook de vraag naar hoe we hierop terugkijken over enkele jaren. Wat was nodig, wat was efficiënt, wat was effectief, en wat bleek louter het gevolg van blinde paniek?

De verontwaardiging is er toen niet gekomen, en is er tot op heden niet echt. Integendeel, ook al komt ongenoegen nu en dan eens aan de oppervlakte en spreken steeds meer mensen stiekem af in hun eigen huis met hun ouders of naaste familie: het lijkt of onze samenleving stilaan om heeft leren gaan met een samenscholingsverbod en een avondklok. Liberale ministers die ervan uitgaan dat het nog hele tijd zo zal blijven, en dan onder druk (Oef! Toch! Eindelijk!) moeten zeggen dat het zo niet bedoeld is, en dat het zo snel mogelijk afschaffen van maatregelen als samenscholingsverbod en avondklok dan toch de bedoeling is.

Groepsimmuniteit tegen groepsdenken

Voor ik die dag, in de lente van vorig jaar, verbijsterd terug naar huis reed werkte ik in het parlement met name rond gezins- en gezondheidsbeleid, met een focus op kwetsbare mensen en mentaal welzijn. Ik doe dat ook nu nog, maar de link tussen dit (mentaal) welzijn en enkele fundamentele vrijheden is het afgelopen jaar wel héél erg pijnlijk duidelijk geworden.

Die dag, de weken, maanden en intussen jaar erop volgend heb ik vol ongeloof om me heen gekeken hoezeer een ogenschijnlijk sterke en onafhankelijke samenleving zich laat plooien.

Dat maatregelen nodig zijn, dat betwist geen enkel zinnig mens. Maar dat de logica soms ver te zoeken is: daarover is iedereen het intussen eens. Bankjes in de vrije natuur werden afgezet met politielint; je mocht erom heen joggen, maar je mocht er niet op zitten. Moederziel alleen op de zeedijk moet je je masker op maar op de trein erheen of op het perron kan nagenoeg alles. Publieke speeltuintjes en parken en bossen werden afgesloten. Winkeliers die, ook al zijn ze open, stilaan wegkwijnen en alsnog richting definitieve sluiting gaan. De horeca die zich al voorhand neerlegt bij nog maar eens een uitstel van opening...

Diezelfde kleuter, en zijn oudere broers, probeer ik dus, zoals we dat altijd al deden, bij te brengen dat ze kritisch moeten zijn. Bij alles wat ze lezen en horen. Dat ze zich telkens moeten afvragen: Wie vertelt me dit en waarom? Misschien is er nog een andere kant aan het verhaal? Misschien is wat de rest van de hele klas doet, toch niet altijd het juiste?

Meer dan ooit is er het besef dat dit kritisch nadenken cruciaal is, en niet alleen voor mijn jongens.... Het besef dat alle vragen moeten kunnen gesteld worden, en dat alle argumenten moeten kunnen uitgewisseld worden. De vaststelling is dat er het voorbije jaar te weinig ruimte was om stil te staan bij de vele essentiële vrijheden die we snel en ogenschijnlijk makkelijk opgaven. Ik hoop dat het 'nieuwe normaal' hier ook mee breekt. Dat we durven kijken naar ons eigen doen en laten, en niet enkel kritisch zijn ten aanzien van zij die kritisch denken. Als we onze samenleving willen herstellen moeten we ook durven op dit vlak op een ander elan verdergaan. Ik hoop dat we ons collectief herpakken.

Vera Jans is Vlaams parlementslid voor CD&V.

