Vorige week is bekend geraakt dat de decreten nodig voor de operationalisering van de betonstop niet meer zullen gestemd geraken voor de verkiezingen. Met alle gevolgen van dien voor de bescherming van de open ruimte, die nu definitief op de lange baan wordt geschoven. Grote boosdoener bleek de strategische milieueffectbeoordeling (MER) te zijn. Een accident waiting to happen, nu Vlaanderen halsstarrig weigert om dit instrument au sérieux te nemen.

Dat deze versie van de betonstop zou sneuvelen, stond in de sterren geschreven.

Bezint eer ge begint. De insteek van milieueffectbeoordeling (MER) klinkt weinig revolutionair. En toch. MER beroert. Het staat immers haaks op de administratieve verkokering, die onze beleidscultuur jarenlang kenmerkte en toestond dat elke overheid binnen zijn eigen bevoegdheid bedisselde wat kon en wat niet. Het milieu stond er tot voor kort vaak verweesd bij. MER eist namelijk dat de milieu-impact van plannen of programma's op voorhand én op objectieve wijze onderzocht door experts, mét de nodige aandacht voor minder schadelijke alternatieven. Een beleefde maar ferme middenvinger naar old school decision-making. Niet langer de betonboeren en ontwikkelaars bepalen welke ruimtelijke projecten aanvaardbaar zijn. Ook het ruimere publiek mag zijn zegje doen. En liefst zo vroeg mogelijk in het beslissingstraject.

Haat-liefdeverhouding

Hoeft het te verbazen dat heel wat overheden - waaronder ook de Vlaamse - een haat-liefdeverhouding hebben ontwikkeld voor dit instrument? En dan gaat het niet alleen over de lastige vertraging waartoe zo'n de opmaak MER leidt. Time is money, weet u wel. Een goed uitgevoerd MER vooronderstelt namelijk dat overheden en ontwikkelaars hun eigen plannen in vraag durven stellen en alternatieven voorstellen. En daar knelt vaak het schoentje.

In de literatuur duidt men MER aan als 'hot law', doelende op de sterk veranderende en vaak meerlagige context waarin MER dient te functioneren. Onze wetenschappelijke kennis is constant in flux. Wat we als een 'redelijk' alternatief ervaren ook. Waar eertijds kernverdichting nog werd afgeserveerd als een 'weinig aanlokkelijk' alternatief voor de op fermettes verslingerde Vlaming, is dit tegenwoordig dé oplossing voor het als maar toenemende verlies aan open ruimte in Vlaanderen. Dat MER een belangrijke rol zou spelen bij de uitvoering van de betonstop binnen Vlaanderen stond dan ook in de sterren geschreven. Maar men gaf herhaaldelijk niet thuis.

Voorzichtige kentering

Pas in 2007 werd een voorzichtige kentering ingezet, onder zware druk van Europa. Na een zoveelste veroordeling door het Hof van Justitie kon Vlaanderen niet anders dan inbinden. Maar ook dan werden de nodige - vaak onwettige - loopholes voorzien.Nochtans heeft MER als uithangbord van het hedendaagse milieurecht heel wat decennia op de teller staan. Niemand minder dan de Republikeinse president Richard Nixon - niet meteen een hardliner op milieuvlak - stond aan de wieg van één van de eerste wetten ter wereld die MER vooropstelde bij elk voorstel tot overheidsactie met mogelijke milieu-impact. In Vlaanderen was men zelfs anno 2019 nog niet zover, zo blijkt uit het debacle van de betonstop.

Tot nu toe heeft men in Vlaanderen milieueffectbeoordeling vooral ingezet bij ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUPs), die vaak al te weinig ruimte boden voor een strategische discussie omtrent minder schadelijke alternatieven. Zij voeren immers een planologisch beleid uit dat hoger reeds is vastgeklikt. Bij ruimtelijke visievorming zette men niet al te zwaar op in op MER. Met als gevolg dat MER op projectniveau weinig verschil meer kon maken. Het is immers niet evident om het beslist beleid en weinig duurzame 'lock-ins' ter discussie stellen op het einde van de beslissingstraject. Een vicieuze cirkel, waarbij de meerwaarde van MER - vuistdikke rapporten die al te vaak de ontwikkelaar naar de mond praten - ter discussie kwam staan.

Schuldig verzuim?

