In een eerder opiniestuk over 'religie en corona' gaf ik aan dat religie niet moet worden bevoordeeld, zoals dat in een aantal andere landen wel het geval is. Maar, wanneer ik schreef dat religie niet mag bevoordeeld worden, dan bedoel ik daar uiteraard ook mee dat religie niet mag worden benadeeld. Dat lijkt nu volgens nogal wat gelovigen het geval te zijn.

Waar er nog steeds een totaalverbod geldt op 'de collectieve uitoefening van de eredienst' (met beperkte uitzonderingen voor huwelijken en begrafenissen), mogen niet-essentiële winkels, musea en zelfs zwembaden door de nieuwe coronabeslissingen hun deuren terug openen. Gelovigen ervaren dat als oneerlijk, en ik denk dat ze daarin gelijk hebben, tenminste als de overheid niet helder kan maken waarom ze de kerkdeuren nog even dichtlaten.

Waar seculiere organisaties er gewoonlijk voordeel bij halen om zich als religieus voor te doen, lijkt het er nu op dat het de religieuze organisaties zijn die misschien voordelen kunnen halen om zich seculier voor te doen. 'Nee hoor, in onze kerk gebeuren geen erediensten, onze kerk is slechts een museum waar mensen zich en passant religieus komen verrijken.'

Het einde van de godsdienstvrijheid?

Raf Geenens, docent ethiek en rechtsfilosofie aan KU Leuven, ziet alvast in de nieuwe coronaregels een illustratie van het einde van de godsdienstvrijheid die zich min of meer geruisloos aan het voltrekken is. De overheid lijkt 'zwemmen en doe-het-zelven belangrijker te vinden,' schrijft hij in een opiniestuk in De Standaard. Hij betreurt dat. Religieuze gevoeligheden, zo stelt hij het ook, zijn van een speciale orde. 'En omdat we de bijzondere waarde van religie in het leven van de gelovige erkennen, houden we daar bij moeilijke afwegingen zo veel mogelijk rekening mee.'

Ik denk dat Geenens wat overdrijft. Er wordt nog steeds heel veel rekening gehouden met de godsdienstvrijheid van de burger. Mij lijkt eerder het omgekeerde het geval te zijn: net omdat mensen niet meer van godsdienst wakker liggen, is het vreemd dat godsdienst nog steeds zo sterk in de grondwet is ingekapseld en dat er nog steeds zoveel rekening mee wordt gehouden.

Voor de reden waarom die in de grondwet is ingekapseld, verwijst Geenens naar de Godsdienstoorlogen en naar het ontstaan van België. Daarmee gaat hij wel erg ver in de tijd terug. Het is me niet zo duidelijk waarom we met die oorspronkelijke toestand zouden moeten schermen om de godsdienstvrijheid anno 2020 te verdedigen.

Godsdienstvrijheid als mensenrecht

Laat mij wat minder ver in de tijd terug gaan. In 1948 werd godsdienstvrijheid als mensenrecht opgenomen. Dat betekent dat ervan wordt uitgegaan dat wie deze vrijheid ontbeert, eigenlijk geen volwaardig mensenleven kan leiden. Maar, wat in de mensenrechten centraal staat, is de bescherming van de waardigheid van de mens en de godsdienstvrijheid is daartoe slechts een hulpmiddel. Niet de 'religie' of de 'religieuze manier van leven' wordt op zichzelf beschermd, maar wel de 'gelijke morele waardigheid van de mens'.

Coronabeleid voor religie: twee maten en twee gewichten.

Het is dan nog maar de vraag of de mens zijn 'waardigheid' anno 2020 enkel zou ontlenen aan de mogelijkheid zijn religie in vrijheid te kunnen beleven en publiekelijk tot uitdrukking te brengen. Mensen kunnen zich aan heel wat (seculiere) identiteiten gebonden voelen waaraan ze zin en betekenis ontlenen en waarvoor ze erkenning willen. In een geseculariseerde samenleving klinkt de beklemtoning van het religieuze wat anachronistisch.

Er lijkt me weinig reden te zijn om religie uit te lichten en anders te behandelen omdat religie uiteindelijk onderdeel is van een veel bredere 'zijnscategorie'. Een religie kan voor een mens veel functies vervullen - anno 2020 kunnen die functies ook door seculiere identiteiten worden vervuld.

