Hoe kijkt de Vlaming naar zijn tuin? ‘Een op de vijf Vlamingen is een ‘groene vinger”

© Getty

De Hogeschool Gent vroeg 1700 Vlamingen hoe hun tuin eruitziet, wat ze er uitvreten en hoe vrijelijk het groen er mag oprukken. ‘Fröbelen is goed voor de gezondheid.’

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Doe op Knack.be/tuinprofiel zelf de test en ontdek uw eigen tuinprofiel.

De Hogeschool Gent is het nieuwste lid van de Maai Mei Niet-coalitie en de drijvende kracht achter FlowerPower De Tuin: een burgerwetenschapsonderzoek dat nog een stapje verder gaat. In het kader van FlowerPower organiseerde HOGENT ook een enquête over de Vlaming en zijn tuin. Biologe Jorunn Dieleman, bio-ingenieur An De Schrijver en econoom Freek Van Baelen – allemaal verbonden aan het onderzoekscentrum AgroFoodNature van de HOGENT – lichten voor Knack de resultaten toe.

In oktober stuurde Van Baelen zijn tweedejaarsstudenten marketing de straat op met een lange lijst praktische vragen, die ze voorlegden aan 1700 Vlamingen. Op die manier oogstte Van Baelen een hoop gegevens, die hem en ook ons wijzer maken over de gemiddelde Vlaming en zijn tuin.

De Vlaming wil een tuin waar andere mensen jaloers op zijn.

Freek Van Baelen: ‘Uit onze enquête komt heel duidelijk naar voren dat de sociale dimensie veruit de belangrijkste is voor de Vlaming. We zien de tuin als een ontmoetingsplek, waar we ons amuseren met vrienden en familie. Een tweede algemene vaststelling is opmerkelijker: de dimensie ‘erkenning’ is bijna even belangrijk. De Vlaming wil een tuin waar andere mensen jaloers op zijn. En die tuin om jaloers op te zijn is doorgaans een strakke, netjes aangeharkte tuin.

‘Daaruit blijkt ook waarom Maai Mei Niet zo’n succes is. De campagne speelt perfect in op wat de Vlaming belangrijk vindt. Het sociale om te beginnen: er was veel buzz, mensen pakten ermee uit op sociale media en het was een goeie conversation starter: “Hoe hoog staat het bij jou?” Maar de campagne speelde ook slim in op die erkenning: door het gras voor een keer te laten groeien, toonde je dat je het goed meent met de planeet.

‘Maar als je wilt dat nog meer mensen de grasmaaier laten staan, kun je niet met één boodschap komen op maat van dé gemiddelde Vlaming. Want in werkelijkheid valt de populatie uiteen in doelgroepen. Uit onze enquête komen vijf verschillende doelgroepen naar voren, noem ze profielen. Zo is een op de zes Vlamingen een ‘trotse tuinier.’

De trotse tuinier: 15%

Freek Van Baelen: ‘Wat meteen opvalt, is dat de trotse tuinier zijn tuin nog strakker en verzorgder wil dan de gemiddelde Vlaming. Hij of zij snakt nog meer naar erkenning, maar vindt het wel leuk om zelf de handen uit de mouwen te steken. De sociale dimensie is totaal afwezig, net als de ontspanningsdimensie. Dat vind ik als marketeer grappig: deze mensen komen niet in hun tuin, behalve om erin te werken. Het zijn tuinperfectionisten, voor wie hun tuin hun belangrijkste bron van trots is.’

De studenten van Van Baelen vroegen aan hun respondenten of ze bereid zouden zijn om – met het oog op de biodiversiteit – een bloemenrijk grasland aan te leggen. Bij de trotse tuinier is het antwoord een duidelijk ‘no way!’ Van Baelen legt uit: ‘Ze vinden zo’n bloemenweide gewoon niet mooi en zijn bang dat het er slordig zou uitzien.’ Een uitstekend moment om het advies in te roepen van de biologe en bio-ingenieur.

© DR. FRITZ

‘Veel mensen denken inderdaad dat een bloemenweide per definitie slordig is,’ zegt bio-ingenieur An De Schrijver, ‘maar dat hoeft helemaal niet zo te zijn. Een biodiverse tuin kan perfect verzorgd en strak ogen. Wat hier speelt, is een gebrek aan kennis. Historisch gezien heeft de mens altijd voeling gehad met zijn natuurlijke omgeving, maar onze kennis over biodiversiteit gaat generatie na generatie achteruit.

