M.A. was een van de vele transmigranten die in 2017 in het Maximiliaanpark in Brussel verbleven met de bedoeling het Verenigd Koninkrijk te bereiken. Nadat hij tijdens zo'n poging door de politie was opgepakt en nadien werd opgesloten, diende hij een asielaanvraag in, die hij later weer introk. Hij gaf aan dat hij gevlucht was uit zijn land, waar hij gezocht werd.

Zoals bekend deed toenmalig staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken (N-VA) in die periode een beroep op een identificatiemissie uit Soedan - iets waar veel kritiek op kwam. Na een vergadering met die missie en leden van de Soedanese ambassade kreeg M.A. van die ambassade een toelating om terug naar Soedan te reizen, zodat hij kon worden uitgewezen. Hoewel er nog een juridische procedure over zijn opsluiting hangende was, stemde M.A. uiteindelijk in met zijn uitwijzing. Al beweerde hij dat hij voorafgaand op de luchthaven werd benaderd door een man in een uniform die hem in het Arabisch duidelijk maakte dat er sowieso pogingen zouden gebeuren om hem te verwijderen.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wijst er dinsdag op dat de situatie in Soedan in die periode problematisch was. In die omstandigheden mocht de Belgische regering er niet van uitgaan dat de man geen ernstig risico liep en had ze dat op voorhand moeten nagaan en niet achteraf, zoals hier het geval was. Het Hof wijst nog op verschillende procedurele tekortkomingen. Zo was er blijkbaar geen vertaler aanwezig tijdens het gesprek voorafgaand aan zijn opsluiting, terwijl hij enkel Arabisch begreep.

Die tekortkomingen kunnen volgens de rechters verklaren waarom M.A zich niet altijd consistent gedroeg tijdens de procedure en waarom hij maar karig was met informatie aan de autoriteiten. Op basis van het document dat werd ingevuld op basis van zijn verklaringen, blijkt volgens het EHRM dat er enkel algemene vragen werden gesteld over de risico's die M.A. kon lopen in Soedan. Er waren geen verwijzingen naar zijn precieze afkomst of naar de reden waarom hij het land was ontvlucht.

Daarom meent het Hof dat de Belgische regering onvoldoende de risico's had nagegaan die M.A. liep onder artikel 3. De omstandigheden waarin M.A. werd geïdentificeerd, doen voor het EHRM ook vragen rijzen. De man die hem interviewde, sprak geen vloeiend Arabisch en M.A. was op voorhand niet ingelicht dat zo'n gesprek zou plaatsvinden.

Naast een inbreuk op artikel 3 vindt het EHRM ook dat ons land artikel 13 met de voeten trad, dat het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel moet garanderen. Het verwijst daarmee naar een vonnis van een Brusselse rechter, die had opgelegd dat M.A. niet zomaar kon worden verwijderd terwijl er nog een verzoek liep tegen zijn opsluiting.

M.A. was een van de vele transmigranten die in 2017 in het Maximiliaanpark in Brussel verbleven met de bedoeling het Verenigd Koninkrijk te bereiken. Nadat hij tijdens zo'n poging door de politie was opgepakt en nadien werd opgesloten, diende hij een asielaanvraag in, die hij later weer introk. Hij gaf aan dat hij gevlucht was uit zijn land, waar hij gezocht werd. Zoals bekend deed toenmalig staatssecretaris voor Asiel en Migratie Theo Francken (N-VA) in die periode een beroep op een identificatiemissie uit Soedan - iets waar veel kritiek op kwam. Na een vergadering met die missie en leden van de Soedanese ambassade kreeg M.A. van die ambassade een toelating om terug naar Soedan te reizen, zodat hij kon worden uitgewezen. Hoewel er nog een juridische procedure over zijn opsluiting hangende was, stemde M.A. uiteindelijk in met zijn uitwijzing. Al beweerde hij dat hij voorafgaand op de luchthaven werd benaderd door een man in een uniform die hem in het Arabisch duidelijk maakte dat er sowieso pogingen zouden gebeuren om hem te verwijderen. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens wijst er dinsdag op dat de situatie in Soedan in die periode problematisch was. In die omstandigheden mocht de Belgische regering er niet van uitgaan dat de man geen ernstig risico liep en had ze dat op voorhand moeten nagaan en niet achteraf, zoals hier het geval was. Het Hof wijst nog op verschillende procedurele tekortkomingen. Zo was er blijkbaar geen vertaler aanwezig tijdens het gesprek voorafgaand aan zijn opsluiting, terwijl hij enkel Arabisch begreep. Die tekortkomingen kunnen volgens de rechters verklaren waarom M.A zich niet altijd consistent gedroeg tijdens de procedure en waarom hij maar karig was met informatie aan de autoriteiten. Op basis van het document dat werd ingevuld op basis van zijn verklaringen, blijkt volgens het EHRM dat er enkel algemene vragen werden gesteld over de risico's die M.A. kon lopen in Soedan. Er waren geen verwijzingen naar zijn precieze afkomst of naar de reden waarom hij het land was ontvlucht. Daarom meent het Hof dat de Belgische regering onvoldoende de risico's had nagegaan die M.A. liep onder artikel 3. De omstandigheden waarin M.A. werd geïdentificeerd, doen voor het EHRM ook vragen rijzen. De man die hem interviewde, sprak geen vloeiend Arabisch en M.A. was op voorhand niet ingelicht dat zo'n gesprek zou plaatsvinden. Naast een inbreuk op artikel 3 vindt het EHRM ook dat ons land artikel 13 met de voeten trad, dat het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel moet garanderen. Het verwijst daarmee naar een vonnis van een Brusselse rechter, die had opgelegd dat M.A. niet zomaar kon worden verwijderd terwijl er nog een verzoek liep tegen zijn opsluiting.