Godsdienstvrijheid is in die zin een pars pro toto (een deel voor een geheel). Het gaat niet om de vrijheid van godsdienst in strikte zin, maar om de vrijheid het leven te leven volgens een eigen levensplan.

'Freedom of religion' en 'Freedom from religion'

Wanneer het de bescherming van religie betreft, wordt er gewoonlijk met twee concepten gezwaaid: freedom of religion en freedom from religion. De freedom of religion verwijst naar de individuele vrijheid die mensen hebben om het leven te leiden volgens een eigen conceptie van het goede leven (waaronder een religieuze). Freedom from religion verwijst naar de scheiding kerk en staat. Het is een institutioneel principe dat stelt dat de overheid haar gezag neutraal moet kunnen legitimeren. Dat wil zeggen dat ze moedwillig geen enkele visie op het goede leven (waaronder de religieuze) mag bevoordelen of benadelen.

Door religie apart te zetten en te behandelen worden eigenlijk niet alle individuen als vrije en gelijke burgers aanzien. Zo mag de politie - uit hoofde van de scheiding tussen kerk en staat - binnenvallen in seksclubs, maar ze mag niet zomaar binnenvallen in de kerk.

Waarom zou men daar eigenlijk een onderscheid in maken? Seks als religie; het bezorgde de 'Zusters van Sint Walburga' alvast inspiratie om het even te proberen (HR 31 oktober 1986, NJ 1987/173). Net zoals men kan proberen om via religie het rookverbod in de horeca te omzeilen. Door zich te beroepen op godsdienstvrijheid volstaat het om het café om te toveren tot een gebedshuis voor de nieuwe religie waarbij roken een belangrijk ritueel is. Men belijdt zijn geloof door te roken.

Als men dus van mening is dat niet-essentiële winkels, musea en zelfs zwembaden hun deuren kunnen openen, dan moet men op een objectieve manier kunnen uitleggen waarom de gebedshuizen nog steeds gesloten moeten zijn.

Het is niet dat de rechterlijke macht altijd meegaat in die claims (er moet dan bovendien ook een salomonsoordeel worden uitgesproken over wanneer iets nu wel of geen religie is), maar de vraag is wel pertinent: gegeven dat er zoiets bestaat als vrijheid van organisatie, waarom zouden religies op iets extra mogen terugvallen?

Als alle associaties echter op voet van gelijkheid worden behandeld, dan betekent dit dat er ook geen grondwettelijke inbedding meer van de religie hoeft te zijn. Waarom zouden we bijvoorbeeld grondwettelijk vastleggen dat religieus personeel moet betaald worden en voetbaltrainers niet? Religie moet kunnen worden gesubsidieerd, maar dan zoals sport en cultuur en ontspanning, namelijk naar aanleiding van een democratisch proces. Waarom grondwettelijk vastleggen dat er religieus onderwijs moet zijn dat er dus voor zorgt dat kinderen worden opgevoed tot goede joden en moslims en bijvoorbeeld geen politiek onderwijs dat maakt dat jongeren worden opgevoed tot goede socialisten of christendemocraten?

Als men al uitzonderingen op bestaande regels zou toestaan, dan moeten die in principe gelden voor religieuze én seculiere bindingen. Als er met andere woorden een goede reden zou zijn om een uitzondering toe te staan voor iemands 'religieuze binding', dan ook voor iemands 'seculiere en constitutieve binding'.

Objectieve coronamaatregelen

Diezelfde filosofie moet ook aan de basis liggen van de coronamaatregelen. Wat met andere woorden nodig is, zijn een aantal objectieve criteria waaraan elke organisatie en vereniging moet getoetst worden.

Als men dus van mening is dat niet-essentiële winkels, musea en zelfs zwembaden hun deuren kunnen openen, dan moet men op een objectieve manier kunnen uitleggen waarom de gebedshuizen nog steeds gesloten moeten zijn.

Mogelijk bestaan die redenen (misschien heeft men een specifieke risicoanalyse gemaakt en gedacht dat kerken vooral oudere mensen aantrekken, de groep van mensen die men toch vooral wil beschermen?), maar dan moeten die goed en duidelijk worden gecommuniceerd. Nu lijkt het alsof er arbitrair beleid werd gevoerd en dat er met twee maten en twee gewichten werd gewerkt.