‘Je moet biodiversiteit niet alleen begrijpen in termen van soorten, maar ook in termen van biotopen. Een tuin is als een landschap, waarin verschillende biotopen passen. Een bloemenweide is zo’n biotoop. Net als bomen en hagen of een border met vaste planten. Tussen die verschillende biotopen kun je overgangen maken: een bloemenweide tussen een gazon en struiken. Voor een biodiverse tuin is structuur belangrijk. Zo creëer je microklimaten, een afwisseling van warme en koudere plekken. Koudbloedige soorten hebben dat nodig, om af te koelen en op te warmen. Dat is echt geen moeilijke denkoefening, en als je mensen op die manier naar hun tuin doet kijken, zullen ze ook anders naar landschappen kijken. Een landschap met alleen maar akkerbouw en maïsvelden zullen ze dan vanzelf minder appreciëren.

De trotse tuinier lijkt me maar moeilijk te overtuigen van Maai Mei Niet: hij zweert wellicht bij het biljartlaken.

An De Schrijver: Tenzij er alleen maar gekortwiekt gras is en niks anders, is een gazon geen enkel probleem. Het gazon geeft structuur aan een tuin. Ik denk dat je een bloemenweide of andere biodiverse elementen wel verkocht krijgt aan een trotse tuinier, als het aansluit bij wat hij mooi vindt. Een bloemenweide kan wild zijn en een volledige tuin in beslag nemen, maar je kunt ze ook beperken tot een kleiner stukje, ingezaaid in een mooie vorm, met een boord eromheen. Daar kan een trotse tuinier misschien wel mee leven.

© DR. FRITZ

Mensen die het niet begrepen hebben op een bloemenweide voeren vaak aan dat ze bang zijn voor allergieën.

Jorunn Dieleman: Vorig jaar hebben we in juni een piek gezien in het aantal gevallen van hooikoorts, net na Maai Mei Niet. Veel mensen legden toen de link met de bloemen, maar eigenlijk zijn de grassen het probleem: doordat het veel had geregend, waren die overvloedig gegroeid.

De Schrijver: Het zijn de windbestuivers die hooikoorts veroorzaken, en dat zijn inderdaad bepaalde grassen, struiken en bomen. In een bloemenrijk grasland wil je natuurlijk zo veel mogelijk bloemen, en die worden bestoven door insecten en veroorzaken geen hooikoorts.

Een ander argument waarmee mensen zich verzetten tegen de bloemenweide: ‘onaangename insecten’.

De Schrijver: Dat heeft weer te maken met een gebrek aan kennis. Wie het verschil niet meer kent tussen een wesp en een zweefvlieg, is bang voor alles wat van ver op een wesp lijkt. Terwijl de overgrote meerderheid van de insecten compleet onschadelijk zijn voor de mens en erg grappige dieren zijn. Wilde bijensoorten zijn veel minder gevaarlijk dan de honingbij, die we wel appreciëren: hun angel is zo klein dat hij amper door de menselijke huid dringt. Een minimum aan kennis kan ervoor zorgen dat we weer meer respect krijgen voor de natuur.

De groene vinger: 20%

Van Baelen: Een op de vijf Vlamingen is een ‘groene vinger’. Dat zijn mensen die een wilde, natuurlijke tuin mooi vinden. Daarom zijn ze de natuurlijke vijand van de trotse tuinier. Mijn ouders zijn prototypische groene vingers. Onze buurvrouw, Anna, was het tegendeel: zij spoot één keer per jaar alles dood met DDT. Ooit kieperde ze zelfs een emmer DDT in onze tuin, omdat ze gek werd van onze paardenbloemen.

© DR. FRITZ

Erkenning is voor deze groep ook belangrijk, maar het criterium over wat mooi is, is helemaal anders. De groene vinger gebruikt zijn tuin ook echt om in te leven, zowel alleen als in het gezelschap van familie en vrienden. Ze hebben grotere tuinen en geven het vaakst aan dat ze een bloemenweide zien zitten. Natuurlijk zijn deze tuiniers mee met Maai Mei Niet, het zijn de early adopters, ze deden al mee toen het nog niet bestond.

Als ik me de tuin van de groene vinger voorstel, zie ik een prettige oase voor me, met veel lommerd en eventueel een waterpartijtje. Daar is het vast fijn toeven in de zomer.

