De academische openingsrede van de Leuvense rector Luc Sels deed veel stof opwaaien. Hij waarschuwde dat de academische vrijheid steeds meer onder druk komt te staan ten gevolge van de polarisering en specifiek de cancelcultuur. Die cancel culture is echter maar een klein probleem in vergelijking met de bredere intimidatie die academici ervaren.

Wat die cancelcultuur betreft, kunnen we kort zijn. Het verwijzen naar het geslacht, de leeftijd of de etnische afkomst van een academicus om zijn of haar onderzoek of onderwijs in twijfel te trekken, is gewoonweg dom en getuigt van intellectuele luiheid. Deze vorm van cancelen komt voor, maar is zeker niet het grootste probleem waar academici mee kampen. Naar mijn bescheiden ervaring zijn vrouwen en minderheden bovendien vaker slachtoffer van gecanceld te worden dan witte mannen.

Erken intimidatie van academici als een arbeidsrisico.

Een groter gevaar is de toenemende intimidatie van wetenschappers wanneer ze met hun onderzoek naar buiten komen over maatschappelijk gevoelige onderwerpen, zoals racisme, ongelijkheid, corona of klimaatopwarming. De intimidaties gaan van publieke aanvallen en vuilspuiterij op sociale media tot haatmails en advocaten die je beginnen afdreigen. De Leuvense rector wees terecht ook op deze gevaarlijke tendens en haalde zelf aan dat hij "steeds meer telefoons, mails of brieven krijgt met de eis om professoren te muilkorven of te ontslaan."

Vaak gaat het om reacties van gefrustreerde burgers, maar soms is het minder onschuldig en zijn de aanvallen georkestreerd. Een politieke partij die bijvoorbeeld haar trollenleger op sociale media activeert of een multinational die een advocatenkantoor op je afstuurt. Op dat moment wordt het publieke debat zeer ongelijk en kiezen veel academici er voor om zich terug te trekken: het zogenaamde 'chilling effect' met zelfcensuur tot gevolg.

Deze machtsongelijkheid geldt nog meer voor jonge academici die van tijdelijk project naar tijdelijk project hollen. Vaak duurt het tot halverwege de dertig voor ze hun eerste contract van onbepaalde duur beet hebben (als ze al in de academische wereld blijven). Deze precariteit maakt jonge academici extra kwetsbaar voor intimidatie. Je komt liever niet in het oog van de storm terecht net voor je nieuwe onderzoeksaanvraag of contractverlenging wordt besproken, want juryleden lezen ook kranten en volgen ook sociale media. Het zijn trouwens terug vrouwen en minderheden die oververtegenwoordigd zijn in deze precaire posities.

De academische wereld hecht terecht steeds meer belang aan wetenschapscommunicatie en maatschappelijke impact van onderzoek. Maar dan moeten universiteiten hun wetenschappers hierbij ook ondersteunen. De intimidatie van academici moet als een arbeidsrisico worden gezien. Debat moet er zijn en academici mogen best wel tegen een stootje kunnen, maar het is voor een individuele wetenschapper een ongelijke strijd om op te boksen tegen georkestreerde aanvallen. Academici zijn ook maar mensen (net zoals journalisten en politici die ook veel bagger mogen slikken).

Universiteiten ontwikkelen daarom best proactief een beleid rond de digitale lynchpartijen van hun personeelsleden. Er is al veel aandacht voor welzijn op het werk aan onze alma maters, maar digitale en juridisch intimidatie is nog onderbelicht. Creëer bijvoorbeeld een HR- en juridisch kader dat een stappenplan klaar heeft bij intimidatie. Train onderzoekers in het psychosociaal leren omgaan met druk op sociale media. Organiseer een bevraging naar de intimidatie van je personeelsleden om het probleem in kaart te brengen. Schrijf als instelling Twitter en Facebook aan wanneer academici disproportioneel worden aangevallen op deze sociale media platformen. Maak een publiek statement ter ondersteuning van de vrijheid van onderzoek en wetenschappelijk debat, ook al delen ze niet het perspectief van de onderzoeker onder vuur. Het gevaar voor zelfcensuur ten gevolge van intimidatie is reëel in de academische wereld. Dit probleem vergt een collectieve aanpak van onze instellingen.

Pieter-Paul Verhaeghe is professor sociologie aan de Vrije Universiteit Brussel.

