Vlaanderen telt vandaag honderden sociale ondernemingen. Kinderen met leer- en gedragsstoornissen, jongeren en volwassenen met een handicap, kinderen in zeer problematische thuissituaties, ouderen die hulp nodig hebben of de tienduizenden kinderen die dagelijks hun weg vinden naar de kinderdagverblijven, het is maar een greep uit het aanbod van de sociale ondernemingen. Deze ondernemingen worden sociaal genoemd omdat ze maatschappelijke problemen willen oplossen of sociale noden willen lenigen. Sociale ondernemingen keren geen winsten uit aan aandeelhouders, maar investeren hun middelen in goed opgeleid personeel en zorg van de hoogste kwaliteit.

Begin deze maand werd voor de sociale ondernemingen de teerling geworpen. De Zweedse coalitie sloot een nieuw regeerakkoord waarin het toekomstig sociaal ondernemingsklimaat voor Vlaanderen wordt geschetst. Het centraal plaatsen van de cliënt - sommige spreken van klant, het efficiënter omspringen met middelen en personeel en het stimuleren van innovatie, kunnen we alleen maar toejuichen. Dat zijn bovendien evidente opdrachten voor elke sociale onderneming.

Maar er is ook reden tot bezorgdheid. Sociale ondernemers verwachten van de overheid eigenlijk hetzelfde als alle andere ondernemers: een stabiel, transparant én duidelijk ondernemingsklimaat. Ook een sociale onderneming kijkt naar de toekomst en wenst een aantal garanties die noodzakelijk zijn om zich verder te kunnen ontwikkelen.

Belangrijk is bijvoorbeeld dat engagementen en afspraken die de vorige regering maakte, worden nagekomen. Uit de begrotingstabellen van de nieuwe regering kunnen we aflezen dat dit niet gebeurt. Zo zal de ongelijke verloning tussen personeelsleden in voornamelijk nieuwe kinderdagverblijven en de traditionele kinderdagverblijven niet meteen verdwijnen, hoewel eerder werd beloofd deze verschillen tegen 2020 weg te werken. Het loonverschil heeft te maken met een verschillend statuut, dat - kort door de bocht - enkel afhankelijk is van de datum van oprichting van het kinderdagverblijf.

De privatisering van de zorg zou wel eens kunnen leiden tot een race to the bottom.

De verschillende kinderdagverblijven doen net hetzelfde maar het personeel wordt anders verloond. Het is ons een raadsel hoe men het verschil in verloning van twee kinderverzorgsters of -verzorgers met precies dezelfde kwalificaties en anciënniteit, die echter werken in een kinderdagverblijf met een verschillend statuut, kan blijven verantwoorden. Dat loonverschil kan maar liefst oplopen tot 1000 euro bruto per maand.

Dat leidt tot oneigenlijke concurrentie en daarom helaas tot grote kwaliteitsverschillen tussen kinderdagverblijven. De beste kinderopvoedsters worden immers weggekaapt door kinderdagverblijven die de hoogste lonen kunnen betalen. Als de belofte om die lonen op hetzelfde niveau te brengen niet wordt nagekomen, dan kunnen we nauwelijks spreken van een overheid die een gunstig, duurzaam en kwaliteitsvol ondernemingsklimaat stimuleert.

Een beleid dat het sociaal ondernemen vergemakkelijkt - of beter nog: stimuleert - en dat sociale ondernemingen toelaat om een divers aanbod te ontwikkelen, is op dit moment afwezig. Nog een voorbeeld. Een volwassene met een handicap die een beroep wil doen op zowel thuishulp als professionele vrijetijdsbesteding zal daarvoor verschillende sociale ondernemingen moeten aanspreken. Het is immers niet mogelijk dat één sociale onderneming voor een klant met een handicap zelf afspraken maakt met andere ondernemingen. Dat is natuurlijk jammer voor de klant, want die moet met verschillende ondernemers in overleg gaan. Dat is lastig, ingewikkeld en tijdrovend. Voor de onderneming is het eveneens frustrerend omdat ze de klant niet ten volle kan helpen, zelfs als ze dat zou willen. Het mag gewoon niet.

Als het de uitdaging is - en dat moet het zijn - om meer vanuit de klant en zijn of haar zorgnoden te vertrekken, dan moeten sociale ondernemingen vlot kunnen samenwerken. Je kan immers pas de dienstverlening voor de klant verbeteren, als je met elkaar kunt samenwerken. Samenwerking zal ook de efficiëntie verhogen en precies dat is de bedoeling. De klant kan in dat geval een onderneming aanspreken met verschillende zorgvragen, en de onderneming zoekt naar een oplossing. Het is een variant op het één-loketsysteem dat bij de meeste gemeentebesturen al een hele tijd in voege is. Je schuift niet nodeloos aan bij verschillende loketten, één loketbediende zorgt ervoor dat je geholpen wordt.

