Het debuut van de New Yorkse schrijver Dave Eggers wordt overal de hemel in geprezen. Maar ‘Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit’ had zoveel knapper kunnen zijn als de auteur niet zichzelf maar de tekst centraal had gesteld.

Het zal u maar overkomen: u gaat naar het trouwfeest van een van uw beste vrienden en komt naast de zelfverklaarde grappenmaker van de avond te zitten, zo iemand die als een Stalinorgel de ene na de andere kwinkslag afvuurt en iedere opmerking pareert met een nieuwe lading veelal geforceerde lol. De eerste tien minuten lacht u, het volgende half uur grijnst u nog wel eens en zo ongeveer wanneer het hoofdgerecht geserveerd wordt, slaat de vermoeidheid in volle kracht toe. Het is niet dat de grappenmaker slecht is, verre van, alleen vindt hij zichzelf zo verdomd interessant dat zijn persoonlijkheid niet alleen alles wat hij vertelt, maar ook zijn hele omgeving platdrukt. Laat zo’n grappenmaker beginnen schrijven, en er is compleet geen houden meer aan.

In Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit laat Dave Eggers een 21-jarige wees aan het woord die niet alleen in een tijdspanne van vijf weken zijn beide ouders aan kanker heeft verloren, maar ook nog eens verondersteld wordt de opvoeding van zijn achtjarige broertje Toph op zich te nemen. Iets wat hij trouwens voortreffelijk doet, aangezien hij zo weinig mogelijk uit de buurt van het kind wil zijn, hij in iedere oppas een psychopaat ziet en constant vreest dat broerlief zal uitgroeien tot een crackdealer of iemand die close harmony zingt in een popgroep uit Florida. Dit personage Dave is van het wereldverbeterende type dat als instrument het door hemzelf opgerichte tijdschrift Might omarmt. Samen met een aantal medestanders zoekt hij steun bij allerhande actiegroepen, maar wanneer het gezelschap ontdekt dat het gebrek aan ouderdomspensioenen, studiebeurzen of werk – allemaal zaken waarover die anderen klagen – niet echt bij hun opzet passen, springen de onderhandelingen af. ‘We zijn het van harte met hen eens wanneer ze klagen over het gebrek aan werk, maar zelf willen we niet zo vreselijk graag aan het werk – althans niet het soort werk waarover je zou klagen – dus doen we er al snel het zwijgen toe.’ Wat Might wil doen, is gewoon interessante mensen tonen: de makers zelf. Van het tijdschrift zullen er uiteindelijk maar vier maffe en verschrikkelijk studentikoze nummers verschijnen.

Door de avonturen van dit stelletje doldwaze would-be mediafiguren heen loopt ook de meer ingehouden verhaallijn die Dave en Toph op zoek laat gaan naar hun verleden. Na de dood van hun ouders zijn de kinderen immers verhuisd van Chicago naar Californië.

Echt afscheid hebben ze niet kunnen nemen. Ze weten zelfs niet eens wat er met de lijken is gebeurd. Ma en pa hadden immers beslist dat ze hun stoffelijke resten zouden nalaten aan de wetenschap.

Wat het boek zo speciaal maakt, en waardoor het internationaal zoveel stof doet opwaaien, is dat het een loopje neemt met alle klassieke regels van de roman. Dat begint al op de copyrightpagina waar je normaal niet veel meer vindt dan de naam van de uitgever en het isbn-nummer. In Eggers’ boek krijgen we er een hele uitleg over de immense rijkdom en de onooglijke invloed van de uitgever, over de seksuele geaardheid van de schrijver en over zijn basisrecht als Amerikaan om met de waarheid zo nu en dan een loopje te nemen.

Voor de roman echt van wal steekt, krijgen we nog een veertigtal pagina’s inleiding voorgeschoteld, met daarin de uit het boek weggelaten passages, een dankwoord waarin zowat iedereen – ook de NASA en het leger – in de bloemetjes wordt gezet, een overzicht van de gebruikte metaforen en een verklaring van de voornaamste thema’s van het boek.

Wanneer je pagina 1 hebt bereikt, ben je dus al danig overspannen. En ook dan houdt het niet op. Eggers laat sommige personages opeens uit hun rol springen om een dialoog op te zetten over de manier waarop hij hen gebruikt in zijn verhaal. Zo schudt de kleine Toph opeens een paar pagina’s literatuurwetenschappelijk jargon uit de mouw waarin hij zijn oudere broer ervan beschuldigt de wrede dood van hun ouders alleen maar te gebruiken om effect te scoren bij de lezers. En ook de generatie-X’ers krijgen het in deze roman hard te verduren. Niet toevallig heeft de hoofdfiguur, net zoals Douglas Coupland een paar jaar geleden, een vriendin in coma. En dat gaat zo maar eindeloos door. Heel wat van deze zelfrefererende ongein is echter niet zo nieuw als hij lijkt. Italo Calvino liet zijn personages bijvoorbeeld al – om bij het overtrokken woordgebruik van Eggers te blijven – ‘eeuwen’ geleden in opstand komen tegen hun auteur.

En toch staan er in dit boek prachtige, geïnspireerde passages waaruit blijkt dat Eggers in staat is tot iets groots. Alleen zou iemand hem eens moeten influisteren dat in een boek de tekst en niet het ego van zijn auteur centraal moet staan.

Dave Eggers, ‘Een hartverscheurend verhaal van duizelingwekkende genialiteit’, Vassallucci, Amsterdam, 387 blz., 998 fr.

Marnix Verplancke

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content