Samen met tal van anderen, van autodidact staatsfinanciën tot stafmedewerker van de studiedienst van de Vlaamse Regering, heb ik met ongeduld gewacht op het verschijnen van de transferstudie van André Decoster en Willem Sas. Het rapport ligt er nu en - het moet gezegd - is de lectuur meer dan waard. Als we beginnen te tellen medio jaren tachtig, zijn we inmiddels zo'n tien onderzoeksstudies naar de interregionale geldstromen verder. Minister-president Geert Bourgeois bestelde deze studie bij de KULeuven, waar Decoster en Sas de experts in publieke financiën bij uitstek zijn.

De studie van Decoster en Sas is er gekomen op vraag van de Vlaamse Regering. Zo is meteen de toon gezet: duidelijkheid scheppen over het transferbedrag en de kanalen waarlangs geld wegvloeit uit Vlaanderen is een kwestie van publiek belang.

Ofschoon ik onder geen beding twijfel aan de ernst waarmee vorige studies werden uitgevoerd, is er aan dit onderzoek geen rechtstreeks politiek of zakelijk belang verbonden. In het verleden voerden banken (de KBC), ziekenfondsen, werkgeversorganisaties, universiteiten en V-partijen studies uit naar de transfers. Er ontstond een opbod over de cijfers. Een methodologische discussie - wat zijn criteria om iets als transfer op te nemen en hoe tel je ze op - was er te weinig.

Dubbel gevoel

Als bewogen Vlaming voelde ik me altijd dubbel bij de transfercijfers die naar aanleiding van een afgesloten transferenquête in de krant stonden te lezen. Langs de ene kant was het natuurlijk niks om blij over te worden, want het onderzoek naar de transfers toonde telkens aan dat de afdrachten disproportioneel en over het algemeen ondoorzichtig bleven. Of het ging over bedragen die rond de vijf miljard euro of rond de tien miljard cirkelden vond ik steeds bijzaak.

De manier waarop de geldstromen hun weg zoeken door het Belgische staatshuishouden zijn, op zich, moreel gesproken problematisch. Het gaat zogezegd goeddeels om interpersoonlijke solidariteit op basis van fiscale en parafiscale ontvangsten, maar heel Wallonië, van het welvarende Waals-Brabantse Lasne tot het immer noodlijdende Tubeke (in dezelfde provincie!), staat pal om de transfers te rechtvaardigen. Daar klopt iets niet.

Anderzijds - en dat verklaart mijn dubbel gevoel - was er geen enkel onderzoek dat het bestaan van de transfers loochende. Wat mij uiteraard sterkte in mijn engagement. Niet onbelangrijk om op de nagel van een abstract thema te blijven slaan.

In mijn eerste bijdrage aan de Doordenkers-reeks op Knack.be deze zomer signaleerde ik al dat er zoiets dreigt te ontstaan als 'transfermoeheid'. De focus is eenzijdig gelegd op de bedragen en heel het debat tendeert in de richting van straf-straffer-strafst. Decoster en Sas houden het op zo'n 6 miljard transfers uit Vlaanderen. Een bedrag om van te duizelen. De afgelopen jaren circuleerden ook bedragen van 12 miljard en meer. Nog enkele jaren en pakweg 18 miljard kwam in zicht.

Daaraan heeft Bourgeois nu een einde gesteld. Zo helpen Decoster en Sas een discussie te beslechten over de aggregatie (optelling) van de zogenaamde 'transferkanalen'. Er zijn (i.) de federale begroting, (ii.) de sociale zekerheid, (iii.) de financiering van de Gewesten en Gemeenschappen en tot slot (iv.) de staatsschuld, meer bepaald de intrestlasten daarop. Of dat vierde transferkanaal klakkeloos bij de andere mag worden opgeteld, leidde tot stevige discussies. De jongste studie stelt dat er in feite geen sprake is van een berekenbare transfer in de rente op de openbare schuld, omdat je moet weten wat je wil meten: de Vlaamse geldstroom op jaarbasis of een gecumuleerd perspectief, berekend voor één moment. Maar dat zou onvermijdelijk een dubbeltelling betekenen.

Weten is meten en meten is herhalen

Ik weet het: ik lijk nogal kritiekloos tegenover het nieuwe transferonderzoek, wat sommigen me misschien niet in dank zullen afnemen. Maar dat is niet zo. Wat ik vooral toejuich is dat de discussie eindelijk eens verlegd zal worden naar de manieren om de transfers te berekenen. De methodologische verantwoording van Decoster en Sas is sterk, maar ongetwijfeld valt er ook iets tegenin te brengen.

