In het jaar 2020 zal de 100ste verjaardag herdacht worden van de ondertekening van het Verdrag van Versailles waarbij de Oostkantons bij België gevoegd werden, waar zij sedert het Congres van Wenen (1815) deel uitmaakten van Duitsland. Zonder deze aanhechting en zonder de hervorming van België in een federale staat, zou de autonome Duitstalige Gemeenschap nooit het daglicht gezien hebben.

Diegenen die men vaak vergeet

De Duitstalige Belgen hebben als nationale minderheid - ongeveer 77.000 inwoners wonende in 9 gemeenten met een territorium van 854 km² - geen enkele noemenswaardige invloed kunnen uitoefenen bij het tot stand komen en bij de evolutie van het Belgisch federale model. Deze instellingen en hun werking zijn in feite het resultaat van subtiele compromissen die gesloten werden ingevolge de harde confrontatie van de standpunten van de Vlamingen en Franstaligen. De complexe resultaten die bereikt werden na langdurige onderhandelingen bleken achteraf weinig evenwichtig en onzeker te zijn zodat ze, meestal na een decennium, terug aanleiding gaven tot nieuwe onderhandelingen.

De Duitstalige Belgen hebben er alle belang bij deze institutionele dynamiek te situeren in zijn historische context en hieruit de nodige lessen te trekken voor de toekomst. Zodoende zullen zij zich kunnen voorbereiden op de mogelijke toekomstige scenario's en de gevolgen ervan voor hun Gemeenschap. Tijdens de legislatuur 2014-2019 heeft het Duitstalig Parlement zich dan ook voor deze taak ingezet door het organiseren van studiedagen, door het opvragen van wetenschappelijke studies en door het goedkeuren, op 6 mei van dit jaar, van een belangrijke resolutie over de toekomstige ontwikkeling en autonomie van de Duitstalige Gemeenschap. Dit document is een verdere uitwerking van een resolutie van 27 juni 2011 waarbij het Parlement zich bereid verklaarde alle bestaande en toekomstige bevoegdheden uit te oefenen die overgedragen worden aan de Gemeenschappen en Gewesten, mits zij hiervoor kan beschikken over de nodige financiële middelen.

Een zwak federaal systeem

Het Belgisch federalisme heeft als kenmerk het tweeledig en asymmetrisch karakter van zijn gefedereerde entiteiten. Dit is het gevolg van een subtiel compromis tussen de Vlaamse en de Franstalige standpunten over het federale systeem in het algemeen en het statuut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in het bijzonder. De vooropgestelde oplossing bestond uit het toekennen van de gefedereerde bevoegdheden aan twee verschillende entiteiten: de Gewesten met het BHG enerzijds en de Gemeenschappen anderzijds die samen hun bevoegdheden uitoefenen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat bijgevolg gelijktijdig behoort tot drie gefedereerde entiteiten. Toegepast op de Duitstalige regio heeft deze vreemde logica tot gevolg dat bedoelde regio zowel deel uitmaakt van het Duitstalig Gemeenschap als van het Waalse Gewest.

Kan een dergelijk model in concreto functioneren? De gevolgen van het tweeledig karakter van het systeem werden voor een ruim deel geneutraliseerd om te vermijden dat het compromis omtrent Brussel een onaanvaardbaar inefficiënt functioneren van de andere entiteiten tot gevolg zou hebben. De Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest hebben van bij de aanvang hun organen (regering en parlement) gefusioneerd. Aan Franstalige kant werden talrijke bevoegdheden overgedragen van de Franstalige Gemeenschap naar het Franstalig Gewest of naar het Brusselse COCOF. Bovendien werden er dubbelmandaten gecreëerd op het niveau van de respectievelijke parlementen en regeringen. De Duitstalige Gemeenschap kon genieten van de overdracht van bevoegdheden vanuit het Waalse Gewest bij toepassing van artikel 139 van de grondwet waardoor monumentenzorg, tewerkstelling, toerisme, lokale besturen, ruimtelijke ordening, huisvesting en energie overgedragen werden.