De Schrijver: Dat denk ik wel. Het burgerwetenschapsonderzoek ‘Curieuzeneuzen in de tuin’ heeft vorig jaar aangetoond dat tuinen met langer gras, meer struiken, bomen en hagen, koeler zijn in de zomer. De temperatuursverschillen waren echt significant. Die tuinen zijn ook veel attractiever. Overal fladderen er vlinders en vogels rond, en dat brengt ons bij het belang van biodiversiteit voor de mens. De attention restoration theory van Rachel en Stephen Kaplan leert dat de natuur ons afleidt van zorgen en beslommeringen. Hoe meer afleiding je hebt in de tuin, hoe beter dat is voor de mentale gezondheid.

Dieleman: Wat mij bij de groene vinger nu wel opvalt, is dat hij minder pesticiden gebruikt, maar wel royaal omspringt met mest en kalk. Mijn grootvader was ook een typische groene vinger, maar hij bemestte bij het leven. Hij gebruikte zijn eigen compost en – zo was de redenering – daar is toch niks mis mee? Onderzoek van studenten van de UGent toonde aan dat zelfs moestuintjes in Vlaanderen vaak overbemest zijn door gebruik van te veel compost. En als je een bloemenrijk grasland wilt, heb je net een schrale bodem nodig. Het is contra-intuïtief, maar een voedselrijke bodem is slecht voor de biodiversiteit. Als er veel voedsel is, nemen de sterke soorten het over – dat zijn typisch grassen – en komt de rest in de verdrukking. Op een schrale bodem zullen kruiden het beter doen: zij hebben methoden ontwikkeld om de weinige voedingsstoffen die er zijn toch te benutten. Zo krijg je een grotere rijkdom aan soorten.

De Schrijver: Je hebt trouwens geen mest nodig als er klaver in het gras staat: deze vlinderbloemigen kunnen stikstof uit de lucht halen en ter beschikking stellen van uw grassen. Dat is een natuurlijke bemesting. Geef dus vrije baan aan klaver, dat zijn fantastische plantjes.

De barbecueër: 31%

Van Baelen: De barbecueër zweert bij een strakke, propere tuin en krijgt er ook graag erkenning voor. Maar het grote verschil met de trotse tuinier is dat de barbecueër een hekel heeft aan tuinieren – veelzeggend: een op de drie heeft een maairobot – en dat hij veel socialer is. Dit is veruit de grootste groep. Eigenlijk mag dat niet verbazen: wij zijn een volk van barbecueërs. Als er één straal zon op Vlaanderen valt, worden de supermarktrekken gevuld met chipolata, houtskool en rosé. Ik beeld me hier een vertegenwoordiger in, een bon vivant met een gezond embonpoint, die bij de eerste zon al zijn vrienden en familie uitnodigt en zijn tuin beschouwt als de vlakte rond de barbecue, waar de gasten loos mogen gaan. Een groot terras met tuinmeubelen staat ook hoog op het verlanglijstje, net als een zwembad.

Het is contra-intuïtief, maar een voedselrijke bodem is slecht voor de biodiversiteit.

Dat lijkt me geen zegen voor de biodiversiteit.

Dieleman: Maar een zwemvijver wel, en daar doen ze zichzelf én de biodiversiteit een plezier mee. Vijvers trekken veel leven aan en bovendien vraagt een zwemvijver minder onderhoud dan een zwembad: perfect op maat van de barbecueër. (lacht)

De Schrijver: Zo’n waterpartij kan ook strak zijn. Het komt erop aan om de juiste plantensoorten aan te planten. Als je wat structuur aanbrengt, zal zo’n vijver snel vol leven lopen. Grote keizerlibelles die zoemend boven het water zweven, dat is toch toverachtig mooi?

Van Baelen: Deze groep is ook weer heel gul met mest en pesticiden. Geef hun een fles Roundup en ze zijn content, lijkt het wel.

De barbecueër doet vaak een beroep op tuinmannen. Misschien hebben zij boter op het hoofd?

De Schrijver: Ja, zelfs bij die mensen ontbreekt veel kennis. Hoe een biodiverse tuin er het best uitziet en wat de drivers zijn, dat is redelijk nieuwe kennis. We kijken nu ook anders naar het gebruik van pesticiden en meststoffen. In de opleiding agro- en biotechnologie is er een afstudeerrichting groenmanagement, en daar proberen we die nieuwste inzichten wel mee te geven.