Wat mij als mogelijk punt van kritiek vooral opvalt, is de impliciete convergentie die de Leuvense studaxen zoeken met de zes miljard euro die ook andere onderzoekers nawezen. Steun aan bedrijven, ambtenarenlonen: Decoster en Sas verrekenen het allemaal en maken duidelijk waarin hun studie verschilt van de andere. Ze spreken uitdrukkelijk van de 'perimeter' van het onderzoek en palen die heel nauwkeurig af. Mag ik niettemin veronderstellen dat er nog een pak 'terra incognita' buiten die perimeter ligt? Is het stout van mij om te besluiten dat we het nu wel eens zijn over de top van de ijsberg, maar dat we geen flauw vermoeden hebben van de werkelijke massa onder de waterlijn?

Elk jaar duiken er nieuwe transfers op. De nieuwe studie geneest mij niet van mijn oordeel dat de inefficiënte Belgische structuur een grootschalige transfermachine is. De onderzoekers stellen vast dat een flinke financiële crisis de transfer doet krimpen. En dat de dotatielogica verantwoordelijk is voor het leeuwendeel van de geldstromen. Defederalisering van bevoegdheden doet de transfers niet krimpen. Dat gebeurt alleen maar indien zeggenschap over de middelen (voor een deel) mee volgt.

Zolang dat niet verworven is, bepleit ik een geregelde herhaling van dit onderzoek, met inachtneming van de gehanteerde rigoureuze methodologische criteria. Wil je weten waarover je spreekt, dan moet je inderdaad meten. Maar weten door te meten kan niet zonder herhaling. De fluctuatie van de transfers uit Vlaanderen is misschien wel belangrijker dan het totaalbedrag zelf. Wie de dynamiek achter de geldstroom begrijpt, kan hefbomen installeren om er iets aan te doen.

Twee jaar geleden, in 2015, vroegen we met de VVB aan de poorten van De Schorre in Boom op een N-VA-partijfeest dat Geert Bourgeois na 'a' over de transfers ook 'b' zou zeggen. Laat ons voorlopig concluderen dat 'a accent' nu gevallen is. De 'b' waarop een ruim deel van Vlaanderen wacht - want de transferproblematiek is ruimer bekend dan velen in politiek en middenveld vermoeden -, is de eis van fiscale autonomie. Zeggenschap over tarieven, belastbare grondslag en de inning zelf die ons helpt te breken met de dotatielogica en de op- en afcentiemen van het Vlinderakkoord uit 2011.

We volgen met belangstelling hoe de politieke vertaling van deze nuchtere studie haar weg zoekt in de verkiezingsprogramma's. Dus: mag het nog een beetje meer zijn? Niet de financiële afdrachten, maar de politieke daad die nu bij het academische woord dient gevoegd.

