De Brit Jim Crace schreef onlangs ‘De provisiekast van de duivel’, een verzameling korte verhaaltjes, fabels, grapjes en tragedies die alle met eten te maken hebben. ‘Na een paar boeken over de dood wilde ik een politiek relevant thema

aanpakken.’ Een gesprek over schrijven, socialis-me en Chinese dichters, in de grauwe buitenlucht van Birmingham.

Jim Crace, ‘De provisiekast van de duivel’, De Geus, Breda, 160 p., euro 18,00.

‘Iets anders dan gebruikte-con- doom-, dooie-kat-in-een-zak- of supermarktkarretjesvis zul je in dit water niet meer aantreffen’, grapt Jim Crace wanneer we in het centrum van Birmingham staan te kijken naar de plaats waar vier kanaaltjes samenkomen en een paar eeuwen geleden de industriële revolutie begon. ‘En de haaien, die zitten tegenwoordig daar’, wijst hij naar de oever, ‘op restaurant’.

En inderdaad, wie hier levende vis wil zien, moet naar het wanstaltig grote Sea Life Centre dat Richard Rogers een paar meter verder mocht optrekken. Birmingham, de op één na grootste stad van Engeland en het industriële hart van de natie vindt zichzelf iedere generatie opnieuw uit. The Bullring bijvoorbeeld, het splinternieuwe winkelcentrum: ’s avonds lijkt het op een reusachtig van binnenuit blauw-paars verlicht en van geborstelde inox noppen voorzien pantoffeldiertje, overdag op een volstrekt misplaatste zitzak uit de jaren zeventig. Het is gebouwd op de plaats waar in de 13e eeuw de veemarkt was. Hoe zonde, brengt u nu wellicht van afschuw en verbijstering de hand naar de mond, maar van die historische site restte er al lang niets meer. Tientallen keren al gingen afbrekers en opbouwers over deze plek, ze daarbij reducerend tot een uitstalkast van de recentste architecturale waan.

‘Het probleem van Birmingham is dat het te rijk is’, verzucht Crace, ‘en dat het de kaalslag die zich hier om de veertig jaar herhaalt dus makkelijk kan betalen. Kijk wat ze gedaan hebben. Hier aan deze samenvloeiing stonden de eerste staalfabrieken ter wereld, prachtige industriële architectuur. Een jaar of tien geleden moest alles tegen de grond voor een groots nieuw project. Recht tegenover het banaalste gebouw dat Rogers ooit ontwierp kwam een heus sportstadion met muren van vijfentwintig meter hoog met daarachter een splinternieuwe Amsterdamse gracht, trapgevels incluis. Het restaurant op de oever is nep-Victoriaans en om het hoekje staat een gebouw dat per verdieping van gotiek, over neoromaans naar renaissance springt en bekroond wordt met een logge replica van de Venetiaanse campanile. Het enige wat echt is, zijn de negentiende-eeuwse bruggetjes over de kanalen, alleen waren die vroeger in proportie met de omgeving en lijken ze nu wel speelgoed.’

Proporties, op onze wandeling door het avondlijke en praktisch geheel verlaten Birmingham, met de hond Shandy die dringend uitgelaten moest worden tussen ons in, zal Crace het er nog meermaals over hebben. Hij zal bijvoorbeeld wijzen op de grootte van de ramen van de weinige Victoriaanse gebouwen die er nog staan, hoe die precies goed is, en hoe de nep veel te veel glas wil gebruiken. Of op ornamenten die willen versieren maar niet opvallen zodat ze de structuur van het gebouw niet uit evenwicht brengen. En op de vorm van de oriëntaals aandoende tegels boven de ramen van een oud schoolgebouw, dat nu dienst doet als galerie. Crace, auteur van acht romans die in meer dan twintig talen te lezen zijn en allemaal in de prijzen zijn gevallen, is dan ook een man van vorm en structuur.