De academische openingsrede van de Leuvense rector Luc Sels deed veel stof opwaaien. Hij waarschuwde dat de academische vrijheid steeds meer onder druk komt te staan ten gevolge van de polarisering en specifiek de cancelcultuur. Die cancel culture is echter maar een klein probleem in vergelijking met de bredere intimidatie die academici ervaren.Wat die cancelcultuur betreft, kunnen we kort zijn. Het verwijzen naar het geslacht, de leeftijd of de etnische afkomst van een academicus om zijn of haar onderzoek of onderwijs in twijfel te trekken, is gewoonweg dom en getuigt van intellectuele luiheid. Deze vorm van cancelen komt voor, maar is zeker niet het grootste probleem waar academici mee kampen. Naar mijn bescheiden ervaring zijn vrouwen en minderheden bovendien vaker slachtoffer van gecanceld te worden dan witte mannen.Een groter gevaar is de toenemende intimidatie van wetenschappers wanneer ze met hun onderzoek naar buiten komen over maatschappelijk gevoelige onderwerpen, zoals racisme, ongelijkheid, corona of klimaatopwarming. De intimidaties gaan van publieke aanvallen en vuilspuiterij op sociale media tot haatmails en advocaten die je beginnen afdreigen. De Leuvense rector wees terecht ook op deze gevaarlijke tendens en haalde zelf aan dat hij "steeds meer telefoons, mails of brieven krijgt met de eis om professoren te muilkorven of te ontslaan."Vaak gaat het om reacties van gefrustreerde burgers, maar soms is het minder onschuldig en zijn de aanvallen georkestreerd. Een politieke partij die bijvoorbeeld haar trollenleger op sociale media activeert of een multinational die een advocatenkantoor op je afstuurt. Op dat moment wordt het publieke debat zeer ongelijk en kiezen veel academici er voor om zich terug te trekken: het zogenaamde 'chilling effect' met zelfcensuur tot gevolg.Deze machtsongelijkheid geldt nog meer voor jonge academici die van tijdelijk project naar tijdelijk project hollen. Vaak duurt het tot halverwege de dertig voor ze hun eerste contract van onbepaalde duur beet hebben (als ze al in de academische wereld blijven). Deze precariteit maakt jonge academici extra kwetsbaar voor intimidatie. Je komt liever niet in het oog van de storm terecht net voor je nieuwe onderzoeksaanvraag of contractverlenging wordt besproken, want juryleden lezen ook kranten en volgen ook sociale media. Het zijn trouwens terug vrouwen en minderheden die oververtegenwoordigd zijn in deze precaire posities.De academische wereld hecht terecht steeds meer belang aan wetenschapscommunicatie en maatschappelijke impact van onderzoek. Maar dan moeten universiteiten hun wetenschappers hierbij ook ondersteunen. De intimidatie van academici moet als een arbeidsrisico worden gezien. Debat moet er zijn en academici mogen best wel tegen een stootje kunnen, maar het is voor een individuele wetenschapper een ongelijke strijd om op te boksen tegen georkestreerde aanvallen. Academici zijn ook maar mensen (net zoals journalisten en politici die ook veel bagger mogen slikken).Universiteiten ontwikkelen daarom best proactief een beleid rond de digitale lynchpartijen van hun personeelsleden. Er is al veel aandacht voor welzijn op het werk aan onze alma maters, maar digitale en juridisch intimidatie is nog onderbelicht. Creëer bijvoorbeeld een HR- en juridisch kader dat een stappenplan klaar heeft bij intimidatie. Train onderzoekers in het psychosociaal leren omgaan met druk op sociale media. Organiseer een bevraging naar de intimidatie van je personeelsleden om het probleem in kaart te brengen. Schrijf als instelling Twitter en Facebook aan wanneer academici disproportioneel worden aangevallen op deze sociale media platformen. Maak een publiek statement ter ondersteuning van de vrijheid van onderzoek en wetenschappelijk debat, ook al delen ze niet het perspectief van de onderzoeker onder vuur. Het gevaar voor zelfcensuur ten gevolge van intimidatie is reëel in de academische wereld. Dit probleem vergt een collectieve aanpak van onze instellingen.Pieter-Paul Verhaeghe is professor sociologie aan de Vrije Universiteit Brussel.