We schrijven 2020, lente, ik pik mijn jongste, een hyperenergieke kleuter van 4,5 op in de kleuterklas. De juf was in de weer met plakband: ze maakte vakken van exact 1.5 meter op 1.5 meter. Afgebakende vakken, 1 vak per kleuter, daarbinnen diende de kleuters te blijven. Niet eruit, niet erover, geen andere kleuter erin. 's Ochtends je vakje in, en als de school klaar is: je vakje uit. Het rustige Limburgse platteland dus, lente, 2020. Kleuters, tussen 2.5 en 6 jaar. Iets met maatregelen, en draaiboeken, en -zo ontdekte ik later-, een samenleving die in paniek was. Mocht dit tafereel zich, pakweg een jaartje eerder, in een ver of nabij buitenland hebben afgespeeld: het zou verontwaardigde reacties regenen en in het parlement zouden resoluties gestemd worden om dit krachtig te veroordelen. We zouden het ons in Vlaanderen niet durven of kunnen indenken, zo zou gesteld worden! Het woord kinderrechten zou vaak vallen. Terecht, zo lijkt me, want als je heel even nuchter en logisch nadenkt (en het afgelopen jaar een kleuter van nabij zag) begrijp je dat je kleuters niet een hele dag in een vak van 1.5 op 1.5 meter kan parkeren? En toch gebeurde het, lente 2020. Zonder verbijstering. Zonder resoluties. Zonder verontwaardiging. En als je het toch aandurfde om er een kritische vraag over te stellen werd je al snel in de hoek van de 'Coronaontkenners' gezet. Een evenwichtig debat over alles in de schaduw van Corona (zoals grond- en mensenrechten, privacy, economie, ...) was, laat ons zeggen: erg moeilijk. Sinds die dag kijk ik geboeid en vaak verbaasd om me heen tijdens deze periode waarin we geconfronteerd worden met Corona. Naast de vaststelling dat sommige héél geleerde mensen héél weinig affiniteit hebben met het dagelijks leven in bijvoorbeeld een kleuterklas is er ook de vraag naar hoe we hierop terugkijken over enkele jaren. Wat was nodig, wat was efficiënt, wat was effectief, en wat bleek louter het gevolg van blinde paniek? De verontwaardiging is er toen niet gekomen, en is er tot op heden niet echt. Integendeel, ook al komt ongenoegen nu en dan eens aan de oppervlakte en spreken steeds meer mensen stiekem af in hun eigen huis met hun ouders of naaste familie: het lijkt of onze samenleving stilaan om heeft leren gaan met een samenscholingsverbod en een avondklok. Liberale ministers die ervan uitgaan dat het nog hele tijd zo zal blijven, en dan onder druk (Oef! Toch! Eindelijk!) moeten zeggen dat het zo niet bedoeld is, en dat het zo snel mogelijk afschaffen van maatregelen als samenscholingsverbod en avondklok dan toch de bedoeling is. Voor ik die dag, in de lente van vorig jaar, verbijsterd terug naar huis reed werkte ik in het parlement met name rond gezins- en gezondheidsbeleid, met een focus op kwetsbare mensen en mentaal welzijn. Ik doe dat ook nu nog, maar de link tussen dit (mentaal) welzijn en enkele fundamentele vrijheden is het afgelopen jaar wel héél erg pijnlijk duidelijk geworden. Die dag, de weken, maanden en intussen jaar erop volgend heb ik vol ongeloof om me heen gekeken hoezeer een ogenschijnlijk sterke en onafhankelijke samenleving zich laat plooien. Dat maatregelen nodig zijn, dat betwist geen enkel zinnig mens. Maar dat de logica soms ver te zoeken is: daarover is iedereen het intussen eens. Bankjes in de vrije natuur werden afgezet met politielint; je mocht erom heen joggen, maar je mocht er niet op zitten. Moederziel alleen op de zeedijk moet je je masker op maar op de trein erheen of op het perron kan nagenoeg alles. Publieke speeltuintjes en parken en bossen werden afgesloten. Winkeliers die, ook al zijn ze open, stilaan wegkwijnen en alsnog richting definitieve sluiting gaan. De horeca die zich al voorhand neerlegt bij nog maar eens een uitstel van opening... Diezelfde kleuter, en zijn oudere broers, probeer ik dus, zoals we dat altijd al deden, bij te brengen dat ze kritisch moeten zijn. Bij alles wat ze lezen en horen. Dat ze zich telkens moeten afvragen: Wie vertelt me dit en waarom? Misschien is er nog een andere kant aan het verhaal? Misschien is wat de rest van de hele klas doet, toch niet altijd het juiste? Meer dan ooit is er het besef dat dit kritisch nadenken cruciaal is, en niet alleen voor mijn jongens.... Het besef dat alle vragen moeten kunnen gesteld worden, en dat alle argumenten moeten kunnen uitgewisseld worden. De vaststelling is dat er het voorbije jaar te weinig ruimte was om stil te staan bij de vele essentiële vrijheden die we snel en ogenschijnlijk makkelijk opgaven. Ik hoop dat het 'nieuwe normaal' hier ook mee breekt. Dat we durven kijken naar ons eigen doen en laten, en niet enkel kritisch zijn ten aanzien van zij die kritisch denken. Als we onze samenleving willen herstellen moeten we ook durven op dit vlak op een ander elan verdergaan. Ik hoop dat we ons collectief herpakken. Vera Jans is Vlaams parlementslid voor CD&V.