Eender welke coronamaatregel zal altijd wel voor iemand nadelig zijn, maar dat is het punt niet. Het punt is dat het nadeel objectief moet kunnen worden verdedigd. Of dat nu zo is, is voer voor discussie.

In een eerder opiniestuk over 'religie en corona' gaf ik aan dat religie niet moet worden bevoordeeld, zoals dat in een aantal andere landen wel het geval is. Maar, wanneer ik schreef dat religie niet mag bevoordeeld worden, dan bedoel ik daar uiteraard ook mee dat religie niet mag worden benadeeld. Dat lijkt nu volgens nogal wat gelovigen het geval te zijn. Waar er nog steeds een totaalverbod geldt op 'de collectieve uitoefening van de eredienst' (met beperkte uitzonderingen voor huwelijken en begrafenissen), mogen niet-essentiële winkels, musea en zelfs zwembaden door de nieuwe coronabeslissingen hun deuren terug openen. Gelovigen ervaren dat als oneerlijk, en ik denk dat ze daarin gelijk hebben, tenminste als de overheid niet helder kan maken waarom ze de kerkdeuren nog even dichtlaten. Waar seculiere organisaties er gewoonlijk voordeel bij halen om zich als religieus voor te doen, lijkt het er nu op dat het de religieuze organisaties zijn die misschien voordelen kunnen halen om zich seculier voor te doen. 'Nee hoor, in onze kerk gebeuren geen erediensten, onze kerk is slechts een museum waar mensen zich en passant religieus komen verrijken.'Raf Geenens, docent ethiek en rechtsfilosofie aan KU Leuven, ziet alvast in de nieuwe coronaregels een illustratie van het einde van de godsdienstvrijheid die zich min of meer geruisloos aan het voltrekken is. De overheid lijkt 'zwemmen en doe-het-zelven belangrijker te vinden,' schrijft hij in een opiniestuk in De Standaard. Hij betreurt dat. Religieuze gevoeligheden, zo stelt hij het ook, zijn van een speciale orde. 'En omdat we de bijzondere waarde van religie in het leven van de gelovige erkennen, houden we daar bij moeilijke afwegingen zo veel mogelijk rekening mee.' Ik denk dat Geenens wat overdrijft. Er wordt nog steeds heel veel rekening gehouden met de godsdienstvrijheid van de burger. Mij lijkt eerder het omgekeerde het geval te zijn: net omdat mensen niet meer van godsdienst wakker liggen, is het vreemd dat godsdienst nog steeds zo sterk in de grondwet is ingekapseld en dat er nog steeds zoveel rekening mee wordt gehouden. Voor de reden waarom die in de grondwet is ingekapseld, verwijst Geenens naar de Godsdienstoorlogen en naar het ontstaan van België. Daarmee gaat hij wel erg ver in de tijd terug. Het is me niet zo duidelijk waarom we met die oorspronkelijke toestand zouden moeten schermen om de godsdienstvrijheid anno 2020 te verdedigen.Laat mij wat minder ver in de tijd terug gaan. In 1948 werd godsdienstvrijheid als mensenrecht opgenomen. Dat betekent dat ervan wordt uitgegaan dat wie deze vrijheid ontbeert, eigenlijk geen volwaardig mensenleven kan leiden. Maar, wat in de mensenrechten centraal staat, is de bescherming van de waardigheid van de mens en de godsdienstvrijheid is daartoe slechts een hulpmiddel. Niet de 'religie' of de 'religieuze manier van leven' wordt op zichzelf beschermd, maar wel de 'gelijke morele waardigheid van de mens'. Het is dan nog maar de vraag of de mens zijn 'waardigheid' anno 2020 enkel zou ontlenen aan de mogelijkheid zijn religie in vrijheid te kunnen beleven en publiekelijk tot uitdrukking te brengen. Mensen kunnen zich aan heel wat (seculiere) identiteiten gebonden voelen waaraan ze zin en betekenis ontlenen en waarvoor ze erkenning willen. In een geseculariseerde samenleving klinkt de beklemtoning van het religieuze wat anachronistisch. Er lijkt me weinig reden te zijn om religie uit te lichten en anders te behandelen omdat religie uiteindelijk onderdeel is van een veel bredere 'zijnscategorie'. Een religie kan voor een mens veel functies vervullen - anno 2020 kunnen die functies ook door seculiere identiteiten worden vervuld. Godsdienstvrijheid