John Vandaele
John Vandaele Journalist MO*

Weinigen twijfelen aan de goeie bedoelingen van Reginald Moreels. Zijn bestuurskwalitei- ten daarentegen worden wat lager ingeschat. Neem, bijvoorbeeld, de NGO-hervorming.

Kom dat tegen! De niet-gouvernementele organisaties (NGO’s) krijgen van staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking Reginald Moreels (CVP) 3,2 miljard frank toegewezen – een historisch maximum – en nog zijn ze niet tevreden. Althans, er steeg gemor op toen Moreels de cijfers in de openbaarheid gooide.

Op het eerste gezicht bevestigt zo’n reactie de aloude sociologische wet dat elke instelling, zelfs deze die ontwikkeling van de armste landen betracht, in eerste instantie zelf wil overleven en groeien. Ook als die groei de eigen roeping wat in het gedrang brengt – wat hier het geval is. NGO’s heten immers niet-gouvernementeel en dus onafhankelijk van de regering te zijn. Als ze zich echter steeds meer laven aan het overheidsmanna, verliezen ze die onafhankelijkheid.

Daarnaast is het ongetwijfeld zo dat de verwachtingen van de NGO’s hooggespannen waren. Ontwikkelingssamenwerking wordt immers geleid door twee ex-NGO’ers: Moreels komt van Artsen zonder Grenzen en zijn kabinetschef, Guido Dumon, van Wereldsolidariteit. Al van bij hun aantreden verkondigde het duo dat ze de NGO-sector zouden hervormen. Die grootse verwachtingen bleken ook uit het feit dat de NGO’s samen 5,2 miljard frank hadden gevraagd voor 1998, bijna een verdubbeling van hun budget.

Toch slaat de ontevredenheid niet enkel op geld, maar ook op de onhandige manier waarop het kabinet-Moreels de hervorming van het NGO-weefsel en de verdeling van de middelen heeft doorgevoerd. Namelijk: op een drafje, soms improviserend, zonder veel overleg en zonder evaluaties van voorgaande prestaties. Met als gevolg dat het resultaat maar ten dele strookt met de vooropgestelde doelstellingen van de hervorming.

EEN AANVRAAG VOOR EEN FAX

Waarom en hoe moest de NGO-wereld hervormd worden? Kabinetschef Dumon stelt dat de inspiratie kwam van de zogenaamde Ekstermolengroep, een Vlaamse denkclub die onder meer bestaat uit NGO’ers en die enkele jaren geleden al pleitte voor een diepgaande transformatie van de NGO-wereld. Die is nodig, zo vond de groep, indien de NGO’s meer impact op het terrein willen. Een NGO die echt wil bijdragen tot ontwikkelingsprocessen in armere landen, moet professioneel werken, een strategie op langere termijn hebben en niet zomaar een kraal van projecten aan elkaar breien die vaak veeleer gericht zijn op het behoud van de werkgelegenheid dan dat ze passen in een visie.

Om dat te bereiken, moeten de bestaande NGO’s hun krachten bundelen. Als 140 NGO’s van de Belgische “markt” moeten leven, zijn velen immers vooral bezig met de strijd om het eigen overleven, de fondsenwerving, het opstellen van projecten, enzovoort. Dat is menselijk, maar het dient de ontwikkelingszaak niet.

De overheid moet die evolutie naar meer kwaliteit en samenwerking stimuleren. Dat kan ze door haar financiering van NGO’s aan te passen. De aloude financiering via projecten was immers noch voor overheid, noch voor NGO’s, positief. 140 NGO’s die duizenden projecten indienen, legden een enorme last op het Algemeen Bestuur voor Ontwikkelingssamenwerking (Abos). De NGO’s van hun kant moesten voor alles en nog wat aanvragen indienen. “Wie een fax in de plaats van een schrijfmachine wilde kopen, moest langs het Abos”, vertelt Guido Dumon.

Daarom werd voorgesteld dat vijf of acht NGO’s voortaan met programmafinanciering zouden werken. De overheid zou hen betalen op basis van een programma, waarin ze hun werking voor de komende vijf jaar uitstippelen. Dat was minder werk voor het Abos en de NGO’s konden op die manier een beleid op lange termijn plannen. Zij kregen zekerheid over financiële enveloppes en minder bureaucratie. Daartegenover stond dan wel meer controle op de resultaten op het terrein. De bedoeling was dat tussen deze sterke NGO’s en de overheid vertrouwen zou groeien, en zelfs zoiets als een beleidsdialoog.

DE DRIFT OM ALLES ANDERS TE DOEN

Niet alle NGO’s, en zeker niet die in Wallonië, oordeelden dat er meer moest worden samengewerkt en dat er op langere termijn en professioneler moest worden gewerkt. Het ging hier dus om een verandering, die slechts door een deel van de NGO’s werd gedragen.

De vraag is dan of en hoe je dat als overheid gaat forceren?

Moreels had kunnen doorgaan op de stappen die al in een vorige hervorming waren gezet. Onder Moreels’ voorganger, de SP’er Erik Derycke, waren in 1991 al veertien van de sterkste NGO’s overgeschakeld op een zogenaamde programmafinanciering. Zegt Robrecht Renard, hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen, die al jaren de Belgische ontwikkelingssamenwerking op de voet volgt: “Dat leverde een basis om de volgende stap te zetten. We smeekten Moreels daarom de bestaande programmafinanciering te evalueren. Maar hij deed niks. De vele NGO’s die nog met projecten werkten, had hij tot samenwerking kunnen aanzetten door hen te verplichten tussenstructuren op te zetten in hun contact met overheid. Kortom, de kansen lagen voor het grijpen maar het kabinet wou opnieuw van nul beginnen. Er was een drift om het helemaal anders te doen. Eerst werkten ze met een studiebureau, maar dat draaide uiteindelijk op niets uit. Zo ging er veel tijd verloren, waardoor het dan plots allemaal erg snel moest gebeuren en zonder degelijke analyse.”

