Damesslipjes en hotelsleutels kreeg hij op de scène toegeworpen, maar de goddelijke Rudolf Noerejev danste vooral om niet aan zijn moeder te hoeven denken.

Colum McCann, ‘Danser’, De Harmonie/Manteau, Amsterdam / Antwerpen, 380 blz., euro 17,95.

‘Ik heb nergens spijt van’, schreef hij zijn zus Tamara in 1964, drie jaar nadat hij Leningrad (St.-Petersburg) ingeruild had voor Parijs en daarom een vuile landverrader werd genoemd. ‘Spijt is voor de dommen.’ En inderdaad, van een grote Russische dansbelofte was hij door over te lopen naar het Westen op zijn drieëntwintigste niet meer of minder dan een gevleugelde god geworden. Cosmopolitan riep hem uit tot de mooiste man op aarde. Koningen en koninginnen verlaagden zich tot een bezoek aan zijn kleedkamer en iedere hotemetoot aan beide zijden van de Atlantische Oceaan droomde ervan op zijn feestjes uitgenodigd te worden. Wie hem ooit had zien dansen, zo moest ook Edith Piaf toegeven, besefte dat er in de wereld in feite niet zo veel was om spijt over te hebben.

Het leven van Rudolf Noerejev staat centraal in Colum McCanns recente roman Danser. McCann heeft ervoor gekozen fictie te schrijven omdat hij op die manier heel wat overbodig materiaal terzijde kon laten liggen en hij op zoek kon gaan naar de essentie van de man. Bepaalde figuren uit Noerejevs leven heeft hij simpelweg achterwege gelaten, een heleboel andere zijn tot een paar personages gecondenseerd. Het resultaat is een spannend en emotioneel geladen boek, waarin Noerejev vanuit verscheidene invalshoeken beschreven wordt.

MISHANDELDE SCHOENEN

Een hele reeks figuren die de danser van dichtbij hebben meegemaakt, vertellen in hun eigen woorden wat hij voor hen betekend heeft. Aan het woord komt onder meer zijn eerste danslerares, de oudere Anna, die een teruggetrokken bestaan leidt in Noerejevs geboorteplaats Oefa en zich door het lichaam van de jongen opnieuw jong voelt worden. Door Rudik, zoals hij door zijn vrienden genoemd werd, te zien dansen, beleeft ze haar eigen carrière opnieuw. Veel intenser is hoe zijn zus hem ervaart, zeker nadat hij niet teruggekeerd is na een Parijs’ optreden en bij verstek veroordeeld is tot zeven jaar dwangarbeid. ‘Zijn vertrek wordt met de dag voelbaarder’, schrijft ze. ‘De wetenschap dat hij nooit meer hier zal zijn, maakt hem des te aanweziger.’ Dat de jonge vrouw lang ongehuwd blijft en uiteindelijk kiest voor een man die van meet af aan geen rivaal zal kunnen zijn voor haar afwezige broer, zal dus wel geen toeval zijn.

McCann zet een hele omgeving neer en toont aan hoe die door één man beïnvloed is. Heel mooi is bijvoorbeeld hoe hij Tom Ashworth, de Londense balletschoenenmaker die tot aan zijn dood voor Noerejev gewerkt heeft, die iemands leven kon afleiden uit de vorm van zijn voeten en nooit naar een voorstelling ging omdat hij zijn schoenen niet mishandeld wou zien worden, samenbrengt met zijn Parijse huishoudster Odille, een schat van een vrouw die voor de danser in feite een moeder, een zuster en een spirituele geliefde was, allemaal tegelijk. Dat de twee eenzaten uiteindelijk ook nog trouwen, kun je als lezer alleen maar mooi vinden.

Dat McCann een schrijver is die zijn metier tot in de vingertoppen beheerst, wisten we al uit zijn vorige roman, Het verre licht. Die epische ode aan de mannen en vrouwen die New York zowel boven- als ondergronds tot een wereldmetropool hebben gemaakt, greep naar de strot en lonkte naar het hart. Danser is het nieuwste staaltje van zijn kunnen. Hij opent deze roman met een opsomming van twee volle bladzijden: alle voorwerpen die het publiek tijdens zijn eerste Parijse seizoen op de scène gooide – en dat gaat van glas (door de Franse communisten), over karrenvrachten bloemen, een nertsmantel en een handvol hotelsleutels, tot achttien in extase uitgetrokken damesslips waarmee la France féminine zich van haar beste kant liet zien. Dit boek, zo merk je meteen, laat je niet meer los voor je het laatste hoofdstuk achter de rug hebt.

In plaats van strikt chronologisch te werk te gaan en zijn boek te besluiten met de dood van Noerejev – de danser sterft zelfs nooit in deze roman, wat misschien nog niet zo ver naast de dichterlijke waarheid over zijn grootheid is – krijgen we hier een gedetailleerd verslag te lezen van de achtenveertig uur die hij in 1987 in Rusland mocht doorbrengen. Beladen met dure cadeaus stormt hij de huizen van zijn familie en vrienden binnen, maar in plaats van hen dichter bij elkaar te brengen, benadrukken die halskettingen en flessen parfum de kloof die tussen hen gegroeid is alleen maar. Voor niemand wordt het wat ervan verwacht werd. De vervreemding is totaal, zeker die tussen de danser en zijn stervende moeder. Tot zijn grote verdriet herkent ze hem zelfs niet. Misschien had zijn danspartner Margot Fonteyn wel gelijk toen ze zei dat Noerejev zoveel danste omdat hij dan niet aan thuis hoefde te denken. De herinnering die hij zo hevig was proberen kwijt te raken, klopte al lang niet meer met de realiteit.

Maar Rudik danste niet alleen. Bij de balletliefhebbers was hij beroemd om wat hij op het podium deed, de rest van de mensheid wou juist weten wat hij uitvrat zodra hij daar afstapte. Noerejev had onbetwistbare popsterallures en hij besefte dat je bij de westerse beau monde van de jaren zestig tot negentig pas echt in de smaak kon vallen wanneer je je extravagant gedroeg. Het begon al in de Sovjet-Unie. Op zijn eenentwintigste verjaardag spoot hij de cabine van een Aeroflot-toestel volledig onder de champagne, waarna hij samen met de piloot de koffer in dook. Eens in Europa en de Verenigde Staten shockeerde hij de wereld met zijn seksuele uitspattingen en zijn geldsmijterij. Ook hier, zo ga je steeds meer beseffen, zindert Fonteyns uitspraak op de achtergrond. Want wat is er enerzijds verlokkelijker, maar anderzijds ook vruchtelozer om het verdriet en het heimwee te verdrijven dan de jacht op het genot en het plezier?

Ook al had Noerejev zolang hij in Rusland woonde een gespannen relatie met zijn vader – die zag zijn zoon liever een serieuze opleiding volgen en arts of ingenieur worden, in plaats van zo’n mietje van een balletdanser -, toch was het zijn grootste verdriet dat zijn vader hem nooit had zien dansen. De vader van zijn kant boette hevig om het landverraad van Rudik en werd gedegradeerd in het bedrijf waar hij werkte. Beiden werden in feite dus het slachtoffer van de politiek, ook al wilden ze daar niets mee te maken hebben, of zoals Noerejev na de dood van zijn vader aan Tamara schreef: ‘Politiek is iets voor dikke mannen met sigaren. Niet voor mij, ik ben een danser, ik leef om te dansen. Dat is alles.’

Marnix Verplancke

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content