is in die zin een pars pro toto (een deel voor een geheel). Het gaat niet om de vrijheid van godsdienst in strikte zin, maar om de vrijheid het leven te leven volgens een eigen levensplan.Wanneer het de bescherming van religie betreft, wordt er gewoonlijk met twee concepten gezwaaid: freedom of religion en freedom from religion. De freedom of religion verwijst naar de individuele vrijheid die mensen hebben om het leven te leiden volgens een eigen conceptie van het goede leven (waaronder een religieuze). Freedom from religion verwijst naar de scheiding kerk en staat. Het is een institutioneel principe dat stelt dat de overheid haar gezag neutraal moet kunnen legitimeren. Dat wil zeggen dat ze moedwillig geen enkele visie op het goede leven (waaronder de religieuze) mag bevoordelen of benadelen.Door religie apart te zetten en te behandelen worden eigenlijk niet alle individuen als vrije en gelijke burgers aanzien. Zo mag de politie - uit hoofde van de scheiding tussen kerk en staat - binnenvallen in seksclubs, maar ze mag niet zomaar binnenvallen in de kerk. Waarom zou men daar eigenlijk een onderscheid in maken? Seks als religie; het bezorgde de 'Zusters van Sint Walburga' alvast inspiratie om het even te proberen (HR 31 oktober 1986, NJ 1987/173). Net zoals men kan proberen om via religie het rookverbod in de horeca te omzeilen. Door zich te beroepen op godsdienstvrijheid volstaat het om het café om te toveren tot een gebedshuis voor de nieuwe religie waarbij roken een belangrijk ritueel is. Men belijdt zijn geloof door te roken. Het is niet dat de rechterlijke macht altijd meegaat in die claims (er moet dan bovendien ook een salomonsoordeel worden uitgesproken over wanneer iets nu wel of geen religie is), maar de vraag is wel pertinent: gegeven dat er zoiets bestaat als vrijheid van organisatie, waarom zouden religies op iets extra mogen terugvallen?Als alle associaties echter op voet van gelijkheid worden behandeld, dan betekent dit dat er ook geen grondwettelijke inbedding meer van de religie hoeft te zijn. Waarom zouden we bijvoorbeeld grondwettelijk vastleggen dat religieus personeel moet betaald worden en voetbaltrainers niet? Religie moet kunnen worden gesubsidieerd, maar dan zoals sport en cultuur en ontspanning, namelijk naar aanleiding van een democratisch proces. Waarom grondwettelijk vastleggen dat er religieus onderwijs moet zijn dat er dus voor zorgt dat kinderen worden opgevoed tot goede joden en moslims en bijvoorbeeld geen politiek onderwijs dat maakt dat jongeren worden opgevoed tot goede socialisten of christendemocraten?Als men al uitzonderingen op bestaande regels zou toestaan, dan moeten die in principe gelden voor religieuze én seculiere bindingen. Als er met andere woorden een goede reden zou zijn om een uitzondering toe te staan voor iemands 'religieuze binding', dan ook voor iemands 'seculiere en constitutieve binding'. Diezelfde filosofie moet ook aan de basis liggen van de coronamaatregelen. Wat met andere woorden nodig is, zijn een aantal objectieve criteria waaraan elke organisatie en vereniging moet getoetst worden. Als men dus van mening is dat niet-essentiële winkels, musea en zelfs zwembaden hun deuren kunnen openen, dan moet men op een objectieve manier kunnen uitleggen waarom de gebedshuizen nog steeds gesloten moeten zijn. Mogelijk bestaan die redenen (misschien heeft men een specifieke risicoanalyse gemaakt en gedacht dat kerken vooral oudere mensen aantrekken, de groep van mensen die men toch vooral wil beschermen?), maar dan moeten die goed en duidelijk worden gecommuniceerd. Nu lijkt het alsof er arbitrair beleid werd gevoerd en dat er met twee maten en twee gewichten werd gewerkt. Eender welke coronamaatregel zal altijd wel voor iemand nadelig zijn, maar dat is het punt niet. Het punt is dat het nadeel objectief moet kunnen worden verdedigd. Of dat nu zo is, is voer voor discussie.