Moreels besliste om meteen àlle NGO’s met programmafinanciering te laten werken. De 124 erkende NGO’s dienden 79 programma’s, in waarvan er 63 werden goedgekeurd. “Dat is dus een enorme vooruitgang”, meent Guido Dumon. “Vroeger moest het Abos 2500 projectdossiers behandelen; nu nog 63 programma’s.”

Dat klopt. En NGO’s komen nu ook makkelijker en met minder rompslomp aan geld. Maar door de massale toepassing ervan, gaan ook veel voordelen van programmafinanciering verloren: een beleidsdialoog, vertrouwen, controle op het terrein zijn nu eenmaal onmogelijk met 63 programma’s. Jean Bossuyt van het Europees Centrum voor Ontwikkelingsbeleid: “Feitelijk is een deel van het werk uitgesteld. Het moeilijkste, de selectie van de NGO’s op de kwaliteit van hun werking, moet nog gebeuren. Omdat de taart onder alle NGO’s diende te worden verdeeld, werd soms gesneden in NGO’s die wél goed werk leveren.”

Dat verklaart waarom sommige van die betere NGO’s ontevreden waren met Moreels’ subsidies. Bossuyt, tevens lid van de Ekstermolengroep: “De NGO’s hebben hier zelf ook een taak. Zij moeten onderling uitmaken wat kwaliteit betekent, en de bal niet enkel naar de politiek toespelen.”

Ook de procedure van beoordeling van programma’s en toewijzing van de middelen liet veel te wensen over. Vorig jaar december riepen Moreels en Co. inderhaast een groep experten samen om de programma’s te quoteren. Renard was een van hen: “Er was bijzonder weinig tijd. Op drie weken tijd moesten we honderden bladzijden evalueren. En ook: wat moest je evalueren? Een discours uiteindelijk, want je had geen gegevens over die NGO’s.”

Luc Dekeyser, docent sociale pedagogiek aan de KU-Leuven, beaamt dat er weinig tijd was: “Bovendien waren de criteria waaraan de programma’s moesten beantwoorden, vooraf niet bekendgemaakt aan de NGO’s.”

Na de programma’s moesten ook de zogenaamde actieplannen voor 1998 worden geëvalueerd. Omdat een aantal experten zich terugtrok, werden die dikwijls gelezen door mensen die het programma niet hadden gelezen. Op basis van de quotering van de actieplannen, kende het kabinet dan zélf de bedragen toe. Precies daarom valt op dat Artsen zonder Grenzen en Wereldsolidariteit de NGO’s zijn die er qua volume het meest op vooruitgaan – respectievelijk 55 en 31 miljoen frank. Toevallig zijn dat ook de NGO’s waar Moreels en Dumon voorheen werkten. Dumon: “Zo’n insinuatie getuigt van een uitzonderlijk oude politieke cultuur. Wij hadden met de quotering van de actieplannen niks te maken. De omzetting van die quotering in subsidies gebeurde door de mechanische toepassing van een aantal parameters.”

Toeval dus, maar dan wel een opmerkelijk toeval. Voldoende alvast om enige tongen in het NGO-wereldje in beweging te brengen.

DIT IS DE BELGISCHE ZIEKTE

Dat er nog veel werk op de plank is, geeft ook Guido Dumon toe. “Dit was en is niet perfect. Er zijn ongewenste neveneffecten. We zullen die proberen recht te trekken. NGO’s en overheid moeten van deze hervorming een gezamenlijk proces maken.”

Johan Cottenie, medewerker van het Nationaal Centrum voor Ontwikkelingssamenwerking (NCOS) en lid van de Ekstermolengroep, oordeelt gematigd positief: “Als het stof eenmaal zal zijn neergedaald, zullen de NGO’s vaststellen dat een grote stap vooruit is gezet. NGO’s zullen bij voorhand weten hoeveel ze het jaar erop krijgen en zullen dat budget soepel kunnen beheren.”

De Komyunity-groep, het samenwerkingsverband rond Broederlijk Delen, is ontevreden. Jef Demolder: “Moreels zou samenwerking en educatie belonen. Welnu, wij hebben daar weinig van gezien. Ik twijfel niet aan Moreels’ goede bedoelingen, maar het is een slechte strateeg.”

Ook Robrecht Renard spreekt van een gemiste kans en trekt conclusies. “Moreels is ethisch bevlogen, een dromer, maar een slecht bestuurder. Dat is gevaarlijk. Die man speelt tenslotte met miljarden.”

Jean Bossuyt gelooft dat het probleem het persoonlijke overstijgt. “Dit is de Belgische ziekte. Zowat alles verloopt hier via de kabinetten. De administraties worden niet geresponsabiliseerd. Het gevolg is dat zo’n kabinet overspoeld wordt door honderden zaken en dus eigenlijk niks echt goed kan doen. Dat verklaart waarom alles hier zo traag gaat. Deze hervorming is nu zeven jaar bezig. Er zijn veel inspanningen gedaan, we moeten nu doorzetten.”

Hoe dan ook reageert Moreels erg verkrampt op kritiek. Toen professor Renard in een column in De Wereld Morgen, het maandblad uitgegeven door het NCOS, zijn kritiek op deze hervorming uitte, werd dat zowel Renard, De Wereld Morgen als het NCOS euvel geduid. Een al toegezegd panelgesprek voor het maandblad werd door Moreels terstond afgezegd. Zoiets van: wie mijn critici ook maar het woord gunt, wordt gestraft.

Zo kenden we Reginald Moreels nog niet.

John Vandaele

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content