De maairobot is erg in trek is bij de barbecueër, maar houdt zo’n robot het gras niet overal even kort, terwijl verschillende maaihoogtes verkiesbaar zijn?

Dieleman: Je kunt de maairobot programmeren zodat je het gras aan de ene kant laat groeien en aan de andere kant kort houdt. Maar misschien is dat al te veel moeite voor de barbecueër. Het is makkelijker om te zeggen: ik maai tweewekelijks mijn gazon en ik scheer mijn haagje twee keer per jaar.`

© DR. FRITZ

De hobbyist: 15%

Van Baelen: Dit zijn de mensen die tuinieren om het tuinieren. ‘Een worden met de natuur’ vinden ze een onnozel idee, maar toch woelen ze graag met de handen in de aarde, alsof het een sport is. Het verschil met de trotse tuinier is het sociaal aspect: de hobbyist is een trotse tuinier met vrienden. (lacht) Dit zijn de mensen die het vaakst maaien, velen hebben ook een maairobot.

Gebruikt de hobbyist ook herbiciden voor zijn gazon?

Van Baelen: Herbiciden hebben pas na de Tweede Wereldoorlog hun intrede gedaan in de tuin. Tot dan vonden mensen een tuin met alleen maar gras belachelijk. Daarom zijn de producenten mensen gaan wijsmaken dat een mooi gazon een gazon met alleen gras is, en dat al de rest ‘onkruid’ is. Dat is niet gebeurd met cijfers en rationale argumenten: men heeft dat beeld opgedrongen met de typische marketingmanieren, zoals spotjes en films waarin Hollywoodsterren rondlopen op een smetteloos gazon.

De Schrijver: In de landbouw heb je een soortgelijke evolutie gezien. Bij het huidige landbouwbeheer van graslanden, bestaan die voor de volle 100 procent uit raaigras. Vroeger was dat ook een mix van gras en kruiden, met vlinderbloemigen zoals rode klaver. Op de schaal van het landschap heeft die omschakeling een enorme dreun gegeven aan de biodiversiteit, de nectarhoeveelheden zijn gekelderd.

Wat als de overheid nu eens gewoon verbiedt dat je een gazon inzaait met mengsels die alleen graszaden bevat?

De Schrijver: Er zijn al mengsels op de markt voor biodiverse gazons. Die bevatten ook kleine klaver en hopklaver, die laag blijven en die je kunt maaien.

De hangmathanger: 19%

Van Baelen: Dit is de restfractie. Wie niet in de andere profielen past, komt hier terecht. Het onderscheidende kenmerk is dat deze mensen veel tijd alleen doorbrengen in de tuin, en het kan hen werkelijk geen fluit schelen wat de buren denken over hun hof. Maar zelfs de hangmathanger kun je wellicht overtuigen om mee te doen met Maai Mei Niet, bijvoorbeeld door duidelijk te communiceren dat een stukje bloemenrijk grasland ideaal is om tot rust te komen. Zoals ik al zei: met één boodschap kun je niet iedereen overtuigen. Om een echte gedragsverandering te krijgen, zul je verschillende ingangen moeten zoeken.

© DR. FRITZ

Dieleman: Het idee dat je de natuur helpt door niets te doen, zal sommige mensen aanspreken, maar de hobbyist en de trotse tuinier schrikt het af. Dat zijn mensen die niets liever doen dan scheren, trimmen, ontmossen en maaien. Maar het goeie nieuws is: voor wie dat wil, kan een biodiverse tuin ook veel werk zijn. An heeft heel wat voorbeelden gegeven – de vaste borders die onderhouden moeten worden, gazonbeheer, struiken en hagen snoeien. In Nederland hebben ze trouwens een heerlijk woord voor dat ‘prutsen zonder reden’, dat heet daar fröbelen.

De Schrijver: En dat is goed voor hoofd en lichaam. De Wereldgezondheidsorganisatie definieert een gezond persoon als iemand die mentaal, sociaal en fysiek goed functioneert. Dat kun je perfect leggen naast de sociale, ontspannings- en erkeningsdimensie die uit deze enquête komen. Iemand die graag in de tuin werkt, is fysiek actief, komt mentaal tot rust en is – als hij geregeld afspreekt met vrienden – ook ingebed in een gemeenschap.

Doe op Knack.be/tuinprofiel zelf de test en ontdek uw eigen tuinprofiel.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content