Ook bij sociale ondernemingen zorgt zo'n systeem ervoor dat de klant vlotter geholpen wordt. Het stimuleert ook de innovatie bij sociale ondernemingen, want samenwerking vergt uiteraard een heel nieuwe aanpak. De complexe regelgeving die vandaag bestaat, remt deze gunstige evoluties af en het regeerakkoord vertelt niet hoe deze complexiteit zal worden weggenomen.

Tenslotte maakt het Vlaams regeerakkoord een belangrijke opening naar commerciële spelers in de zorg, zonder duidelijkheid te verschaffen hoe een gelijk speelveld tussen sociale ondernemers en commerciële ondernemingen zal worden gecreëerd. De loon- en arbeidsvoorwaarden en de kwalificatievoorwaarden van personeelsleden zijn fundamenteel hoger in de vergunde sector, zeg maar de huidige 'sociale ondernemingen'.

Commerciële ondernemingen kunnen lagere lonen uitbetalen en hoeven niet hetzelfde gekwalificeerde personeel te hebben. Deze privatisering van de zorg zou wel eens kunnen leiden tot een race to the bottom, met steeds lagere lonen en steeds beperktere kwaliteitsvereisten voor zorgverstrekkers. Dat is niet enkel nefast voor werknemers in de zorgsector, maar uiteraard ook voor de klant die afhankelijk is van die zorg. Wie terecht komt bij de commerciële sector riskeert geconfronteerd te worden met minder kwaliteit én personeel dat werkt aan lagere lonen en onder slechtere arbeidsvoorwaarden. Om dat te verhinderen en het kwaliteitsniveau voor de klant hoog te houden, moet het vergunningsbeleid voor alle zorg- en welzijnsaanbieders hetzelfde zijn.

Wij pleiten voor een welzijnsbeleid dat innovatie stimuleert en ondersteunt. De zorgnoden in Vlaanderen zijn, onder meer door verdere vergroening en vergrijzing, enorm groot. En laten we eerlijk zijn, die noden kunnen nooit helemaal door het overheidsbudget worden opgelost. Daarom zijn innovatie, creatieve organisatie en financiering in de sector van het sociale ondernemen noodzakelijk. Sociale ondernemingen willen niet enkel mensen bijstaan, ze willen ook een kwaliteitsvolle partner van de overheid zijn. Maar dan moet de liefde van beide kanten komen en moet de overheid het sociale ondernemen ook alle kansen geven.

