De Europese Commissie trok in de zomer van 2018 naar het Europees Hof van Justitie met een klacht tegen België, omdat ons land de Europese richtlijn rond seizoensarbeid niet naar behoren had omgezet. Die richtlijn uit 2014 bepaalt de voorwaarden die EU-lidstaten moeten toepassen wanneer ze arbeidskrachten uit derde landen voor een korte periode - maximaal 9 maanden - toegang willen verlenen tot hun arbeidsmarkten. Het gaat dan vaak om de landbouw- en toerismesector. De richtlijn verzekert dat die arbeiders op dezelfde manier behandeld worden als nationale werknemers op vlak van arbeidsvoorwaarden, salaris en sociale zekerheid, en beschermt hen ook tegen uitbuiting.

België moest die richtlijn tegen 30 september 2016 omzetten in nationale wetgeving, maar dat gebeurde niet. Na bijna twee jaar en enkele aanmaningen trok de Europese Commissie naar het EU-Hof met de vraag een dwangsom van bijna 50.000 euro per dag op te leggen. Maar tot een uitspraak komt het uiteindelijk niet. De Commissie trekt haar klacht in omdat België de richtlijn nu alsnog heeft omgezet in nationaal recht. 'België is zijn verplichtingen nagekomen en heeft de richtlijn volledig omgezet', klinkt het. De omzetting van de richtlijn zorgde niet alleen in België voor problemen. Maar liefst twintig lidstaten ontvingen een aanmaning, waarvan er tegen tien ook een inbreukprocedure werd opgestart.