Het is dan ook ronduit ironisch dat de Vlaamse Regering net naar MER verwijst als ultiem struikelblok voor de betonstop. Want dat was het op andere momenten alvast niet. Dat hierdoor en plus een betere bescherming voor de zonevreemde bossen definitief in het water dreigt te vallen is dubbel jammer. Zeker na het eerdere fiasco met de boskaart in 2016. Bossen blijken vooralsnog weinig intrinsieke rechten te hebben. Het is overigens ook iets typisch Vlaams: een bij uitstek natuurlijk fenomeen - bossen - als zonevreemd gaan categoriseren.

Toegegeven, dat ook wetgeving kan leiden tot de opmaak van een MER klinkt vast vreemd in de oren. En toch. Reeds in 2010 had het de Vlaamse Regering moeten dagen dat ook decreten onder de toepassing van de MER konden vallen. Toen oordeelde het Europese Hof van Justitie dat het toenmalige Waalse nitraatactieprogramma MER-plichtig was, zelfs al zat het vervat in wetgeving. De voorbije jaren volgden een resem uitspraken in dezelfde zin. Dat ook wetgeving in bepaalde gevallen aanleiding kon geven tot een MER, stond niet langer ter discussie.

De verbaasde reacties doen de nodige vragen rijzen bij het sérieux waarmee Vlaanderen werk wou maken van de verdere operationalisering van de betonstop en de bosbescherming. Overigens, toen in 2017 Vlaanderen soepelere regels voorzag voor het bouwen in landschappelijk waardevolle gebieden bleek een gebrek aan MER alvast géén definitief obstakel. Nu wel. Begrijpe wie kan.

Onstandvastige rechtspraak

Had men niet eerder kunnen vermoeden dat een MER diende te worden opgemaakt? Dat net vorige week het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat een Waals decreet dat het bouwen van windturbines in bosgebieden toestaat alsnog niet MER-plichtig is, toont overigens aan dat ook andere pistes mogelijk zijn.

De rechtspraak zet de zaken inderdaad op scherp. De rechtspraak is niet standvastig. En misschien wel voor kritiek vatbaar.

Maar MER blijkt voor de Vlaamse Regering vooral een handige scapegoat, die een fundamenteler debat op de lange baan schuift. Met name de vraag of een doorgedreven betonstop wel een 'redelijk alternatief' vormt waarachter de Vlaamse regering zich wil scharen.

In tussentijd kan men alleen maar hopen dat er ondertussen niet teveel al te waardevolle open ruimten en bossen sneuvelen door het kostbare tijdverlies.