Samen met tal van anderen, van autodidact staatsfinanciën tot stafmedewerker van de studiedienst van de Vlaamse Regering, heb ik met ongeduld gewacht op het verschijnen van de transferstudie van André Decoster en Willem Sas. Het rapport ligt er nu en - het moet gezegd - is de lectuur meer dan waard. Als we beginnen te tellen medio jaren tachtig, zijn we inmiddels zo'n tien onderzoeksstudies naar de interregionale geldstromen verder. Minister-president Geert Bourgeois bestelde deze studie bij de KULeuven, waar Decoster en Sas de experts in publieke financiën bij uitstek zijn.De studie van Decoster en Sas is er gekomen op vraag van de Vlaamse Regering. Zo is meteen de toon gezet: duidelijkheid scheppen over het transferbedrag en de kanalen waarlangs geld wegvloeit uit Vlaanderen is een kwestie van publiek belang. Ofschoon ik onder geen beding twijfel aan de ernst waarmee vorige studies werden uitgevoerd, is er aan dit onderzoek geen rechtstreeks politiek of zakelijk belang verbonden. In het verleden voerden banken (de KBC), ziekenfondsen, werkgeversorganisaties, universiteiten en V-partijen studies uit naar de transfers. Er ontstond een opbod over de cijfers. Een methodologische discussie - wat zijn criteria om iets als transfer op te nemen en hoe tel je ze op - was er te weinig.Als bewogen Vlaming voelde ik me altijd dubbel bij de transfercijfers die naar aanleiding van een afgesloten transferenquête in de krant stonden te lezen. Langs de ene kant was het natuurlijk niks om blij over te worden, want het onderzoek naar de transfers toonde telkens aan dat de afdrachten disproportioneel en over het algemeen ondoorzichtig bleven. Of het ging over bedragen die rond de vijf miljard euro of rond de tien miljard cirkelden vond ik steeds bijzaak. De manier waarop de geldstromen hun weg zoeken door het Belgische staatshuishouden zijn, op zich, moreel gesproken problematisch. Het gaat zogezegd goeddeels om interpersoonlijke solidariteit op basis van fiscale en parafiscale ontvangsten, maar heel Wallonië, van het welvarende Waals-Brabantse Lasne tot het immer noodlijdende Tubeke (in dezelfde provincie!), staat pal om de transfers te rechtvaardigen. Daar klopt iets niet.Anderzijds - en dat verklaart mijn dubbel gevoel - was er geen enkel onderzoek dat het bestaan van de transfers loochende. Wat mij uiteraard sterkte in mijn engagement. Niet onbelangrijk om op de nagel van een abstract thema te blijven slaan. In mijn eerste bijdrage aan de Doordenkers-reeks op Knack.be deze zomer signaleerde ik al dat er zoiets dreigt te ontstaan als 'transfermoeheid'. De focus is eenzijdig gelegd op de bedragen en heel het debat tendeert in de richting van straf-straffer-strafst. Decoster en Sas houden het op zo'n 6 miljard transfers uit Vlaanderen. Een bedrag om van te duizelen. De afgelopen jaren circuleerden ook bedragen van 12 miljard en meer. Nog enkele jaren en pakweg 18 miljard kwam in zicht.Daaraan heeft Bourgeois nu een einde gesteld. Zo helpen Decoster en Sas een discussie te beslechten over de aggregatie (optelling) van de zogenaamde 'transferkanalen'. Er zijn (i.) de federale begroting, (ii.) de sociale zekerheid, (iii.) de financiering van de Gewesten en Gemeenschappen en tot slot (iv.) de staatsschuld, meer bepaald de intrestlasten daarop. Of dat vierde transferkanaal klakkeloos bij de andere mag worden opgeteld, leidde tot stevige discussies. De jongste studie stelt dat er in feite geen sprake is van een berekenbare transfer in de rente op de openbare schuld, omdat je moet weten wat je wil meten: de Vlaamse geldstroom op jaarbasis of een gecumuleerd perspectief, berekend voor één moment. Maar dat zou onvermijdelijk een dubbeltelling betekenen.Ik weet het: ik lijk nogal kritiekloos tegenover het nieuwe transferonderzoek, wat sommigen me misschien niet in dank zullen afnemen. Maar dat is niet zo. Wat ik vooral toejuich is dat de discussie eindelijk eens verlegd zal worden naar de manieren om de transfers te berekenen. De methodologische verantwoording van Decoster en Sas is sterk, maar ongetwijfeld valt er ook iets tegenin te brengen. Wat mij als mogelijk punt van kritiek vooral opvalt, is de impliciete convergentie die de Leuvense studaxen zoeken met de zes miljard euro die ook andere onderzoekers nawezen. Steun aan bedrijven, ambtenarenlonen: Decoster en Sas verrekenen het allemaal en maken duidelijk waarin hun studie verschilt van de andere. Ze spreken uitdrukkelijk van de 'perimeter' van het onderzoek en palen die heel nauwkeurig af. Mag ik niettemin veronderstellen dat er nog een pak 'terra incognita' buiten die perimeter ligt? Is het stout van mij om te besluiten dat we het nu wel eens zijn over de top van de ijsberg, maar dat we geen flauw vermoeden hebben van de werkelijke massa onder de waterlijn?Elk jaar duiken er nieuwe transfers op. De nieuwe studie geneest mij niet van mijn oordeel dat de inefficiënte Belgische structuur een grootschalige transfermachine is. De onderzoekers stellen vast dat een flinke financiële crisis de transfer doet krimpen. En dat de dotatielogica verantwoordelijk is voor het leeuwendeel van de geldstromen. Defederalisering van bevoegdheden doet de transfers niet krimpen. Dat gebeurt alleen maar indien zeggenschap over de middelen (voor een deel) mee volgt. Zolang dat niet verworven is, bepleit ik een geregelde herhaling van dit onderzoek, met inachtneming van de gehanteerde rigoureuze methodologische criteria. Wil je weten waarover je spreekt, dan moet je inderdaad meten. Maar weten door te meten kan niet zonder herhaling. De fluctuatie van de transfers uit Vlaanderen is misschien wel belangrijker dan het totaalbedrag zelf. Wie de dynamiek achter de geldstroom begrijpt, kan hefbomen installeren om er iets aan te doen.Twee jaar geleden, in 2015, vroegen we met de VVB aan de poorten van De Schorre in Boom op een N-VA-partijfeest dat Geert Bourgeois na 'a' over de transfers ook 'b' zou zeggen. Laat ons voorlopig concluderen dat 'a accent' nu gevallen is. De 'b' waarop een ruim deel van Vlaanderen wacht - want de transferproblematiek is ruimer bekend dan velen in politiek en middenveld vermoeden -, is de eis van fiscale autonomie. Zeggenschap over tarieven, belastbare grondslag en de inning zelf die ons helpt te breken met de dotatielogica en de op- en afcentiemen van het Vlinderakkoord uit 2011. We volgen met belangstelling hoe de politieke vertaling van deze nuchtere studie haar weg zoekt in de verkiezingsprogramma's. Dus: mag het nog een beetje meer zijn? Niet de financiële afdrachten, maar de politieke daad die nu bij het academische woord dient gevoegd.