Een klein tiental jaren geleden werden bij de zesde staatshervorming een aantal belangrijke bevoegdheden en financiële middelen overgedragen naar de gefedereerde entiteiten. Meteen werd ook de verantwoordelijkheid van deze deelgebieden vergroot voor wat de financiering betreft. Bovendien werd de solidariteit tussen de verschillende beleidsniveaus merkelijk gewijzigd. Het Belgisch federaal systeem is opnieuw het voorwerp van kritiek vanuit verschillende hoeken. Sommigen willen de werking van de instellingen verbeteren door het herfederaliseren, anderen door het verder regionaliseren van bepaalde bevoegdheden; nog anderen zijn voorstander van een grondige hervorming. Hun voorstel is een confederaal model waarbij de intern-Belgische solidariteit verregaand zou gewijzigd worden.

Een nieuw 'Belgisch compromis'?

Zal het mogelijk zijn een nieuw 'Belgisch compromis' te verzinnen uitgaande van onverzoenbare standpunten in een quasi-liturgische sfeer? Zullen de eindeloze onderhandelingen, zoals in het verleden, resulteren in ingewikkelde oplossingen waarmede iedereen zonder gezichtsverlies kan leven en die het voordeel hebben dat ze toch werkbaar zijn in de praktijk? Niemand kan een antwoord geven op deze vragen en een mislukking kan niet uitgesloten worden. Spijts haar zwakheden en onvolkomenheden heeft het Belgisch compromis-model haar sporen verdiend en wekt het, niet zonder reden, de nieuwsgierigheid en soms de bewondering van talrijke observatoren.

Het Belgisch federale model, met zijn centrifugale aspecten en zijn confederale trekjes, kan maar overleven op voorwaarde dat men bij dit alles erin slaagt een zeker evenwicht te realiseren die gedragen wordt door zin voor samenwerking en solidariteit en voor zover dat dit op alle niveaus ervaren wordt als een echte toegevoegde waarde.

De zienswijze van de Duitstalige Gemeenschap, namelijk een federaal model met vier (Vlaanderen, Wallonië, Brussel en Ostbelgiën), ligt in de lijn van de evolutie van het land sedert de besluiten van het Centrum Harmel in 1958 waarin reeds sprake is van de tegenstellingen tussen Walen en Vlamingen 'die de Belgische eenheid in gevaar kunnen brengen'. Een grote meerderheid van de betrokken bevolking identificeert zich met deze vier institutionele realiteiten. Dit geldt niet alleen voor Vlaanderen en Wallonië maar ook meer en meer voor Brussel en in het bijzonder voor de Vlamingen die er wonen. En dit is natuurlijk ook het geval bij de inwoners van de Duitstalige Gemeenschap. Dit vierdelig model biedt bovendien bij de werking van de Belgische instellingen enig tegenwicht tegen de overheersende bipolarisatie met alle mogelijke conflicten van dien. Het hoeft bovendien geen betoog dat een nauwe samenwerking in het kader van de regionale en de gemeenschaps-bevoegdheden een waarborg is voor een efficiënt en goed bestuur.

Een België met vier sluit natuurlijk niet uit dat op bepaalde gebieden er specifieke oplossingen toegepast worden. Niets belet bovendien dat er van in den beginne bepaalde asymmetrische elementen behouden blijven teneinde een evenwichtig compromis tot stand te brengen. Dit geldt voor het Brussels Gewest waar specifieke regels van toepassing moeten zijn voor zijn relaties met Wallonië en Vlaanderen en waar de instellingen een harmonieuze samenleving moeten verzekeren tussen de Franstalige en Nederlandstalige Brusselaars. Dit geldt ook voor de Duitstalige Gemeenschap in verband met haar bijzondere betrekkingen met Wallonië.

Het verschil in grootte van de gefedereerde entiteiten zal zeker geen hindernis zijn voor de goede werking van een België met vier. Inderdaad, het voorbeeld van Zwitserland en Canada tonen aan dat op dat niveau ieder probleem opgelost kan worden door samenwerking.

Op de vraag of België op lange termijn nog een toekomst heeft kan thans geen duidelijk en definitief antwoord gegeven worden. Ik ben er trouwens van overtuigd dat het voorbestaan van het land een meerwaarde betekent. Het verdwijnen ervan zou immers enorme problemen met zich meebrengen.

Karl-Heinz Lambertz is voorzitter van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap. Hij is lid van B Plus.