DUIVELSE INHOUD

Over zijn nieuwste boek, De provisiekast van de duivel, dat bestaat uit 64 korte verhaaltjes, fabels, grapjes en tragedies die alle met eten te maken hebben vertelt hij bijvoorbeeld: ‘Na een paar boeken over de dood wilde ik een politiek relevant thema aanpakken: voedsel. Denk maar aan de discrepantie die er bestaat tussen wat wij en de rest van de wereld iedere dag op onze tafel krijgen, of aan de Amerikanen die niet langer French fries wilden eten omdat Frankrijk tegen de oorlog in Irak was en ze daarom maar omdoopten tot freedom fries.’ De structuur ervan haalde hij bij een sprookje waar hij als kind dol op was, over de koning die door zijn land reist en door een oude boer aangesproken wordt. ‘Kijk toch eens naar u’, zegt hij. ‘U bent dik en pompeus, terwijl er mensen op straat sterven van de honger. Uw pakhuizen zitten vol tarwe, open ze en voed uw volk.’ De koning is natuurlijk razend en geeft het bevel de man te executeren. Op het laatste nippertje bedenkt hij zich echter en stelt voor een spelletje schaak te spelen. Zijn voorstel is dat als de man wint, hij een bescheiden wens mag doen. Verliest hij, dan wordt hij alsnog geëxecuteerd. Aangezien dit een sprookje is, verliest de koning en mag de man zijn wens doen. Ik wil, zo zegt deze, dat je op het eerste vakje van het schaakbord een tarwekorrel legt, op het tweede twee, op het derde vier, op het vierde acht en zo verder tot het vierenzestigste. Dat is inderdaad een bescheiden wens denkt de wiskunde-onkundige koning en hij stemt toe, niet wetend dat er op het laatste, vierenzestigste vakje meer tarwe moet komen dan de hele wereld kan voortbrengen.

Vandaar dus het idee om een boek te schrijven met als titel Het pakhuis van de koning dat uit vierenzestig delen zou bestaan. ‘Van zo’n strak schema hou ik’, vertelt Crace. ‘Het stelt me in staat precies te gaan waar ik wil zonder me zorgen te moeten maken over het verloop van het boek. De meeste schrijvers hebben personages, een plot en een einde in hun hoofd voor ze beginnen schrijven, ik heb alleen een structuur. Ik begon dus aan Het pakhuis van de koning en al vlug voelde ik dat ik volstrekt de verkeerde kant op ging. Ik schreef helemaal geen politiek geladen verhalen, maar wel zwartgallige, speelse familieverhalen. Dus moest ik ook de titel veranderen en aangezien die de duivelse inhoud van het boek moest weergeven, lag die voor de hand: De provisiekast van de duivel.’

Terwijl we een van de Victoriaanse bruggetjes overlopen, bedenken we dat het toch opvallend is hoe echt lekker eten in onze christelijke cultuur des duivels is. In de hemel eet je bijvoorbeeld rijstpap met gouden lepeltjes en geen coq au vin. ‘Wij hebben een befaamde rijstpap die Ambrosia Rice Pudding heet’, speelt Crace daar op in. ‘Ambrosia is het eten dat je in de hemel voorgeschoteld krijgt. En om eerlijk te zijn, als ik dacht dat je in de hemel werkelijk rijstpap kreeg, zou ik nog in God beginnen geloven ook. Wat wij ons in Engeland over de hemel voorstellen, is honing en harpmuziek. Laat het dus maar zitten, wat mij betreft. Geef mij maar een goeie aardappel, dan ben ik al lang tevreden. Ik ben helemaal geen hedonist, ook al zou dit zo kunnen lijken, maar dat is slechts schijn. De provisiekast van de duivel gaat immers niet echt over eten.’

‘In feite zou er op de cover een waarschuwingssticker moeten hangen: “Probeer nooit een van de gerechten uit dit boek klaar te maken. Ze kunnen je gezondheid schaden. ” Niet lang geleden gaf ik een lezing in Cambridge. Op de eerste rij zat er iemand de hele tijd angstvallig notitie te nemen. Wow, dacht ik, een fan. Achteraf kwam hij met een boek naar me om te laten signeren en ik vroeg hem wat hij allemaal opgeschreven had. Recepten, antwoordde hij. En ik dacht: o nee, die gaat eraan. Die krijgt botulisme. Het eten in dit boek is slechts een rookgordijn. Waar het echt over gaat zijn menselijke relaties, de dood, kinderen krijgen, een gezin stichten, oud worden, wraak nemen, spijt hebben. Eigenlijk gebruik ik hier een ouwe truc uit de fictiekast: schrijf over het onderwerp waar je het over wil hebben door het net over iets anders te hebben.’

‘Direct schrijven over emoties leidt tot bijzonder slecht proza. Een ouwe Chinese dichter zei ooit: schrijf niet over de emotie, schrijf over de zaak. En dat is een heel goeie raad. Schrijf dus niet over het verdriet, maar wel over de doodskist. Als je schrijft: o, o, mijn vrouw is dood en ik ben zo verdrietig zegt dat niets. Waarom zouden we je trouwens geloven? We kennen je vrouw helemaal niet. Als je echter in detail de begrafenis beschrijft, zal de lezer voelen wat jij voelt en wel degelijk overtuigd worden. En dat is wat ik wil doen in mijn boeken: emoties overbrengen door beelden. Door een oud vrouwtje te beschrijven dat brood maakt, kan ik een heel discours over oud worden en sterven op een verdoken manier overbrengen.’