Patrick Vander Weyden

Algemeen Directeur SOM, de federatie van sociale ondernemingen

Vlaanderen telt vandaag honderden sociale ondernemingen. Kinderen met leer- en gedragsstoornissen, jongeren en volwassenen met een handicap, kinderen in zeer problematische thuissituaties, ouderen die hulp nodig hebben of de tienduizenden kinderen die dagelijks hun weg vinden naar de kinderdagverblijven, het is maar een greep uit het aanbod van de sociale ondernemingen. Deze ondernemingen worden sociaal genoemd omdat ze maatschappelijke problemen willen oplossen of sociale noden willen lenigen. Sociale ondernemingen keren geen winsten uit aan aandeelhouders, maar investeren hun middelen in goed opgeleid personeel en zorg van de hoogste kwaliteit.Begin deze maand werd voor de sociale ondernemingen de teerling geworpen. De Zweedse coalitie sloot een nieuw regeerakkoord waarin het toekomstig sociaal ondernemingsklimaat voor Vlaanderen wordt geschetst. Het centraal plaatsen van de cliënt - sommige spreken van klant, het efficiënter omspringen met middelen en personeel en het stimuleren van innovatie, kunnen we alleen maar toejuichen. Dat zijn bovendien evidente opdrachten voor elke sociale onderneming.Maar er is ook reden tot bezorgdheid. Sociale ondernemers verwachten van de overheid eigenlijk hetzelfde als alle andere ondernemers: een stabiel, transparant én duidelijk ondernemingsklimaat. Ook een sociale onderneming kijkt naar de toekomst en wenst een aantal garanties die noodzakelijk zijn om zich verder te kunnen ontwikkelen.Belangrijk is bijvoorbeeld dat engagementen en afspraken die de vorige regering maakte, worden nagekomen. Uit de begrotingstabellen van de nieuwe regering kunnen we aflezen dat dit niet gebeurt. Zo zal de ongelijke verloning tussen personeelsleden in voornamelijk nieuwe kinderdagverblijven en de traditionele kinderdagverblijven niet meteen verdwijnen, hoewel eerder werd beloofd deze verschillen tegen 2020 weg te werken. Het loonverschil heeft te maken met een verschillend statuut, dat - kort door de bocht - enkel afhankelijk is van de datum van oprichting van het kinderdagverblijf. De verschillende kinderdagverblijven doen net hetzelfde maar het personeel wordt anders verloond. Het is ons een raadsel hoe men het verschil in verloning van twee kinderverzorgsters of -verzorgers met precies dezelfde kwalificaties en anciënniteit, die echter werken in een kinderdagverblijf met een verschillend statuut, kan blijven verantwoorden. Dat loonverschil kan maar liefst oplopen tot 1000 euro bruto per maand. Dat leidt tot oneigenlijke concurrentie en daarom helaas tot grote kwaliteitsverschillen tussen kinderdagverblijven. De beste kinderopvoedsters worden immers weggekaapt door kinderdagverblijven die de hoogste lonen kunnen betalen. Als de belofte om die lonen op hetzelfde niveau te brengen niet wordt nagekomen, dan kunnen we nauwelijks spreken van een overheid die een gunstig, duurzaam en kwaliteitsvol ondernemingsklimaat stimuleert. Een beleid dat het sociaal ondernemen vergemakkelijkt - of beter nog: stimuleert - en dat sociale ondernemingen toelaat om een divers aanbod te ontwikkelen, is op dit moment afwezig. Nog een voorbeeld. Een volwassene met een handicap die een beroep wil doen op zowel thuishulp als professionele vrijetijdsbesteding zal daarvoor verschillende sociale ondernemingen moeten aanspreken. Het is immers niet mogelijk dat één sociale onderneming voor een klant met een handicap zelf afspraken maakt met andere ondernemingen. Dat is natuurlijk jammer voor de klant, want die moet met verschillende ondernemers in overleg gaan. Dat is lastig, ingewikkeld en tijdrovend. Voor de onderneming is het eveneens frustrerend omdat ze de klant niet ten volle kan helpen, zelfs als ze dat zou willen. Het mag gewoon niet.Als het de uitdaging is - en dat moet het zijn - om meer vanuit de klant en zijn of haar zorgnoden te vertrekken, dan moeten sociale ondernemingen vlot kunnen samenwerken. Je kan immers pas de dienstverlening voor de klant verbeteren, als je met elkaar kunt samenwerken. Samenwerking zal ook de efficiëntie verhogen en precies dat is de bedoeling. De klant kan in dat geval een onderneming aanspreken met verschillende zorgvragen, en de onderneming zoekt naar een oplossing. Het is een variant op het één-loketsysteem dat bij de meeste gemeentebesturen al een hele tijd in voege is. Je schuift niet nodeloos aan bij verschillende loketten, één loketbediende zorgt ervoor dat je geholpen wordt. Ook bij sociale ondernemingen zorgt zo'n systeem ervoor dat de klant vlotter geholpen wordt. Het stimuleert ook de innovatie bij sociale ondernemingen, want samenwerking vergt uiteraard een heel nieuwe aanpak. De complexe regelgeving die vandaag bestaat, remt deze gunstige evoluties af en het regeerakkoord vertelt niet hoe deze complexiteit zal worden weggenomen.Tenslotte maakt het Vlaams regeerakkoord een belangrijke opening naar commerciële spelers in de zorg, zonder duidelijkheid te verschaffen hoe een gelijk speelveld tussen sociale ondernemers en commerciële ondernemingen zal worden gecreëerd. De loon- en arbeidsvoorwaarden en de kwalificatievoorwaarden van personeelsleden zijn fundamenteel hoger in de vergunde sector, zeg maar de huidige 'sociale ondernemingen'. Commerciële ondernemingen kunnen lagere lonen uitbetalen en hoeven niet hetzelfde gekwalificeerde personeel te hebben. Deze privatisering van de zorg zou wel eens kunnen leiden tot een race to the bottom, met steeds lagere lonen en steeds beperktere kwaliteitsvereisten voor zorgverstrekkers. Dat is niet enkel nefast voor werknemers in de zorgsector, maar uiteraard ook voor de klant die afhankelijk is van die zorg. Wie terecht komt bij de commerciële sector riskeert geconfronteerd te worden met minder kwaliteit én personeel dat werkt aan lagere lonen en onder slechtere arbeidsvoorwaarden. Om dat te verhinderen en het kwaliteitsniveau voor de klant hoog te houden, moet het vergunningsbeleid voor alle zorg- en welzijnsaanbieders hetzelfde zijn. Wij pleiten voor een welzijnsbeleid dat innovatie stimuleert en ondersteunt. De zorgnoden in Vlaanderen zijn, onder meer door verdere vergroening en vergrijzing, enorm groot. En laten we eerlijk zijn, die noden kunnen nooit helemaal door het overheidsbudget worden opgelost. Daarom zijn innovatie, creatieve organisatie en financiering in de sector van het sociale ondernemen noodzakelijk. Sociale ondernemingen willen niet enkel mensen bijstaan, ze willen ook een kwaliteitsvolle partner van de overheid zijn. Maar dan moet de liefde van beide kanten komen en moet de overheid het sociale ondernemen ook alle kansen geven.Patrick Vander WeydenAlgemeen Directeur SOM, de federatie van sociale ondernemingen