Vorige week is bekend geraakt dat de decreten nodig voor de operationalisering van de betonstop niet meer zullen gestemd geraken voor de verkiezingen. Met alle gevolgen van dien voor de bescherming van de open ruimte, die nu definitief op de lange baan wordt geschoven. Grote boosdoener bleek de strategische milieueffectbeoordeling (MER) te zijn. Een accident waiting to happen, nu Vlaanderen halsstarrig weigert om dit instrument au sérieux te nemen. Bezint eer ge begint. De insteek van milieueffectbeoordeling (MER) klinkt weinig revolutionair. En toch. MER beroert. Het staat immers haaks op de administratieve verkokering, die onze beleidscultuur jarenlang kenmerkte en toestond dat elke overheid binnen zijn eigen bevoegdheid bedisselde wat kon en wat niet. Het milieu stond er tot voor kort vaak verweesd bij. MER eist namelijk dat de milieu-impact van plannen of programma's op voorhand én op objectieve wijze onderzocht door experts, mét de nodige aandacht voor minder schadelijke alternatieven. Een beleefde maar ferme middenvinger naar old school decision-making. Niet langer de betonboeren en ontwikkelaars bepalen welke ruimtelijke projecten aanvaardbaar zijn. Ook het ruimere publiek mag zijn zegje doen. En liefst zo vroeg mogelijk in het beslissingstraject.Hoeft het te verbazen dat heel wat overheden - waaronder ook de Vlaamse - een haat-liefdeverhouding hebben ontwikkeld voor dit instrument? En dan gaat het niet alleen over de lastige vertraging waartoe zo'n de opmaak MER leidt. Time is money, weet u wel. Een goed uitgevoerd MER vooronderstelt namelijk dat overheden en ontwikkelaars hun eigen plannen in vraag durven stellen en alternatieven voorstellen. En daar knelt vaak het schoentje. In de literatuur duidt men MER aan als 'hot law', doelende op de sterk veranderende en vaak meerlagige context waarin MER dient te functioneren. Onze wetenschappelijke kennis is constant in flux. Wat we als een 'redelijk' alternatief ervaren ook. Waar eertijds kernverdichting nog werd afgeserveerd als een 'weinig aanlokkelijk' alternatief voor de op fermettes verslingerde Vlaming, is dit tegenwoordig dé oplossing voor het als maar toenemende verlies aan open ruimte in Vlaanderen. Dat MER een belangrijke rol zou spelen bij de uitvoering van de betonstop binnen Vlaanderen stond dan ook in de sterren geschreven. Maar men gaf herhaaldelijk niet thuis.Pas in 2007 werd een voorzichtige kentering ingezet, onder zware druk van Europa. Na een zoveelste veroordeling door het Hof van Justitie kon Vlaanderen niet anders dan inbinden. Maar ook dan werden de nodige - vaak onwettige - loopholes voorzien.Nochtans heeft MER als uithangbord van het hedendaagse milieurecht heel wat decennia op de teller staan. Niemand minder dan de Republikeinse president Richard Nixon - niet meteen een hardliner op milieuvlak - stond aan de wieg van één van de eerste wetten ter wereld die MER vooropstelde bij elk voorstel tot overheidsactie met mogelijke milieu-impact. In Vlaanderen was men zelfs anno 2019 nog niet zover, zo blijkt uit het debacle van de betonstop. Tot nu toe heeft men in Vlaanderen milieueffectbeoordeling vooral ingezet bij ruimtelijke uitvoeringsplannen (RUPs), die vaak al te weinig ruimte boden voor een strategische discussie omtrent minder schadelijke alternatieven. Zij voeren immers een planologisch beleid uit dat hoger reeds is vastgeklikt. Bij ruimtelijke visievorming zette men niet al te zwaar op in op MER. Met als gevolg dat MER op projectniveau weinig verschil meer kon maken. Het is immers niet evident om het beslist beleid en weinig duurzame 'lock-ins' ter discussie stellen op het einde van de beslissingstraject. Een vicieuze cirkel, waarbij de meerwaarde van MER - vuistdikke rapporten die al te vaak de ontwikkelaar naar de mond praten - ter discussie kwam staan. Het is dan ook ronduit ironisch dat de Vlaamse Regering net naar MER verwijst als ultiem struikelblok voor de betonstop. Want dat was het op andere momenten alvast niet. Dat hierdoor en plus een betere bescherming voor de zonevreemde bossen definitief in het water dreigt te vallen is dubbel jammer. Zeker na het eerdere fiasco met de boskaart in 2016. Bossen blijken vooralsnog weinig intrinsieke rechten te hebben. Het is overigens ook iets typisch Vlaams: een bij uitstek natuurlijk fenomeen - bossen - als zonevreemd gaan categoriseren. Toegegeven, dat ook wetgeving kan leiden tot de opmaak van een MER klinkt vast vreemd in de oren. En toch. Reeds in 2010 had het de Vlaamse Regering moeten dagen dat ook decreten onder de toepassing van de MER konden vallen. Toen oordeelde het Europese Hof van Justitie dat het toenmalige Waalse nitraatactieprogramma MER-plichtig was, zelfs al zat het vervat in wetgeving. De voorbije jaren volgden een resem uitspraken in dezelfde zin. Dat ook wetgeving in bepaalde gevallen aanleiding kon geven tot een MER, stond niet langer ter discussie. De verbaasde reacties doen de nodige vragen rijzen bij het sérieux waarmee Vlaanderen werk wou maken van de verdere operationalisering van de betonstop en de bosbescherming. Overigens, toen in 2017 Vlaanderen soepelere regels voorzag voor het bouwen in landschappelijk waardevolle gebieden bleek een gebrek aan MER alvast géén definitief obstakel. Nu wel. Begrijpe wie kan. Had men niet eerder kunnen vermoeden dat een MER diende te worden opgemaakt? Dat net vorige week het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat een Waals decreet dat het bouwen van windturbines in bosgebieden toestaat alsnog niet MER-plichtig is, toont overigens aan dat ook andere pistes mogelijk zijn. De rechtspraak zet de zaken inderdaad op scherp. De rechtspraak is niet standvastig. En misschien wel voor kritiek vatbaar.Maar MER blijkt voor de Vlaamse Regering vooral een handige scapegoat, die een fundamenteler debat op de lange baan schuift. Met name de vraag of een doorgedreven betonstop wel een 'redelijk alternatief' vormt waarachter de Vlaamse regering zich wil scharen. In tussentijd kan men alleen maar hopen dat er ondertussen niet teveel al te waardevolle open ruimten en bossen sneuvelen door het kostbare tijdverlies.