ANTI-INTELLECTUELE TRADITIE

Wat opvalt in het werk van Crace zijn de grote thema’s. In Een man, een vrouw en de dood had hij het over hoe je zonder god toch nog zinnig kunt sterven in deze wereld. In Kluizenaars over het ontstaan van het christendom in de woestijn van Judea en hier dus over eten. ‘Wie mijn boeken wil snappen, moet afstappen van het idee dat romans altijd autobiografisch zijn’, verklaart hij zich nader. ‘In onze cultuur is bijna iedere schrijver autobiografisch bezig en hij schrijft daardoor iedere keer weer over hetzelfde: zichzelf. Ik klaag daar niet over. Sommige van de mooiste romans zijn autobiografisch, denk maar aan de drie recentste boeken van Philip Roth. Dat doe ik dus niet. Ik ben niet zoals mijn boeken. Bij mij is het juist omgekeerd. Mijn boeken gaan over alles wat ik niet ben, maar wat me wel interesseert, en dat is iedere keer iets anders. Stel dat ik een boek zou schrijven dat in het hedendaagse Birmingham speelt, over een crisis in een modaal gezin zoals het mijne en ik zou dit in mijn traditioneel grootsprakerige stijl doen, dan zou dit heel geforceerd overkomen. Mijn stijl is er eentje om legendes of Griekse epen mee te schrijven. Op een Engelse realistische roman slaat hij als een tang op een varken.’

‘Het is een echte tragedie, maar zo is het nu eenmaal: Engeland heeft een verschrikkelijke anti-intellectuele traditie. Wil je iemand echt goed beledigen, noem hem dan intellectueel. Dat heeft veel te maken met de adel die het hier nog steeds voor het zeggen heeft. Over het algemeen zijn dat geen intellectuelen, dus kijken ze er op neer. Neem dat ik met een stel schrijvers of filosofen rond een tafel zou zitten en we zouden een serieus gesprek voeren, dan zou er binnen de vijf minuten iemand dit gesprek onderbreken met een opluchting schenkende grap. Serieus zijn, wordt hier beschouwd als slechte manieren hebben. Doe je hetzelfde in Italië of Hongarije, dan mag je als flauwe grappenmaker binnen de kortste keren het gezelschap verlaten. Daar moet je niet beschaamd zijn omdat je van tijd tot tijd eens een serieus idee hebt.’

‘Wat hebben we nu gedaan om dit intellectuele euvel te vermijden? We hebben de typische Engelse stem ontwikkeld waarvan onze literatuur bol staat: ironie, het wondermiddel dat je in staat stelt ernstig te zijn over een onderwerp zonder dat je ook ernstig lijkt. Mijn boeken zijn anders, die zijn onbeschaamd ernstig en daardoor bijzonder on-Engels. In het dagelijks leven ben ik een even groot ironicus als iedere andere landgenoot, maar eens de deur van mijn bureau achter me dichtgetrokken word ik heel Hongaars.’

WIELRENNERS EN JAZZFANATEN

Terwijl we door de duisternis langs het Grand Union Canal wandelen, het kanaal dat Birmingham met de Thames en dus met de zee verbindt en daarom de belangrijkste waterweg van het land was, toont Crace ons de groeven die in de randen van bruggen en sluizen gesleten zijn. Erts, kolen en afgewerkte producten werden vroeger in lange, smalle boten vervoerd, de narrow boats, die nu veelal tot woonboten omgebouwd zijn, en die door paarden getrokken werden. Waar die paarden van het traject net naast het water moesten afwijken en de touwen obstakels raakten, ontstonden de groeven. Of hij zich met die manier van schrijven niet verschrikkelijk onpopulair maakt bij zijn collega’s, willen we weten.

‘Ik zit niet graag met andere schrijvers te kletsen. Wielrenners en jazzfanaten, dat zijn mijn mensen. Als ik een lezing geef op een literair festival ben ik natuurlijk de vriendelijkheid zelve en behandel ik mijn collega’s als weledele exemplaren van de hogere apensoort, maar ik ga niet een hele avond aan de tapkast over schrijven zitten zaniken. Schrijven interesseert me niet. Ik doe het wel, maar het schrijversleven is niet aan mij besteed. Ik doe het als job en ik wil werk en privé duidelijk gescheiden houden. Bij ons thuis is mijn vrouw de lezer. Zij heeft de hersens, niet ik, maar zeg haar dat alsjeblieft niet. En schrijvers kunnen ook zo’n verschrikkelijke onzin vertellen. Onlangs hoorde ik Alan Sillitoe op de radio verkondigen dat de beste raad die hij een aspirant-schrijver kon geven, lezen was. Lezen, lezen en nog eens lezen, zo zei hij, dat moet je doen. Die man weet niet waarover hij praat. Boeken moeten helemaal niet uit andere boeken voortkomen, dan worden ze alleen maar steriel. Wil je echt schrijven, ga dan leven, word dronken, versier een vrouw, vraag een echtscheiding aan. Ervaring opdoen, daar komt het op aan, en vooral niet te pretentieus zijn.’

‘Percy Shelley zei dat schrijvers de niet-erkende wetgevers van de wereld zijn en misschien was dat in zijn tijd ook zo, maar in een liberale democratie als de onze getuigt het van een oneindige pretentie om als schrijver zoiets te beweren. Het is niet omdat je een boekje geschreven hebt dat je beter bent dan een ander en toch is dat wat ik dagelijks hoor en zie: schrijvers die zich politiek niet willen engageren omdat ze zich boven de maatschappij achten. Wat ik denk staat in mijn werk, zeggen ze dan. In samizdat-Rusland, waar de Pravda geen woord waarheid bevatte en je als burger dus wel verplicht was om naar de schrijvers te luisteren misschien wel, maar hier? Komaan zeg.’

IN ZEVEN VALLEN TEGELIJK

Is dat de manier waarop we zijn roman De man die de wereld wilde verbeteren moeten begrijpen, als een kritiek op de intellectuele idealist die het goed voorheeft met de wereld, maar er in de praktijk een potje van maakt? ‘Het is eerder een kritiek op mezelf’, zegt hij. ‘Ik ben een ouwe linkse jongen, kan niet ophouden iedereen te zeggen wat ik overal van vind en loop met mijn ogen dicht in zeven vallen tegelijk. Ik blunder erop los en blijf in mijn idealisme geloven. Mensen die hun kinderen naar privé-scholen sturen of naar privé-ziekenhuizen gaan vind ik verachtelijk en dat zeg ik hen ook. Ik ben heel dogmatisch wat dat betreft, nooit bereid toe te geven. Dat is dus de realiteit. In de literatuur kun je nooit zo zijn. Fictie moet gewoonweg dubbelzinnig zijn, anders is het een preek. Ik wilde mijn eigen onaantastbare meningen op hun waarde testen. Het boek lijkt dus een kritiek op de hele linkse beweging, maar het is ook een kritiek die vanuit links zelf komt. Het is een soort familiekritiek, wat het anders maakt dan die van bijvoorbeeld Edmund Burke. Dat was iemand die van buiten uit door het raam naar binnen spuwde. Ik sta al in de kamer en spuw gewoon op de eigen grond.’

‘Het is dus inderdaad een reactionair boek, maar toch hou ik er van. Ik herken er zoveel oude kameraden in, die de wereld beter trachtten te maken en de keerzijde van hun daden niet zagen. Een van de redenen waarom ik in Birmingham blijf wonen, is juist dit socialisme. Als je wilt zien wat de huidige wereldproblemen zijn, vind je die hier: een gemengde maatschappij met racisme, een hoge werkloosheid, lawaai, vervuiling en financiële ongelijkheid. Het is in een stad als deze dat de toekomst gemaakt wordt, niet in Cornwall of Winchester. Daar zie je alleen de natuur of het verleden. In deze stad gebeurt er tenminste nog eens iets. Ik houd trouwens niet van politiek omwille van nobele doelen of zo, ik houd van de chaos die hij creëert.’

‘Ook al ben ik een fervente tegenstander van de oorlog in Irak, toch was ik bijna blij toen hij begon. Eindelijk nog eens een reden om de straat op te gaan en met mijn schouder tegen een politieschild te beuken. Je kunt niet geloven hoeveel deugd dat deed en hoe jong ik me weer voelde.’

We staan weer aan de samenvloeiing van de vier kanalen, te mijmeren over wat eens was, en krijgen het er stilaan koud van. ‘Kom Shandy’, roept Crace naar zijn hond, ‘Tijd om naar huis te gaan, naar de provisiekast van de duivel, voor een lekker bakje hondenbrokken.’

Marnix Verplancke

‘U bent dik en pompeus, terwijl er mensen op straat sterven van de honger.’

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content